ECLI:NL:TGZRSHE:2026:172 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9276

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:172
Datum uitspraak: 21-10-2026
Datum publicatie: 21-10-2026
Zaaknummer(s): H2025/9276
Onderwerp: Onheuse bejegening
Beslissingen: Gegrond, geen maatregel
Inhoudsindicatie: Klagers dienen meerdere klachten in namens hun 14-jarige zoon tegen een verpleegkundig specialist. De zoon komt met een gebroken hand op de spoedeisende hulp. Er volgt een discussie tussen verweerder en klagers over de vraag of de zoon kan worden behandeld zonder dat klagers aanwezig zijn. De situatie escaleert waarbij verweerder een mogelijke melding bij Veilig Thuis benoemt.    Klagers verwijten verweerder een onheuse bejegening, het verstrekken van onjuiste informatie en het meewerken aan onrechtmatige verstrekking van onjuiste gegevens aan de huisarts. Het college verklaart de klachten ongegrond met uitzondering van het prematuur benoemen van een mogelijke Veilig-Thuismelding. Omdat verweerder van de situatie heeft geleerd, excuses heeft aangeboden en de zorg voor de zoon steeds vooropstond, legt het college geen maatregel op.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 21 oktober 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klager,
gemachtigde: mr. drs. M.J. Wolf, werkzaam in Goes,

en

[C],
wonende in [B],
klaagster,
gemachtigde: mr. drs. M.J. Wolf, werkzaam in Goes,

voor zichzelf en als wettelijk vertegenwoordigers van
[D], geboren op …..,

de wettelijk vertegenwoordigers, hierna gezamenlijk genoemd: klagers en [D]: de zoon,

tegen

[E],
verpleegkundig specialist,
werkzaam in [F],
verweerder, hierna ook: de verpleegkundig specialist,
gemachtigde: mr. C. Velink, werkzaam in Amsterdam.

1.   De zaak in het kort
1.1   De 14-jarige zoon van klagers loopt tijdens een ruzie op school een breuk op in zijn hand en 
gaat vergezeld van zijn docent naar de SEH (Spoedeisende Hulp). Het is daar die dag erg druk en op 
enig moment vertrekt de docent, na overleg met klagers en de zoon zelf. De zoon wordt gezien door 
verweerder. Er volgt een discussie met klagers over de vraag of de zoon kan worden behandeld zonder 
dat klagers aanwezig zijn. De zoon wordt uiteindelijk door een collega van verweerder, arts, 
geholpen na tussenkomt van de afdelingsmanager van verweerder. Er vindt een terugkoppeling van de 
SEH aan de huisarts plaats. De ouders zijn het oneens met de gang van zaken en dienen klachten in 
tegen meerdere zorgverleners, waaronder verweerder. Zij verwijten verweerder kort gezegd, een 
onheuse bejegening, het verstrekken van onjuiste informatie en het meewerken aan onrechtmatige
verstrekking van onjuiste gegevens aan de huisarts.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht deels gegrond is. De klacht wordt voor het 
overige ongegrond verklaard. Aan verweerder wordt geen maatregel opgelegd. Hierna licht het college 
toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2.  De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-   het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 20 november 2025;
-   het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 11 maart 2026.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 9 september 2026. De partijen zijn 
verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun 
standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigden hebben een pleitnotitie voorgelezen en aan het 
college en de andere partij overhandigd.

3.   Wat is er gebeurd?
3.1   De 14-jarige zoon van klagers heeft op 27 maart 2025 tijdens een ruzie op school met een 
vuist tegen de muur geslagen. Klagers worden gebeld maar zijn niet in de gelegenheid om te komen. 
Klaagster zit thuis met een klein kind en heeft geen babyzitje in de auto. Klager is aan het werk 
op een afstand van twee uur rijden van het ziekenhuis. Er wordt een verwijzing gemaakt door de 
huisarts voor een röntgenfoto en klagers spreken met de school af dat een docent de zoon naar de 
SEH van het ziekenhuis vergezelt. Na de triage en röntgenfoto’s is de docent, na overleg met 
klagers en de zoon, vertrokken.

3.2   De zoon mag na vertrek van de docent in de familiekamer plaatsnemen op de SEH en krijgt daar 
van een verpleegkundige pijnstilling (1000 mg paracetamol en 50 mg diclofenac). Daar wordt de zoon 
rond 16.00 uur voor het eerst gezien door verweerder. Verweerder heeft op dat moment met een 
collega de foto’s van de hand bekeken en hij legt de zoon uit dat zijn hand gebroken is en dat deze 
moet worden gezet. Verweerder vraagt aan de zoon of hij ermee akkoord is dat klaagster wordt 
gebeld. Nadat de zoon akkoord heeft gegeven belt verweerder naar klaagster en vraagt haar of zij of 
een ander familielid naar het ziekenhuis kan komen. Hij spreekt uit dat er een volwassene aanwezig 
dient te zijn. Tussen verweerder en klaagster ontstaat een discussie. Verweerder noemt op enig 
moment tijdens dit telefoongesprek dat de zoon niet alleen op de fiets naar huis kan gaan met een 
hand in het gips. De situatie escaleert. Verweerder spreekt over een Veilig Thuis-melding als er 
geen volwassene komt en het veilig thuiskomen van de zoon niet is gegarandeerd. Tijdens dit 
telefoongesprek is een collega van verweerder in de buurt.

3.3   Klaagster heeft hierna nog eenmaal telefonisch contact met verweerder. Intussen heeft ook de 
zoon op verschillende momenten contact met klagers via whatsapp.

3.4   Op enig moment verlaat de zoon de familiekamer. De secretaresse die op dat moment werkzaam 
is, vraagt de zoon even te wachten. Zij wil even overleggen met verweerder. De zoon loopt 
uiteindelijk richting de hal van het ziekenhuis.

3.5   Klager neemt rond 16.40 uur telefonisch contact op met verweerder. Blijkens het transcript 
van dit telefoongesprek wordt, voor zover thans van belang, het volgende besproken:
“(…)
Kl: Met (naam klager) de vader van (naam zoon). vw: Hoi
Kl: Als het goed is, is mijn zoon net geweigerd bij u bij behandeling. Vw: Geweigerd?
(…)
Kl: Ja, klopt. Omdat u hem weigerde te behandelen zonder zijn ouders?
vw: Nee, helemaal niet. Wij gingen hem behandelen, dat heb ik met zijn moeder afgesproken. We 
gingen hem behandelen, maar ik wil gewoon dat hij veilig thuis geraakt, dat hij niet gaat rijden op 
zijn fiets.
Kl: Ja, en daar hadden wij een taxi voor geregeld en alles. En toen ging u toch een melding doen 
bij Veilig Thuis. Dus ik heb even met mijn vrouw overlegd maar ik wil graag uw 
BIG-registratienummer.
vw: Zeker, dat kan u opzoeken. [naam verweerder] is de naam.
kl: [naam verweerder] is de naam, oké. En u bent ook bereid om achter dit verhaal te gaan staan nu 
dat u een melding doet bij Veilig Thuis?
vw: Maar u bedreigd mij nu dat ik dus … (…)
kl: U zegt “bedreigd”. Dus hoe heb ik u bedreigd dan? (…)
kl: Nou, ik heb geen zin in een afspraak met u. Ik ga een afspraak met uw directeur boeken over de 
wijze waarop u mijn vrouw en mijn zoon hebt behandeld.
Vw: Zeker, zeker.
kl: Ik ga zorgen dat het landelijk nieuws hier bij het AD betrokken gaat worden. Want ik vind het 
zo schandalig wat u doet. Mijn zoon met een gebroken vinger op deze manier de stress injagen. Ik 
werk voor de Rijksoverheid meneer. Ik ben niet een of ander Pietje Puk.
vw: Uw zoon is tegen medisch advies gaan lopen van de SEH, nadat ik hem heb gevraagd om hier te 
blijven.
kl: Nee, u heeft mijn zoon gedreigd om Veilig Thuis in te schakelen en daarop heeft mijn zoon 
besloten de spoedeisende hulp te verlaten.
(…)”

3.6   Verweerder neemt na dit gesprek contact op met een collega en uiteindelijk met de 
clustermanager acute zorg. Als verweerder bij de clustermanager is, wordt hij opnieuw gebeld door 
klager met de vraag wie zijn leidinggevende is. De clustermanager neemt het gesprek over. Omdat er 
geen vertrouwen meer is, wordt uiteindelijk afgesproken dat wordt gekeken of er een collega is die 
de zoon kan behandelen. Er is een collega aanwezig (ziekenhuisarts) en deze neemt de behandeling 
van de zoon over. Klager komt de zoon na behandeling ophalen.

3.7   Verweerder vult later nog wel het sputovamoformulier in. Dit is een checklist om te screenen 
of het letsel mogelijk veroorzaakt is door verwaarlozing of kindermishandeling. Het formulier moet 
standaard worden ingevuld voor elk kind dat zich presenteert op de SEH en wordt gebruikt om 
eventuele kindermishandeling te signaleren.

3.8   Op 27 maart 2025 wordt ook een huisartsenbrief opgesteld en verzonden. Deze brief is digitaal 
ondertekend door de ziekenhuisarts, namens de algemeen chirurg. Hierin staat onder meer:
“(…)
Beleid
1e presentatie in opdracht van vader tegen medisch advies naar huis (sputovamo+). Later in overleg 
met vader opnieuw gepresenteerd op de SEH zonder ouders en behandeld door [naam collega] 
ziekenhuisarts (…)”

3.9   Klagers worden op 24 april 2025 uitgenodigd door de clustermanager om de gebeurtenissen op de 
SEH te bespreken. Zij zouden daarvoor een uitnodiging ontvangen. Op dezelfde dag dienen klagers een 
klacht in bij de klachtenfunctionaris van het ziekenhuis. Verweerder heeft op de klacht geantwoord 
en verweerder heeft in zijn reactie excuses aangeboden dat hij prematuur in het gesprek met 
klaagster een Veilig Thuis-melding heeft genoemd. De klachtencommissie heeft op 24 juni 2025 een 
advies aan de raad van bestuur van het ziekenhuis gegeven.

3.10  Het ziekenhuis ontvangt nog een aantal verzoeken, waaronder het verzoek om het medische 
dossier van de zoon te verstrekken. Uiteindelijk wordt nog een gesprek aangeboden maar daar wordt, 
vanwege alle lopende procedures die klagers gestart zijn, door klagers vanaf gezien.

4.  De klacht en de reactie van verweerder
4.1  Klagers verwijten verweerder:
a) een onjuiste voorstelling van hoedanigheid;
b) onrechtmatige weigering van de medische behandeling;
c) intimidatie en misbruik/onjuiste toepassing van de Meldcode kindermishandeling;
d) onheuse bejegening en het overleggen van persoonlijke normen los van de dreigende VT-melding;
e) er is sprake van dossiervervalsing, verhulling en manipulatie;
f) er is sprake van ongeautoriseerde dossierinzage- en bewerking;
g) er is sprake van onzorgvuldige telefonische communicatie/vertrouwelijkheid;
h) er is sprake van een foutieve bron van de huisartsenbrief en onrechtmatige gegevensverstrekking;
i) er is sprake van onjuiste informatie over behandelplan;
j) dat hij geweigerd heeft om zijn BIG-registratienummer te verstrekken;
k) dat hij escalatie heeft bestendigd en rectificatie heeft nagelaten.

4.2  Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5.   De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundig specialist. Bij de 
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere 
professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd 
genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen 
tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel a) onjuiste voorstelling van hoedanigheid
5.2   Klagers hebben met betrekking tot dit klachtonderdeel aangevoerd dat verweerder zich 
tegenover de zoon heeft voorgesteld als “dokter” terwijl hij geen arts is. Ook heeft hij klager 
niet gecorrigeerd toen deze verweerder aansprak met “dokter”. Verweerder heeft betwist zich als 
dokter te hebben voorgesteld aan de zoon. Hij kan zich wel voorstellen dat een patiënt, zo ook de 
zoon, zich heeft laten misleiden door het gegeven dat een verpleegkundig specialist weliswaar net 
als de verpleegkundigen een groen pak draagt maar daarover, net als de artsen, een witte jas 
draagt. Echter draagt verweerder net als de andere medewerkers, ook een badge waarop duidelijk zijn 
naam en functie staan vermeld. Met betrekking tot het niet corrigeren van klager bij het hanteren 
van de onjuiste benaming door klager, heeft verweerder opgemerkt dat hij op dat moment hiertoe 
onvoldoende ruimte voelde.

5.3  Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is.
Waar het gaat om de wijze waarop verweerder zich heeft voorgesteld aan de zoon geldt dat, in 
gevallen waarin de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan 
worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, een verwijt dat is gebaseerd 
op de lezing van de klagende partij niet gegrond kan worden bevonden. Dat brengt mee dat niet kan 
worden vastgesteld of verweerder klachtwaardig heeft gehandeld.
Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klagers minder geloof verdient dan 
dat van de verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Dat verweerder zich tegenover de zoon heeft gepresenteerd als arts, kan het college dus, ook als aan het woord van de zoon en van verweerder evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen.
Dat verweerder, gegeven het feit dat hij werd gebeld door klager terwijl hij bezig was met een 
andere patiënt en klager hem dwingend vroeg naar zijn naam en BIG-registratienummer, niet voldoende 
ruimte voelde om klager te corrigeren toen deze hem met dokter aansprak, kan verweerder in de 
gegeven omstandigheden niet tuchtrechtelijk worden tegengeworpen. Hoewel het college van oordeel is 
dat het beter is om zo snel mogelijk een onjuiste veronderstelling over een functie te weerspreken, 
is het niet steeds een tuchtrechtelijk verwijt wanneer dat door omstandigheden niet gebeurt.

Klachtonderdeel b) onrechtmatige weigering van de medische behandeling
5.4   Anders dan klagers hebben aangevoerd, kan het college niet vaststellen dat verweerder de zoon 
enige behandeling heeft geweigerd. Weliswaar hadden klagers en verweerder een andere beleving over 
de noodzaak van de aanwezigheid van een ouder, en heeft een verschil in deze opvatting tot 
escalatie kunnen leiden, maar dat de zorg aan de zoon in het geding zou zijn geweest, blijkt op 
geen enkele wijze. Integendeel, op het moment dat de zoon de SEH verliet – daargelaten of dit op 
initiatief van klager was of dat een andere reden daaraan ten grondslag lag – is actie ondernomen 
om wel degelijk de behandeling uit te kunnen voeren. Dit klachtonderdeel is eveneens ongegrond.

Klachtonderdeel c) intimidatie en misbruik/onjuiste toepassing van de Meldcode kindermishandeling 
en klachtonderdeel d) onheuse bejegening en het overleggen van persoonlijke normen los van de 
dreigende VT-melding
5.5   Het college ziet redenen om deze klachtonderdelen gezamenlijk te behandelen. Het college 
stelt vast dat verweerder op enig moment tijdens het eerste telefoongesprek met klaagster heeft 
gesproken over een Veilig Thuis-melding. Verweerder heeft dit erkend en hij heeft bevestigd dat er 
op dat moment nog geen sprake was van een melding bij Veilig Thuis. Daarmee is in ieder geval de 
meldcode onjuist toegepast. Verweerder had immers noch de eerste, noch de tweede stap van de 
Meldcode gevolgd. Een gesprek hierover met (een van) de ouders, in dit geval klaagster, was daarmee 
hoe dan ook nog niet aan de orde. In zoverre is dit klachtonderdeel gegrond. Anders dan klagers 
hebben aangevoerd kan het college niet objectief vaststellen dat sprake zou zijn geweest van 
intimidatie en/of misbruik door het benoemen van een mogelijke melding. Het college stelt vast dat 
klagers en verweerder een andere beleving hebben over de aanleiding voor een mogelijke melding. Dat 
overigens verweerder de zoon onheus heeft bejegend, kan het college niet vaststellen. Hoewel 
verweerder een ongelukkige opmerking heeft gemaakt, is niet gebleken dat deze opmerking tegen de 
zoon is gemaakt. Bovendien is er geen reden te twijfelen aan de bedoelingen van verweerder, dat hij 
steeds het belang van en de zorg voor de zoon voor ogen heeft gehad. Weliswaar was de zoon op het 
moment van de behandeling 14 jaar, maar de verdoving voorafgaande aan het zetten van een gebroken 
hand kan ook voor een 14-jarige pijnlijk en traumatisch zijn. Dat verweerder het daarom gewenst 
vond dat een ouder fysiek aanwezig was, acht het college navolgbaar en dit ziet niet op het uitsluitend
toepassen van eigen normen zoals klagers hebben aangevoerd. Dat de zoon het gesprek met klaagster
heeft gehoord, zoals klagers ter onderbouwing van dit klachtonderdeel hebben opgemerkt, kan het college
ten slotte niet vaststellen.
Het vorenstaande leidt ertoe dat klachtonderdeel c) deels gegrond wordt verklaard en dat de 
klachtonderdelen c) en d) voor het overige ongegrond zijn.

Klachtonderdeel e) dossiervervalsing, verhulling en manipulatie
5.6   Klagers hebben dit klachtonderdeel aldus onderbouwd dat verweerder bewust feitelijke onjuiste 
informatie zou hebben opgenomen in de brief aan de huisarts. Zij stellen dat er een onjuiste 
weergave is opgenomen over het beloop op de SEH, een onjuiste conclusie van het sputovamoformulier 
is vermeld en ten onrechte bij de screening kindermishandeling als uitkomst positief is opgenomen. 
Verweerder heeft betwist dat de brief aan de huisarts onjuiste informatie bevatte.

5.7   Het college is van oordeel dat er geen sprake is geweest van een onjuiste weergave van het 
verloop op de SEH. De zoon was immers aanvankelijk met een docent gekomen en klagers waren niet op 
de SEH. Dat de zoon door klager telefonisch werd opgedragen om de SEH te verlaten, was door de 
secretaresse opgemerkt en genoteerd. Verweerder mocht van deze informatie uitgaan. Het verloop op 
de SEH is in zoverre een feitelijke weergave van hetgeen heeft plaatsgevonden. Dat de 
gebeurtenissen ertoe leidden dat in het sputovamo-formulier als conclusie is genoemd “positief” 
(wat verwijst naar eventuele verwaarlozing of kindermishandeling) kan verweerder niet worden 
verweten maar dit is een gevolg van de wijze waarop het formulier is opgezet. Dit is dan ook 
simpelweg de uitkomst van het ingevulde formulier. Het formulier laat weinig ruimte voor 
interpretatiemogelijkheden. Daarom is het ook enkel bedoeld als een eerste checklist. Het formulier 
wordt ook niet gebruikt voor een uitgebreid onderzoek. Verder onderzoek kan plaatsvinden wanneer er 
inderdaad een uitslag positief wordt vermeld. Verweerder heeft geen betrokkenheid bij de wijze 
waarop het formulier is ingericht. Van manipulatie, verhulling en dossiervervalsing is niet 
gebleken. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel f) ongeautoriseerde dossierinzage- en bewerking
5.8   Volgens klagers heeft verweerder na 27 maart 2025 nog handelingen verricht terwijl er geen 
behandelrelatie meer bestond. Verweerder heeft opgemerkt dat hij inderdaad na de datum van 27 maart 
2025 nog handelingen in het dossier heeft uitgevoerd maar dat dit geoorloofd was.

5.9  Het college is van oordeel dat ook dit klachtonderdeel ongegrond is.
Artikel 7:454 lid 1 BW bepaalt dat een hulpverlener een dossier inricht met betrekking tot de 
behandeling van de patiënt. Hij houdt in het dossier aantekening van de gegevens over de gezondheid 
van de patiënt en de te dien aanzien uitgevoerde verrichtingen en neemt andere gegevens daarin op, 
een en ander voor zover dit voor een goede hulpverlening aan de patiënt noodzakelijk is. Anders dan 
klagers kennelijk veronderstellen bepaalt de wet niet dat dergelijke gegevens niet meer mogen worden
ingevuld (kort) na een daadwerkelijke feitelijke uitvoering van een behandeling. Ook nadien mag een
medisch dossier zo nodig worden bewerkt.
Voor wat betreft het inzien van een medisch dossier wanneer een klacht is ingediend, staat het de 
zorgverlener naar vaste jurisprudentie vrij om bij het voorbereiden van een reactie op de klacht de 
inhoud te raadplegen van het dossier waartoe hij toegang had ten tijde van het handelen waarop de 
klacht betrekking heeft. Niet gebleken is van ongeautoriseerde inzage of bewerking van het medisch 
dossier.

Klachtonderdeel g) onzorgvuldige telefonische communicatie/vertrouwelijkheid
5.10  Voor zover dit klachtonderdeel betrekking heeft op de stelling dat de zoon het eerste gesprek 
tussen klaagster en verweerder heeft gehoord, verwijst het college naar hetgeen daarover is 
geoordeeld onder klachtonderdelen c) en d). Voor het overige stelt het college vast dat verweerder 
het telefoongesprek heeft gevoerd buiten de kamer waar de zoon op dat moment verbleef, namelijk bij 
een balie die zich niet in een voor het publiek toegankelijke ruimte bevond. Hoewel niet valt uit 
te sluiten dat iemand (delen van) het gesprek heeft gehoord, was er een noodzaak om met klaagster 
contact op te nemen, en heeft verweerder in ieder geval geprobeerd om dit gesprek buiten 
aanwezigheid van de zoon te voeren. Dat in de ruimte, waar andere artsen en verpleegkundigen zich 
kunnen bevinden, mogelijk iemand iets heeft gehoord, is inherent aan de setting van een SEH en 
daarvan kan verweerder geen verwijt worden gemaakt. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel h) bron foutieve huisartsenbrief en onrechtmatige gegevensverstrekking
5.11  Voor zover dit klachtonderdeel ziet op de inhoud van de huisartsenbrief, wordt verwezen naar 
hetgeen onder klachtonderdeel e) is overwogen. Voor zover de klacht ziet op het enkele gegeven dat 
er is teruggekoppeld naar de huisarts geldt dat het te doen gebruikelijk is om een terugkoppeling 
te geven aan de zorgverlener die, zoals in dit geval, een patiënt heeft doorverwezen dan wel in 
ieder geval naar de eerstelijns zorgverlener. Van een dergelijke terugkoppeling wordt enkel 
afgezien wanneer een patiënt de zorgverlener uitdrukkelijk verbiedt om een terugkoppeling te geven. 
Van dat laatste is niet gebleken. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel i) onjuiste informatie over behandelplan
5.12  Klagers verwijten verweerder dat hij de zoon zou hebben voorgehouden dat er een verdoving zou 
worden gegeven voordat de hand zou worden gezet. Uiteindelijk is er geen verdoving gegeven. Dit 
klachtonderdeel is alleen al ongegrond omdat verweerder heeft opgemerkt dat er mogelijk een 
verdoving zou worden gegeven. Hoe dan ook was verweerder niet betrokken bij het wijzigen van het 
behandelplan. Het was immers de collega die de zoon nadien heeft behandeld en die in overleg met de 
zoon heeft afgezien van het geven van een verdoving. Overigens kan een behandelplan in overleg met 
de patiënt ook daadwerkelijk worden gewijzigd. Dat is geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel j) weigering verstrekken BIG-registratienummer
5.13  Hoewel het juist is dat verweerder zijn BIG-registratienummer niet daadwerkelijk heeft 
genoemd toen hem daarnaar werd gevraagd, is het college van oordeel dat dit verweerder bezwaarlijk 
kan worden tegengeworpen. Een zorgverlener hoeft zijn BIG-registratienummer niet uit zijn hoofd te 
weten, hij behoort enkel zodanige gegevens te verstrekken dat zijn BIG-registratienummer kan worden 
gevonden in het BIG-register. Dit heeft verweerder gedaan. Ook dit klachtonderdeel is daarom 
ongegrond.

Klachtonderdeel k) escalatie bestendigd en rectificatie nagelaten
5.14  Naar het oordeel van het college is dit klachtonderdeel alleen al ongegrond omdat het 
onvoldoende concreet is onderbouwd. Voor zover klagers bedoeld hebben dat verweerder het 
sputovamoformulier niet uit het dossier wilde verwijderen, geldt dat verweerder verplicht is om dit 
formulier in het medisch dossier op te nemen. Het lag buiten zijn bevoegdheid om hier een 
andersluidende beslissing over te nemen. Het is het bestuur van het ziekenhuis dat hierover 
uiteindelijk een beslissing heeft genomen. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

Slotsom
5.15  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel c) deels gegrond is. De overige 
klachten zijn allemaal ongegrond.

Maatregel
5.16   Nu de klacht deels gegrond is, dient het college te beoordelen of, en zo ja welke maatregel 
aan verweerder zou moeten worden opgelegd. In onderhavige zaak is het college van oordeel dat aan 
verweerder geen maatregel behoeft te worden opgelegd. Tot dit oordeel is het college gekomen op 
grond van het volgende. De bedoeling van het tuchtrecht is het bewaken van de kwaliteit van de 
gezondheidszorg. In deze zaak heeft verweerder weliswaar prematuur aangegeven dat er mogelijk een 
Veilig Thuis-melding zou worden gedaan, maar verweerder heeft nadien meermalen op zijn handelen 
gereflecteerd en daaruit lering getrokken. Hij heeft zijn handelen ook besproken met derden en zich 
afgevraagd of de aandachtsvelden van het sputovamoformulier goed waren ingevuld en of hij zijn werk 
goed had gedaan. Hij heeft verantwoording afgelegd bij de klachtencommissie en heeft zich ook bij 
het college toetsbaar opgesteld. Daarmee is naar het oordeel van het college voldoende naar voren 
gekomen dat verweerder heeft geleerd van hetgeen heeft plaatsgevonden en dat de kwaliteit van de 
gezondheidszorg is geborgd. Verweerder heeft meermalen – zowel mondeling als schriftelijk - aan 
klagers en de zoon zijn excuses aangeboden. Hoewel klagers van mening zijn dat deze excuses niet 
oprecht zouden zijn, heeft het college geen enkele reden om te veronderstellen dat deze excuses 
niet oprecht zouden zijn. Het college concludeert dat verweerder te allen tijde de zorg voor de 
zoon voor ogen heeft gehad en daarop zijn handelen heeft gebaseerd.

Publicatie
5.17  In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen
dat andere zorgverleners mogelijk iets kunnen leren van wat hiervoor is overwogen. De publicatie zal
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6  De beslissing
Het college:
-  verklaart klachtonderdeel c) deels gegrond;
-  bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
-  verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
-  bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
   of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter 
   publicatie zal worden aangeboden aan het Vakblad de Verpleegkundig specialist.

Deze beslissing is gegeven door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
W.G.H. Corté, lid-jurist, A. Petiet, M. IJzerman en W.M.E. Bil, leden-beroepsgenoten, bijgestaan 
door T.G. Nijenkamp, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 21 oktober 2026.