ECLI:NL:TGZRSHE:2026:169 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2205/9246

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:169
Datum uitspraak: 30-09-2026
Datum publicatie: 30-09-2026
Zaaknummer(s): H2205/9246
Onderwerp: Onheuse bejegening
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een tandarts. Kennelijk ongegrond. De tandarts wordt verweten dat hij klaagster tijdens een spoedbehandeling ruw, hard en grof heeft behandeld, onnodig veel pijn heeft veroorzaakt en onvoldoende op haar pijnklachten heeft gereageerd. Het college oordeelt dat de uitgevoerde behandeling medisch-technisch correct was. Partijen hebben een verschillende lezing van de wijze waarop de behandeling is verlopen en er zijn geen objectieve gegevens die één van beide lezingen ondersteunen. Daarom kan het college niet vaststellen dat de tandarts klaagster ruw heeft behandeld, onnodige pijn heeft veroorzaakt of onvoldoende op haar pijnklachten heeft gereageerd.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 30 september 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,

tegen

[C],
tandarts, werkzaam in [D], verweerder.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   Verweerder is als tandarts werkzaam bij een tandartsenspoedpost. Klaagster bezocht verweerder 
vanwege ernstige, aanhoudende pijnklachten. Verweerder constateerde twee diep carieuze kiezen en 
vulde deze, na het toedienen van twee verdovingen. Klaagster verwijt verweerder dat hij haar 
tijdens de behandeling ruw, hard en grof heeft behandeld, onnodig veel pijn heeft veroorzaakt en 
niet adequaat op haar pijnklachten heeft gereageerd. Verweerder betreurt de zeer negatieve ervaring 
van klaagster, maar herkent zich niet in de klacht. Hij verzoekt het college de klacht ongegrond te 
verklaren.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met bijlage, ontvangen op 13 november 2025;
-  het verweerschrift, ontvangen per e-mail op 2 april 2026 en per post op 3 april 2026;
-  het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 28 mei 2026;
-  de brief van 2 juni 2026 van de secretaris aan verweerder;
-  de brief, gedateerd 2 juni 2026 met bijlagen, ontvangen van verweerder op 9 juni 2026.

2.2  Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de
zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1  Verweerder is werkzaam bij een tandartsenspoedpost. Zijn patiënten komen bij hem voor 
spoedeisende mondzorg die redelijkerwijs niet langer kan worden uitgesteld.

3.2   Klaagster heeft op 10 november 2025 een spoedafspraak gemaakt bij verweerder vanwege ernstige 
aanhoudende pijnklachten. Uit het onderzoek van verweerder bleek dat sprake was van twee diep 
carieuze kiezen (elementen 24 en 26). De percussietesten waren negatief en de koudetesten waren 
positief. Element 26 was erg gevoelig (suspect pulpitis). Verweerder heeft er (in overleg met 
klaagster) voor gekozen om beide elementen te vullen. Als de pijnklachten niet zouden verminderen 
zou er (met name voor element 26) later alsnog een wortelkanaalbehandeling moeten plaatsvinden, zo 
hebben verweerder en klaagster eveneens besproken.

3.3   Voorafgaand aan de behandeling, het vullen van beide elementen, heeft verweerder uitgelegd 
dat klaagster in geval van pijn haar linkerhand kan/moet opsteken. Verweerder heeft daarop een 
verdoving gegeven met één capsule Ultracaine en die vijf minuten laten inwerken. Bij het boren gaf 
klaagster aan pijn te hebben. Verweerder heeft in reactie daarop nog een verdoving gegeven met een 
capsule Ultracaine en ook deze laten inwerken. Na het boren zijn beide elementen opgevuld met 
composiet met een onderlaagje lonoseal als bescherming. Verweerder heeft na het vullen van beide 
elementen geen schade aan het tandvlees opgemerkt.

4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1   Klaagster verwijt verweerder haar ruw, hard en grof te hebben behandeld. Verweerder 
veroorzaakte veel pijn en reageerde niet adequaat op deze pijnklachten.

4.2  Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1   De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende tandarts. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor verweerder geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2  Het college oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en 
overweegt als volgt.

5.3   De behandeling die verweerder bij klaagster heeft uitgevoerd is naar oordeel van het college 
medisch-technisch gezien correct geweest. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. De klacht van 
klaagster gaat in de kern over de wijze waarop verweerder de behandeling bij klaagster heeft 
uitgevoerd.

5.4   Klaagster heeft in haar klaagschrift toegelicht dat de behandeling door verweerder in 
ernstige mate grensoverschrijdend en ronduit meedogenloos is geweest. Voor klaagster voelde het als 
een marteling. Verweerder had een hele grove werkwijze en veroorzaakte hierdoor onnodig veel pijn. 
Hij ramde verdovingsspuiten het tandvlees van klaagster in. Verweerder wachtte vervolgens niet maar 
ging direct aan de slag. Bij het boren schoot verweerder tot driemaal toe tot twee tanden verder 
uit, hetgeen stevige bloedingen veroorzaakte. De matrijzen die verweerder gebruikte voor het 
vullen, bracht verweerder op ruwe en pijnlijke wijze aan. Tijdens de behandeling sloeg klaagster 
tot vijf keer toe de handen van verweerder weg, omdat hij niet reageerde op de extreme pijn. 
Klaagster lag verstijfd, huilend en in totale paniek in de behandelstoel en kon niet weglopen of 
vluchten.

5.5   Verweerder heeft in het verweerschrift en tijdens het mondeling vooronderzoek toegelicht dat 
hij de zeer negatieve ervaring van klaagster betreurt, maar zich niet herkent in de klacht. 
Verweerder heeft niet meedogenloos gehandeld en heeft geen onnodige schade en pijn bij klaagster 
veroorzaakt. Hij heeft de verdovingen afdoende laten inwerken en geen pijn bij klaagster 
waargenomen. Het wegslaan van zijn handen heeft verweerder niet waargenomen. Ook zijn assistente 
heeft geen pijn of het wegslaan van de handen waargenomen. Zou pijn of het wegslaan van handen zijn 
waargenomen, dan was de behandeling onderbroken. Verweerder had enkel als doel om klaagster van 
haar klachten af te helpen.

5.6   Partijen zijn het, kortom, oneens over de wijze waarop verweerder de behandeling bij 
klaagster heeft uitgevoerd. Er zijn door partijen geen objectieve gegevens aangedragen die één van 
beide lezingen kunnen bevestigen.

5.7   In gevallen waarin de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en 
niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, zoals hier het 
geval, kan een verwijt dat is gebaseerd op de lezing van de klagende partij niet gegrond worden 
bevonden. Dat brengt in dit geval mee dat het college niet kan vaststellen dat verweerder 
klachtwaardig heeft gehandeld. Dit oordeel berust niet op
het uitgangspunt dat het woord van de klaagster minder geloof verdient dan dat van de verweerder, 
maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk 
verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen 
worden. Dat verweerder klaagster ruw, hard en grof heeft behandeld, pijn heeft veroorzaakt en/of 
niet adequaat reageerde op pijnklachten kan het college dus, ook als aan het woord van klaagster en 
van verweerder evenveel geloof wordt gehecht, niet vaststellen. Dat betekent dat de klacht 
kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 30 september 2026 door R.A. Steenbergen, voorzitter,
R.C.M. van Gorp en G.L.M.M. van der Werff, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
G.J. Stoepker, secretaris.