ECLI:NL:TGZRSHE:2026:167 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9422

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:167
Datum uitspraak: 14-10-2026
Datum publicatie: 14-10-2026
Zaaknummer(s): H2025/9422
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen fysiotherapeut. Verwijten van patiënte over een behandeladvies voor een pijnbehandeling, onprofessioneel handelen, gebrek aan regievoering en overdracht. Het geven van een behandeladvies kan niet worden vastgesteld. Geen verantwoordelijkheid voor pijnbehandeling bij een andere instelling en de nazorg ervan. Geen aanknopingspunt voor onprofessioneel handelen. Geen verantwoordelijkheid voor regie voerende taken. Voorbereidingen voor ontslag en overdracht zijn door verweerster verzorgd.  

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 14 oktober 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klaagster,

tegen

[C],
fysiotherapeut
werkzaam in [D],
verweerster, hierna ook: de fysiotherapeut,
gemachtigden: mr. T.A.M. van den Ende en mr. Z. van Dorp, werkzaam in Utrecht.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   Na de amputatie van haar rechteronderbeen kwam klaagster in maart 2023 voor een 
revalidatiebehandeling bij het medisch specialistisch revalidatiecentrum (hierna: het revalidatiecentrum),
waar verweerster als fysiotherapeut werkzaam is. Zij verleende fysiotherapeutische zorg aan klaagster.
Klaagster verwijt verweerster het geven van een onjuist en schadelijk behandeladvies, onprofessioneel
handelen en het niet meewerken aan regievoering en de overdracht naar een opvolgend behandelaar.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 21 november 2025;
-  de brief van 14 januari 2026 van de secretaris aan klaagster;
-  het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 21 januari 2026;
-  het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 26 maart 2026;
-  de brief van 13 april 2026 van de secretaris aan klaagster;
-  de e-mail van klaagster, ontvangen op 17 april 2026;
-  het aanvullende verweerschrift, ontvangen op 13 mei 2026.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Klaagster heeft een complexe medische voorgeschiedenis met betrekking tot haar rechterbeen, 
waaronder een Complex regionaal pijnsyndroom (CRPS), operaties en complicaties. In augustus 2022 
werd het rechteronderbeen van klaagster geamputeerd, waarna een revalidatiebehandeling volgde. 
Vanaf maart 2023 vond deze behandeling plaats in het revalidatiecentrum. Verweerster gaf 
fysiotherapeutische behandelingen aan klaagster. Een revalidatiearts was de hoofdbehandelaar van 
klaagster (hierna: de hoofdbehandelaar).

3.2   Omdat klaagster in juli 2025 naar een ander deel van het land ging verhuizen, vond een 
teambespreking via videobellen plaats op 19 mei 2025, waarbij klaagster, haar echtgenoot, 
verweerster en de hoofdbehandelaar aanwezig waren. In zijn brief van 28 mei 2025 stuurde de 
hoofdbehandelaar het gespreksverslag aan klaagster waarin onder meer staat vermeld (alle citaten 
voor zover van belang en letterlijk weergegeven): “We bespreken de overdracht naar [naam opvolgend 
revalidatiecentrum]. U verhuist in de laatste week van juli. Vanaf half juli zijn uw therapeuten op 
vakantie. We besluiten daarom gezamenlijk om de stopdatum van uw poliklinische revalidatie hier op 
19 juli te zetten. We plannen eind juni nog een laatste teambespreking.”

3.3   De geplande teambespreking van eind juni 2025 werd door klaagster afgezegd. Zij wilde pas na 
1 juli 2025 afspreken, zodra ze het kennismakingsgesprek bij het opvolgende revalidatiecentrum had 
gehad. Vervolgens vond de teambespreking plaats op 7 juli 2025, met klaagster, haar echtgenoot, 
verweerster, de hoofdbehandelaar, een ergotherapeut en een orthopedisch instrumentenmaker. Bij 
brief van 25 juli 2025 ontving klaagster het gespreksverslag: “U bent vorige week bij [naam 
opvolgend revalidatiecentrum] geweest. Het gesprek daar verliep niet naar wens. De conclusie is dat 
u daar niet in behandeling kunt
komen. U wilt daarom alle controles hier laten. (…) U gaat binnenkort ook naar de pijnpoli. U 
bespreekt daar de mogelijkheden voor lokale pijnbehandeling. We bespreken hoe u uw
revalidatie voort gaat zetten vanuit uw nieuwe woonomgeving [plaatsnaam]. (…) Tijdens de 
poliklinische revalidatie de afgelopen maanden was het zoeken naar de grenzen in het belasten met 
uw prothese. Ook na uw verhuizing blijft dit een aandachtspunt (…). Daarom is het toch verstandig 
dat wij betrokken blijven. Het is wel de vraag of dit op de lange termijn houdbaar is, we moeten 
dus ook na gaan denken over mogelijkheden om dichter bij huis (…) therapie te krijgen.
Het plan wordt als volgt:

- U gaat 1 maand landen in uw nieuwe woning.
- Dan (eind augustus) een terugkomdag ET/FT om de balans op te maken.
- Eind september teambespreking met de revalidatiearts ET/FT/[naam]. In de tussentijd hebben ET/FT 
  de tijd om mogelijkheden voor therapie in de eerste lijn uit te zoeken.
  U en uw man kunnen u hierin vinden mits er geen grote veranderingen plaatsvinden (bijv. TMR ingreep 
  kuit). Uiteraard maken we dan een nieuw plan. Conclusie: -Poliklinisch ontslag–01-10-2025”

3.4   Begin augustus 2025 onderging klaagster een Qutenza-behandeling (een vorm van pijnbestrijding 
waarbij een speciale pleister op de pijnlijke huid wordt geplakt) bij de polikliniek pijngeneeskunde van
een ziekenhuis (hierna: de pijnpoli). Klaagster reageerde heftig op deze behandeling en ervoer meer pijn.
De pijnpoli schreef klaagster orale pijnstilling voor.

3.5   Klaagster diende eind augustus 2025 een klacht in tegen de hoofdbehandelaar en zijn waarnemer.
Naar aanleiding van het overleg met de klachtenbemiddelaar, stuurde de hoofdbehandelaar 
op 17 september 2025 een e-mail aan klaagster dat hij de overdrachten naar klaagsters nieuwe 
woonplaats verzorgt en in verband met de voorbereidingen, overleg met klaagster wenst.

3.6  Op 19 september 2025 schreef verweerster een overdrachtsbrief naar de fysiotherapeut in klaagsters
nieuwe woonplaats. Hierin staat onder het kopje ‘Verloop’ onder meer opgenomen: “ Naast de amputatie
heeft mevrouw ook last van haar li. schouder. (…) Tenslotte heeft mevrouw ook last van haar onderrug (…)
en heeft zij behandeling gehad van een fysiotherapeut in de 1e lijn. Tijdens de fysiotherapie hier zijn wij
vooral bezig geweest met houdingsoefeningen en trainen van de buik- en rugspieren, die zij daarna thuis
heeft opgepakt. Sinds een aantal weken heeft mevrouw een rode gestippelde verkleuring onder
aan haar kleine been, waar zij zich ernstig zorgen over maakt. (…) Deze verkleuring heeft mevrouw 
ook aan haar re. been gehad tijdens de CRPS, waardoor zij nu zo bezorgd is. Tot nu toe is er zo 
veel ik weet nog geen verklaring voor de verkleuring. Graag alle bovengenoemde aandachtspunten 
meenemen in de toekomstige behandelingen bij jullie in de eerste lijn. “

3.7   Op 6 november 2025 stuurde klaagster een e-mail aan het revalidatiecentrum in verband met de 
door haar ingediende klacht: “ Ten eerste hoeft [verweerster] zich niet te verdedigen want ze is geen
revalidatiearts en dus ook niet eind verantwoordelijk. [Verweerster] is keer op keer in steek gelaten door
de revalidatieartsen. Het betreffende formulier heeft ook alleen betrekking op revalidatieartsen. Dus voor de duidelijkheid: [verweerster] is buiten scope en hoeft zich geen zorgen te maken!”

3.8  Op 1 december 2025 vond bij klaagster een stompcorrectie plaats in het academische ziekenhuis.

3.9   Bij brief van 19 december 2025 schreef verweerster opnieuw een overdrachtsbrief waarin ze 
onder meer aangaf dat klaagster zeer recent opnieuw aan haar rechterbeen was geopereerd en zij 
therapie nodig heeft om de belastbaarheid, mobiliteit en kracht van haar rechterbeen en algeheel weer
op te bouwen. Onder het kopje ‘Therapie’ schrijft verweerster: “De volgende aspecten zullen de eerste
periode na de operatie belangrijk zijn om te monitoren en te behandelen:
-  Mobiliteit van het litteken re. onderbeen (…) en eventueel littekenmobilisatie.
-  Oedeem re. onderbeen (zodra dit mogelijk is qua pijn en ook genezing van de wond, starten met 
   het dragen van de liner en anders opbouwen van druk m.b.v. zwachtelen of tubigrip). Eventueel 
   lichte bindweefselmassage ter ondersteuning.
-  Onderhouden mobiliteit van de re. knie (…).
-  Kracht trainen van de bovenbeenspieren en heupmusculatuur (…)
-  Starten en opbouwen van het dragen van de prothese zodra deze aangepast is door de 
   instrumentenmaker in [plaatsnaam].
-  Conditie algeheel onderhouden cq. uitbreiden d.m.v. fitness en oefeningen
-  Core stability en houding trainen door gerichte oefeningen”

4. De klacht en de reactie van de fysiotherapeut
4.1  Klaagster verwijt de fysiotherapeut:
1) Onjuist en schadelijk behandeladvies, bestaande uit:
a) actief promoten van Qutenza zonder kennis van risico’s en mogelijke complicaties;
b) geen overleg met specialisten;
c) geen aandacht voor complicaties na de behandeling;

2) Onvoldoende professioneel handelen, bestaande uit:
a) pijnklachten onvoldoende serieus nemen;
b) herhaaldelijk laten oefenen door de pijngrens heen;
c) geen verslaglegging of overleg met arts;
d) mentale toestand niet juist inschatten. Een amputatie maakt een patiënt onzeker over haar 
    uiterlijk, ook zeker met een kale prothese;

3) Geen bijdrage aan regievoering of overdracht, bestaande uit:
a) niet melden van verslechtering en actief overleg zoeken met een revalidatiearts;
b) geen voorbereiding van ontslag of overdracht naar eerstelijnszorg;
c) niet meedenken over noodzakelijke hulpmiddelen, met name niet voor een noodzakelijke operatie 
    aan de schouder van klaagster.

4.2   Verweerster heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren voor zover de 
klacht betrekking zou hebben op het handelen van verweerster vóór maart 2025 en de klacht over die
eerdere periode niet inhoudelijk te behandelen. Ten aanzien van de inhoudelijke behandeling van de
klacht heeft de fysiotherapeut het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
5.1   Het college heeft oog voor de gezondheidsproblemen van klaagster en de impact die deze op 
haar dagelijks functioneren en welzijn hebben. Dat neemt niet weg dat het college het beroepsmatig 
handelen van de fysiotherapeut zakelijk dient te beoordelen.

Ontvankelijkheid
5.2   Verweerster heeft naar voren gebracht dat klaagster niet-ontvankelijk is in de klacht, voor 
zover deze betrekking zou hebben op het handelen van verweerster over de periode vóór maart 2025. 
Aangezien klaagster in haar aanvullende klaagschrift expliciet heeft vermeld dat haar klacht gaat 
over de periode maart 2025 tot en met 14 januari 2026, ligt er geen klacht(onderdeel) aan het 
college ter beoordeling voor dat betrekking heeft op de voorafgaande periode. Het college hoeft 
daarom ook niet te oordelen of klaagster ontvankelijk is in een dergelijke klacht. Het college zal 
de klacht daarom inhoudelijk bespreken.

De criteria voor de beoordeling
5.3   De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende fysiotherapeut. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de fysiotherapeut geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn voor hun eigen handelen.

5.4   Het college oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het 
college legt hierna uit hoe het tot dit oordeel is gekomen.

Klachtonderdeel 1) onjuist en schadelijk behandeladvies
5.5   Klaagster stelt dat zij een Qutenza-behandeling heeft ondergaan waarna complicaties 
ontstonden. Volgens klaagster heeft verweerster het advies van de revalidatiearts voor deze 
behandeling actief ondersteund, geen aandacht gehad voor de complicaties die na de behandeling 
ontstonden en geen overleg met specialisten gevoerd.

5.6   Verweerster betwist dat zij de Qutenza-behandeling heeft geadviseerd of het advies actief 
heeft ondersteund. Een dergelijke behandeling wordt binnen het revalidatiecentrum niet geïndiceerd, 
noch uitgevoerd. Verweerster heeft de behandeling uitsluitend ter sprake gebracht in een gesprek 
met klaagster waarbij zij heeft aangegeven dat sommige van haar andere revalidanten positieve 
ervaringen hebben gehad met deze behandeling. Er was geen sprake van een advies of 
indicatiestelling. Vervolgens is de mogelijkheid van een Qutenza-behandeling tijdens de 
teambespreking van 7 juli 2025 besproken. In die bespreking is expliciet herhaald dat deze 
behandeling niet in het revalidatiecentrum wordt uitgevoerd en dat een eventuele behandeling 
uitsluitend in overleg met een pijnarts kan plaatsvinden. Bij brief van 25 juli 2025 is dat aan 
klaagster bevestigd. Klaagster heeft vervolgens zelf contact met de pijnpoli opgenomen en daar de 
behandeling aangevraagd, die in augustus 2025 is uitgevoerd. Dat klaagster nadien veel klachten
heeft ervaren, kan verweerster niet tuchtrechtelijk worden tegengeworpen.

5.7   Het college kan niet vaststellen dat verweerster de Qutenza-behandeling heeft geadviseerd of 
een dergelijk advies heeft ondersteund. Het dossier biedt daarvoor geen enkel aanknopingspunt. 
Klaagster heeft haar stelling op dit punt niet of onvoldoende onderbouwd. Aangezien de pijnpoli 
verantwoordelijk was voor de Qutenza-behandeling, was het niet aan verweerster overleg te voeren 
met de specialisten van de pijnpoli en/of het academische ziekenhuis. Verweerster was evenmin 
verantwoordelijk voor de nazorg van de Qutenza-behandeling. Dit klachtonderdeel is kennelijk 
ongegrond.

Klachtonderdeel 2) onvoldoende professioneel handelen
5.8   Klaagster stelt dat verweerster de pijnklachten van klaagster onvoldoende serieus heeft 
genomen en haar herhaaldelijk door haar pijngrens heeft laten oefenen. Ook verwijt zij verweerster 
een gebrek aan verslaglegging en overleg met een arts. Tot slot stelt klaagster dat verweerster 
haar mentale toestand niet juist heeft ingeschat.

5.9   Verweerster stelt zich op het standpunt dat zij zich gedurende de behandelperiode steeds 
heeft ingespannen om klaagster zo goed mogelijk te begeleiden en te ondersteunen. Ze heeft steeds 
naar beste kunnen en in het belang van klaagster gehandeld. Ze heeft zich binnen haar eigen 
vakgebied gericht op de fysiotherapeutische begeleiding en het beantwoorden van hulpvragen van 
klaagster. Zij heeft steeds geprobeerd zo goed mogelijk aan te sluiten bij de hulpvragen van 
klaagster. Zij heeft bij iedere behandeling gevraagd waar behoefte aan was en daar vervolgens op 
gehandeld. Verweerster betwist dat zij klaagster heeft laten oefenen over haar pijngrens heen. De 
behandeling bestond onder andere uit massage en mobilisatie van het litteken vanaf de eerste 
TMR-behandeling. Daarnaast gaf verweerster praktische adviezen aan klaagster voor de 
littekenbehandeling. Psychologische of mentale begeleiding behoort in beginsel niet tot haar 
professionele competentiegebied. Voor dergelijke ondersteuning was binnen het behandeltraject 
andere expertise beschikbaar, zoals maatschappelijk werkers.

5.10  Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond. Het college heeft in de stukken geen enkel 
aanknopingspunt gevonden voor de – overigens onvoldoende onderbouwde - stellingen van klaagster dat 
verweerster onvoldoende professioneel heeft gehandeld. Het college volgt klaagster evenmin in haar 
stelling dat verweerster haar niet serieus heeft genomen. Het standpunt van verweerster, dat zij 
zich gedurende de behandelperiode steeds heeft ingespannen om klaagster zo goed mogelijk 
fysiotherapeutisch te begeleiden, wordt daarentegen door het dossier ondersteund. Van het ontbreken 
van verslaglegging of van overleg met klaagster en/of met een arts is evenmin sprake. Uit de 
verslagen van de teambesprekingen volgt immers het tegendeel. Tot slot oordeelt het college dat 
verweerster geen taak had met betrekking tot de mentale begeleiding en ondersteuning van klaagster; 
hiervoor was andere expertise binnen het revalidatiecentrum beschikbaar.

Klachtonderdeel 3) geen bijdrage aan regievoering of overdracht
5.11  Klaagster stelt dat verweerster, waar het de periode betreft waarop de klacht betrekking 
heeft, geen actief overleg met een revalidatiearts heeft gezocht, geen voorbereidingen van ontslag 
of overdracht naar eerstelijnszorg heeft getroffen en niet heeft meegedacht over noodzakelijke 
hulpmiddelen, met name niet voor een operatie aan de schouder van klaagster.

5.12  Verweerster voert als verweer aan dat zij in haar rol als fysiotherapeut geen regievoerende 
rol heeft. Zij heeft echter wel alles gedaan wat zij kon om klaagster te helpen. Verweerster heeft 
meegewerkt aan een zorgvuldige overdracht naar de fysiotherapeut in de nieuwe woonplaats van 
klaagster en verwijst naar haar overdrachtsbrieven van 19 september 2025 en 19 december 2025.

5.13  Het college oordeelt als volgt. Vaststaat dat niet verweerster maar de revalidatiearts de 
regiebehandelaar van klaagster was. Verweerster was derhalve niet verantwoordelijk voor 
regievoerende taken. Verweerster kan op dit punt dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden 
gemaakt. Daarnaast volgt het college klaagster ook niet in haar stelling dat verweerster geen 
voorbereidingen van ontslag of overdracht naar de eerstelijnszorg heeft verzorgd. Uit de 
overdrachtsbrieven van verweerster van 19 september 2025 en 19 december 2025 volgt immers
het tegendeel. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.14  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond 
zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door R.A. Steenbergen, voorzitter, J.L. Keijzer en D. Van Poppel, 
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.W.M. Hillenaar, secretaris, en op 14 oktober 2026 in het 
openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.