ECLI:NL:TGZRSHE:2026:170 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9423
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:170 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-10-2026 |
| Datum publicatie: | 14-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/9423 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen revalidatiearts. Patiënte verwijt de arts nalatigheid in de zorgverlening en schending van professionele normen. Geen verantwoordelijkheid voor de nazorg van een pijnbehandeling bij een andere instelling. Noodzakelijke zorg is geleverd. Niet afgeweken van de binnen de revalidatiegeneeskundige zorg geldende professionele normen en richtlijnen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 14 oktober 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen
[C],
revalidatiearts,
werkzaam in [D],
verweerster, hierna ook: de revalidatiearts,
gemachtigden: mr. T.A.M. van den Ende en mr. Z. van Dorp, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Na de amputatie van haar rechteronderbeen, kwam klaagster in maart 2023 voor
een
revalidatiebehandeling bij het medisch specialistisch revalidatiecentrum (hierna:
het
revalidatiecentrum), waar verweerster als revalidatiearts werkzaam is. Een collega-revalidatiearts
was vanaf mei 2025 de hoofdbehandelaar van klaagster. Wanneer de hoofdbehandelaar
afwezig was, was
verweerster zijn waarnemer. Omdat klaagster in juli 2025 naar een andere provincie
zou verhuizen,
vond binnen het revalidatiecentrum overleg plaats om de behandeling over te dragen
aan een
revalidatie instelling in de nieuwe woonomgeving van klaagster. Vanaf 5 december
2025 werd
verweerster de hoofdbehandelaar van klaagster. Klaagster verwijt verweerster nalatigheid
in de
zorgverlening en schending van professionele normen.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 21 november 2025;
- de brief van 14 januari 2026 van de secretaris aan klaagster;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 21 januari 2026;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 26 maart 2026;
- de brief van 13 april 2026 van de secretaris aan klaagster;
- de e-mail van klaagster, ontvangen op 17 april 2026;
- het aanvullende verweerschrift, ontvangen op 13 mei 2026.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster heeft een complexe medische voorgeschiedenis met betrekking tot
haar rechterbeen,
waaronder een Complex regionaal pijnsyndroom (CRPS), operaties en complicaties.
In augustus 2022
werd het rechteronderbeen van klaagster geamputeerd, waarna een revalidatiebehandeling
volgde.
Vanaf maart 2023 vond deze behandeling plaats in het revalidatiecentrum. Vanaf 17
mei 2025 was een
collega van verweerster de hoofdbehandelaar van klaagster. Vanwege ouderschapsverlof
was de
hoofdbehandelaar afwezig van 8 augustus tot 8 september 2025. Gedurende zijn afwezigheid
werd de
behandeling van klaagster waargenomen door verweerster.
3.2 Begin augustus 2025 onderging klaagster een Qutenza-behandeling (een vorm van
pijnbestrijding
waarbij een speciale pleister op de pijnlijke huid wordt geplakt) bij de polikliniek pijngeneeskunde
van een
ziekenhuis (hierna: de pijnpoli). Klaagster reageerde heftig op de behandeling en
ervoer meer pijn.
De pijnpoli schreef klaagster orale pijnstilling voor. Op 15 augustus 2025 stuurde
klaagster een e-mail naar
de hoofdbehandelaar waarin zij aangaf dat het niet goed met haar ging (alle citaten
voor zover van belang
en letterlijk weergegeven): “Het gaat niet goed en ik wil een afspraak. De verkleuring
van mijn kleine been
gaat niet weg. Het lijkt op hoe mijn CRPS ooit begon.” Zij verzocht om een videobelafspraak
op korte termijn.
In verband met de afwezigheid van de hoofdbehandelaar werd overleg gevoerd met verweerster.
Vervolgens antwoordde de medisch secretaresse op 20 augustus 2025 : “[Hoofdbehandelaar]
is op vakantie en pas terug
op 08-09. Ik heb uw mail overlegd met zijn vervanger en zij adviseert een zoomafspraak
te plannen op
08-09 en als er op medisch gebied spoed is dan graag de huisarts inschakelen. De
zoomafspraak op
08-09 kan ik plannen om 14:30 uur? Schikt dat u?”
3.3 Klaagster reageerde onmiddellijk per e-mail waarin zij onder andere aangaf “dat
een huisarts
daar geen verstand van heeft”, “Ik ga niet weer van het kastje naar de muur gestuurd
worden en ga
dus zeker niet naar de huisarts!”, en over verweerster: “zij heeft geen kennis van
mijn dossier,
niet amputatie en niet van CRPS. Meer dan bijzonder dat ze nog niet eens de moeite
neemt om te
bellen” en “Ik ga ook de klachtenfunctionaris hierbij nu informeren.” Twee dagen
later, op 22 augustus 2025,
mailde klaagster aan de medisch secretaresse:
“Ik hoef geen mails meer van u. Het handelen van u en [verweerster] ligt bij de klachtenfunctionaris
(…).
Dit naast het onderzoek over het totaal falen van de overdracht naar [opvolgend
revalidatiecentrum]. (…)
De gevolgen van uw handelen zal dokter [hoofdbehandelaar] op 8/9 zelf kunnen analyseren,
zoals u en
[verweerster] wenst.”
3.4 Daarna volgden nog meer e-mails van klaagster aan het revalidatiecentrum, waarin
zij haar
onvrede uitte. Vanaf 8 september 2025 was de hoofdbehandelaar van klaagster weer
terug van verlof.
Op diezelfde dag vond een videobelafspraak plaats tussen hem en de echtgenoot van
klaagster.
Op 22 september 2025 volgde nog een poliklinisch consult bij de hoofdbehandelaar,
waarbij klaagster
aangaf pijn te ervaren na de Qutenza-behandeling.
3.5 Vanaf 6 oktober tot 1 december 2025 was de hoofdbehandelaar opnieuw wegens ouderschapsverlof
afwezig en werd de behandeling van klaagster waargenomen door verweerster.
3.6 Op 1 december 2025 vond bij klaagster een stompcorrectie plaats in het academisch
ziekenhuis.
In de ontslagbrief aan de huisarts van klaagster van 10 december 2025 noteerde de
plastisch
chirurg: “Beloop: De opname is ongecompliceerd verlopen. Patiënt is op 2-12-2025
ontslagen naar
huis en zal poliklinisch worden vervolgd. Beleid: (…)- Over 2 weken HV bij huisarts
(voorkeur
patient) – Over 3 maanden poliklinische controle”.
3.7 Vanwege het vertrek van de hoofdbehandelaar bij het revalidatiecentrum, nam
verweerster met
ingang van 5 december 2025 het hoofdbehandelaarschap van hem over.
3.8 Op 7 december 2025 stuurde klaagster een e-mail aan verweerster waarin zij onder
meer aangaf
dat zij nazorg na de operatie nodig had: “Het [academisch ziekenhuis] heeft mij
zonder nazorg en
goede info voor de huisarts weggestuurd omdat ze er vanuit zijn gegaan dat [revalidatiecentrum]
hiervoor verantwoordelijk is”. Verweerster verzocht de medisch secretaresse om klaagster
te
antwoorden: “Het [academisch ziekenhuis] heeft geen nazorg aan ons overgedragen
na de operatie.
Voor nazorg adviseren wij u om contact met het [academisch ziekenhuis] op te nemen.”
3.9 Op 12 december 2025 nam verweerster telefonisch contact op met de plastisch
chirurg van het
academisch ziekenhuis om de nazorg af te stemmen. Daarover noteerde zij in het dossier
dat het
academisch ziekenhuis klaagster verwees voor revalidatie na de operatie en dat de
nabehandeling
vanuit het academisch ziekenhuis de wondgenezing betreft, waarvoor een controle
afspraak volgt. Ook
noteerde zij dat het revalidatiecentrum werd gevraagd klaagster te begeleiden bij
het weer gaan
dragen van haar prothese. Na dit telefoongesprek ontving verweerster de verwijzing
voor
revalidatiezorg van het academisch ziekenhuis.
3.10 Diezelfde dag mailde verweerster aan klaagster: “Uw mails met verzoeken aan
ons na uw
operatie (…) heb ik in goede orde ontvangen. (…) Wij hebben een verwijzing ontvangen
van het
[academisch ziekenhuis]. Wij plannen een telefonisch consult om de behoefde aan
revalidatiezorg na
de operatie in kaart te brengen. Voor vragen over wondzorg of de operatie kunt u
bij het [academisch
ziekenhuis] terecht.”
3.11 In de e-mails van 12 en 15 december 2025 schreef klaagster over verweerster:
“[Verweerster] speelt met mijn leven en zit mij keer op keer te pesten met paarse krokodillen
en weigert
keer op keer zorg te verlenen”, “u moet eerst eens stoppen met ons te beschuldigen
van liegen”, “U escaleert
steeds zelf keer op keer en verdraait de feiten. Verder beschouw ik het echt als
pestgedrag wat u allemaal
schrijft en doet, sinds augustus 2025”.
3.12 Op 18 december 2025 ontving verweerster een e-mail van de echtgenoot van klaagster
waarin hij
aangaf dat klaagster geen vertrouwen meer in verweerster heeft en een andere arts
wenst. Ook
schreef hij dat verweerster geen toestemming van klaagster krijgt om het medisch
dossier bij het
academisch ziekenhuis op te vragen. Ook in de periode daarna ontving verweerster
diverse boze
e-mails van klaagster: “U moet stoppen met stalken (…) U schaadt door uw gedrag
direct enorm mijn
gezondheid. Als u zogenaamd hoofdbehandelaar bent dan pleegt u zeer bewust direct
psychische mishandeling
met grote fysieke gevolgen. Dat moet u zelfs kunnen begrijpen.”
3.13 Op 14 januari 2026 schreef klaagster een e-mail aan verweerster en aan de raad
van bestuur
van het revalidatiecentrum waarin staat dat verweerster zonder toestemming van klaagster
in
december 2025 haar medisch dossier bij het academisch centrum had opgevraagd. Daarnaast
schreef
zij: “[Verweerster] mag helemaal NU geen zorg verlenen aan mij en mijn dossier inzien
en medische
info opvragen bij derden.”
3.14 Op 26 februari 2026 vroeg verweerster per e-mail aan klaagster om toestemming
om het medisch
centrum én het opvolgende revalidatiecentrum te mogen benaderen. Tot slot schreef
zij: “Ik ben uw
hoofdbehandelaar voor revalidatie tot overdracht naar passende zorg in eigen regio
is geregeld.
Voor medische vragen in de tussentijd kunt u met [het revalidatiecentrum] contact
opnemen.”
3.15 Een uur later stuurde klaagster een e-mail terug met als onderwerp: “STOP MET
STALKEN, LAATSTE WAARSCHUWING!” Hierin schreef zij onder meer: “Ik heb in mijn vorige
mail zeer
duidelijk aangegeven dat ik al de mails van [verweerster, het revalidatiecentrum
en de advocaat]
ervaar als stalking. Blijkbaar wil u deze boodschap niet begrijpen. Dat is zeer
ernstig! Als u niet
per direct stopt dan doe ik aangifte tegen [verweerster]. Ik ga dan ook een melding
maken bij de
inspectie van ernstig onveilige situatie bij [revalidatiecentrum], die bewust wordt
uitgelokt.
[Verweerster] is niet mijn behandelend arts als stalker, maar een persoon met gestoord
gedrag. Dat
is arts onwaardig. De toestemming is helemaal niet gericht op mijn gezondheid, maar
om info te krijgen
voor haar tuchtrechtzaak. Ik verdenk [verweerster] ervan ernstig misbruik te maken
van haar positie als
arts en ook van mogelijk misbruik van mijn medische gegevens. [Verweerster] krijgt
echt NOOIT
toestemming om mijn dossier te raadplegen en om ook maar een medische behandeling
uit te voeren. (…)”
4. De klacht en de reactie van de revalidatiearts
4.1 Klaagster verwijt de revalidatiearts:
1) het niet reageren op een ernstige hulpvraag:
• hulpvraag na Qutenza-complicaties afgedaan via e-mail;
• geen dossierstudie uitgevoerd;
2) het niet verlenen van noodzakelijke zorg:
• geen contact opgenomen, geen zorg geregeld en de huisarts niet geïnformeerd;
3) schending van professionele normen:
• gedragsregels m.b.t. verantwoordelijkheid, zorgvuldigheid en dossierkennis niet
nageleefd;
• verweerster heeft zonder toestemming van klaagster haar medisch dossier opgevraagd
bij het
academisch ziekenhuis.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren
voor zover de
klacht betrekking zou hebben op het handelen van verweerster vóór maart 2025 en
de klacht over
die eerdere periode niet inhoudelijk te behandelen. Ten aanzien van de inhoudelijke
behandeling van
de klacht heeft verweerster het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college heeft oog voor de gezondheidsproblemen van klaagster en de impact
die deze op haar
dagelijks functioneren en welzijn hebben gehad. Dat neemt niet weg dat het college
het beroepsmatig
handelen van de revalidatiearts zakelijk dient te beoordelen.
Ontvankelijkheid
5.2 Verweerster heeft naar voren gebracht dat klaagster niet-ontvankelijk is in
de klacht, voor
zover deze betrekking zou hebben op het handelen van verweerster over de periode
vóór maart 2025.
Aangezien klaagster in haar aanvullende klaagschrift expliciet heeft vermeld dat
haar klacht gaat
over de periode maart 2025 tot en met 14 januari 2026, komt het college niet toe
aan een oordeel
over de ontvankelijkheid van klaagster over de daaraan voorafgaande periode. Het
college zal de
klacht daarom inhoudelijk bespreken.
De criteria voor de beoordeling
5.3 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden.
De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende revalidatiearts.
Bij de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de revalidatiearts geldende beroepsnormen en
andere
professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen
tuchtrechtelijk
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.4 Het college oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld. Het
college legt hierna uit hoe het tot dit oordeel is gekomen.
Klachtonderdeel 1) niet reageren op hulpvraag na Qutenza
5.5 Klaagster stelt dat verweerster haar hulpvraag na de complicaties van de Qutenza-behandeling
heeft afgedaan via e-mail en dat zij geen dossierstudie heeft uitgevoerd.
5.6 Verweerster voert als verweer dat geen sprake is van zorgweigering. Verweerster
heeft volgens
de voor haar geldende professionele normen gehandeld. Anders dan klaagster stelt,
betrof haar
hulpvraag van 15 augustus 2025 niet de gevolgen van de Qutenza-behandeling. Klaagster
wilde
beoordeeld worden in verband met de verkleuring van haar stomp en angst voor recidive
van CRPS.
Verweerster heeft klaagster toen geadviseerd om een videobelafspraak met de hoofdbehandelaar
te
plannen op 8 september 2025, de eerste dag na terugkeer van zijn verlof. Daarnaast
gaf verweerster
aan dat als er op medisch gebied spoed was, de huisarts ingeschakeld moest worden.
5.7 Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. Het college volgt klaagster niet
in haar stelling
dat verweerster niet heeft gereageerd op de hulpvraag van klaagster in haar e-mail
van 15 augustus
2025. Verweerster heeft, als waarnemer van de hoofdbehandelaar, via de medisch secretaresse
wel
degelijk op deze hulpvraag gereageerd. Dat zij via e-mail reageerde is gebruikelijk
en kan ook niet
leiden tot een tuchtrechtelijk verwijt. Verweerster heeft klaagster voorgesteld
een afspraak te
maken met de hoofdbehandelaar, direct na diens terugkeer op 8 september 2025, dan
wel de huisarts
te benaderen. Het college acht dit advies van verweerster navolgbaar.
5.8 Het college volgt evenmin de stelling van klaagster, dat haar hulpvraag de complicaties
na de
Qutenza-behandeling betrof. In de betreffende e-mail wordt hierover niets vermeld;
klaagster noemt
uitsluitend een verkleuring van het kleine been. Dat klaagster kennelijk iets anders
bedoelde dan
zij schreef en/of een andere reactie van verweerster wenste, maakt dit oordeel niet
anders. Zelfs
al zou de hulpvraag van klaagster wel de complicaties na de Qutenza-behandeling
betreffen, dan nog
hoefde verweerster daar niet op te acteren. Verweerster is immers niet verantwoordelijk
voor de
nazorg van de pijnbehandeling die door een andere specialist in een andere instelling
(de
pijnpoli), is gegeven.
5.9 Tot slot kan het college niet vaststellen dat verweerster geen dossierstudie
heeft gedaan.
Klaagster heeft de klacht op dit punt niet of onvoldoende onderbouwd.
Klachtonderdeel 2) het niet verlenen van noodzakelijke zorg
5.10 Klaagster verwijt verweerster dat zij geen contact met haar heeft opgenomen
naar aanleiding
van de e-mail van 7 december 2025. Verweerster heeft geen zorg voor klaagster geregeld
en de
huisarts niet geïnformeerd.
5.11 Verweerster voert aan dat zij naar aanleiding van het verzoek van klaagster
voor nazorg na de
operatie in het academisch ziekenhuis, klaagster heeft laten weten dat er geen nazorg
aan het
revalidatiecentrum was opgedragen. Zij adviseerde klaagster om contact op te nemen
met het
academisch ziekenhuis. Direct nadat verweerster enkele dagen later een verwijzing
voor
revalidatiezorg van het academisch ziekenhuis ontving, heeft zij klaagster een telefonisch
consult
voorgesteld om de behoefte aan revalidatiezorg in kaart te brengen.
5.12 Daarnaast stelt verweerster zich op het standpunt dat klaagster het haar feitelijk
onmogelijk
maakt haar rol als goed hulpverlener te vervullen. Klaagster stelt geen vertrouwen
meer in
verweerster te hebben, verlangt dat verweerster geen medische handelingen verricht
en dat zij haar
medisch dossier niet mag bekijken. Klaagster betitelt verweerster in diverse e-mails
‘stalker’ en
‘pester’. Verweerster heeft zowel in augustus 2025 als in december 2025 geprobeerd
de situatie
zorgvuldig en conflict vermijdend op te lossen.
5.13 Vaststaat dat verweerster vanaf 5 december 2025 de opvolgend hoofdbehandelaar
van klaagster
was. In die hoedanigheid reageerde zij op klaagsters e-mail van 7 december 2025.
Anders dan
klaagster stelt, is het college niet gebleken dat verweerster was aangewezen om
de nazorg van de
operatie van 1 december 2025 door de plastisch chirurg op zich te nemen. Er was
ook geen taak voor
verweerster om de huisarts van klaagster over die operatie te informeren; die verantwoordelijkheid
lag bij de plastisch chirurg. Uit het dossier volgt dat de plastisch chirurg de
huisarts bij brief
van 10 december 2025 heeft geïnformeerd. Pas op 12 december 2025 ontving verweerster
de verwijzing
van de plastisch chirurg van het academisch ziekenhuis, voor de revalidatiezorg
na de operatie.
Direct daarna heeft verweerster contact met klaagster opgenomen om de revalidatiezorg
af te
stemmen. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
5.14 Het college stelt overigens vast dat verweerster, ook toen klaagster verweerster
meende te
moeten beschuldigen van stalking en pesten, professioneel met de situatie is omgegaan
en de zorg
voor klaagster steeds op de eerste plaats heeft gesteld. Anders dan klaagster kennelijk
meent,
heeft verweerster alle noodzakelijke zorg geleverd en daar waar anderen de zorg
op zich dienden te
nemen, helder aan klaagster aangegeven bij wie zij moest zijn.
Klachtonderdeel 3) Schending professionele normen
5.15 Klaagster stelt dat verweerster de professionele normen niet heeft nageleefd,
te weten de
gedragsregels met betrekking tot verantwoordelijkheid, zorgvuldigheid en dossierkennis.
Ook heeft
zij zonder toestemming van klaagster het medisch dossier opgevraagd bij het academisch
ziekenhuis.
5.16 Verweerster betwist dat zij de professionele normen niet heeft nageleefd. Als hoofdbehandelaar
van klaagster heeft verweerster het operatieverslag van het academisch ziekenhuis
terecht opgevraagd.
Dat past binnen de normale uitoefening van de regievoering van een hoofdbehandelaar
en vereist in dat
kader geen afzonderlijke toestemming van de patiënt.
5.17 Het college heeft in het dossier geen enkele aanwijzing gevonden dat verweerster
is afgeweken
van de binnen de revalidatiegeneeskundige zorg geldende professionele normen of
richtlijnen. Het
opvragen van medische informatie bij het academisch ziekenhuis past binnen de normale
uitoefening
van de taken van de hoofdbehandelaar en vereist in dat kader geen afzonderlijke
toestemming van de
patiënt. De overwegingen van het college bij de klachtonderdelen 1) en 2) leiden
ertoe dat dit
klachtonderdeel ook voor het overige kennelijk ongegrond is, zonder dat daaraan
afzonderlijke
overwegingen behoeven te worden gewijd.
Slotsom
5.18 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 14 oktober 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-
van Meerwijk, voorzitter, G.J. Renzenbrink en A.M.V. Dommisse, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan
door C.W.M. Hillenaar, secretaris.