ECLI:NL:TGZRSHE:2026:171 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2026/9533
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:171 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-10-2026 |
| Datum publicatie: | 21-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2026/9533 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een gz-psycholoog. Klager verwijt de psycholoog dat hij hem ten onrechte heeft uitgenodigd voor een intakegesprek, terwijl uit de triage al zou blijken dat geen sprake was van PTSS, en dat ten onrechte een bedrag van € 1.549,06 bij de zorgverzekeraar is gedeclareerd. Het college oordeelt dat de klacht kennelijk ongegrond is, omdat de beslissing om klager voor een intake uit te nodigen door een triagist is genomen en op basis van de verwijzing een reële diagnostische vraag bestond. Ook was de psycholoog niet betrokken bij de declaratie of de hoogte daarvan. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 21 oktober 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
tegen
[C],
gz-psycholoog, werkzaam in [D],
verweerder,
gemachtigde: mr. A.M. de Nijs, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager heeft (na triage door een triagist) een intakegesprek gevoerd met verweerder.
Klager
verwijt verweerder dat hij hem ten onrechte heeft uitgenodigd voor dat intakegesprek,
omdat al
bekend was dat klager vanwege het ontbreken van PTSS-klachten niet in aanmerking
kwam voor de
therapie bij het psychotraumacentrum waar verweerder werkzaam is. Verweerder heeft
bovendien
volgens klager ten onrechte hiervoor een bedrag van € 1.549,06 bij zijn zorgverzekeraar
gedeclareerd.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 19 januari 2026;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 april 2026.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager is door zijn huisarts verwezen naar het psychotraumacentrum van de
ggz-instelling waar
verweerder werkzaam is. Binnen dat centrum worden personen met een posttraumatische
stressstoornis
(PTSS) behandeld. Uit de verwijzing van de huisarts blijkt dat bij klager sprake
was van
aanhoudende angstklachten in combinatie met een mogelijke relatie tot (tweede generatie)
naoorlogs
trauma.
3.2 Na de verwijzing heeft triage plaatsgevonden door een triagist. Deze heeft op
basis van de
verwijsinformatie en een telefonisch gesprek met klager het volgende genoteerd:
“WO 2 en tweede generatie wordt ook wel door lzv.NL/VI opgepakt (pelita enz) maar
de vraag is of
hier sprake is van PTSS. Vanuit triage uit cliënt geen PTSS klachten.
Beoordelen via intake, indien geen PTSS dan eigen regio.”
Hierna is klager uitgenodigd voor een intakegesprek met verweerder.
3.3. Op 23 juli 2025 heeft het intakegesprek plaatsgevonden. Verweerder en klager
hebben tijdens
dat gesprek de klachten, de voorgeschiedenis en de actuele problematiek besproken.
Tijdens het
gesprek kwam naar voren dat klager klachten ervaart in relatie tot de oorlogservaringen
van zijn
moeder, maar dat niet wordt voldaan aan de diagnostische criteria voor PTSS (of
een andere
psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis). Dat is een voorwaarde voor behandeling
binnen het
psychotraumacentrum van de ggz-instelling waar verweerder werkzaam is. Verweerder
zag wel
aanwijzingen voor angst-, stemmings- en interpersoonlijke problematiek.
3.4 Na het intakegesprek heeft verweerder zijn bevindingen en conclusies mondeling
aan klager
teruggekoppeld en toegelicht. Dit heeft verweerder ook vastgelegd in een schriftelijke
terugkoppeling aan de huisarts. Verweerder heeft daarbij een behandeladvies gegeven,
waaronder
verwijzing naar een instelling met specifiek aanbod voor tweede generatie oorlogstrauma
en een
indicatie voor psychotherapeutische behandeling (schematherapie).
3.5 Voor het intakegesprek is een bedrag van € 1.549,06 in rekening gebracht bij
de
zorgverzekeraar van klager.
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klager verwijt verweerder dat hij:
a) klager ten onrechte heeft uitgenodigd voor een intakegesprek terwijl vooraf bekend
was dat
klager geen oorlogservaringen en geen posttraumatische stressstoornis heeft;
b) een hoge declaratie bij de zorgverzekeraar van klager heeft ingediend.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht klager niet-ontvankelijk te verklaren
en de klacht dus
niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk
gaat
beoordelen, heeft verweerder het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 Klager stelt dat verweerder een persoonlijk tuchtrechtelijk verwijt kan worden
gemaakt.
Daarmee valt de klacht binnen het bereik van het individuele medisch tuchtrecht.
Dat verweerder het
verweer voert dat hij niet persoonlijk betrokken is geweest bij de verweten gedragingen
maakt dit
niet anders. Dat is een inhoudelijk door het college te toetsen verweer. Naar het
oordeel van het
college is klager dus ontvankelijk. Het college zal de klacht daarom hierna inhoudelijk
bespreken.
De criteria voor de beoordeling
5.2 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende gz-psycholoog. Bij de beoordeling
wordt
rekening gehouden met de voor verweerder geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Hierbij geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.3 De klacht van klager ziet op de beslissing om hem voor een intakegesprek uit
te nodigen en om
naar aanleiding daarvan een declaratie in te dienen bij zijn zorgverzekeraar. Het
college is van
oordeel dat verweerder daarvan, zoals hij terecht heeft aangevoerd, geen persoonlijk
tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Verweerder was niet betrokken bij de
beslissing om
klager voor een intakegesprek uit te nodigen. Die beslissing is genomen door een
triagist. Deze
beslissing is overigens navolgbaar, omdat sprake was van een reële en legitieme
diagnostische
vraagstelling, gebaseerd op de beschikbare verwijsinformatie. Verweerder was evenmin
betrokken bij
de beslissing tot declareren en ook niet bij de bepaling van de hoogte van de declaratie
aan de
zorgverzekeraar van klager.
Slotsom
5.4 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht ontvankelijk, maar kennelijk
ongegrond is.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door T.N.E. Meyboom, voorzitter, Ch. Oele en A.T. Prinsen-Reinders,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door G.J. Stoepker, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken
door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 21 oktober 2026.