ECLI:NL:TGZRSHE:2026:166 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9408
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:166 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-10-2026 |
| Datum publicatie: | 14-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/9408 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klager dient een klacht in tegen een psychiater. Hij klaagt over het volgens hem door verweerder onterecht gegeven verlengingsadvies in het kader van zijn opgelegde tbs met dwangverpleging, over het gebruikte instrument voor de risicoanalyse en over zijn overplaatsing naar een andere afdeling, het niet honoreren van een verzoek om schematherapie en de te lange duur van de delict analyse. Het college verklaart alle klachten van klager kennelijk ongegrond. De diagnose in het verlengingsadvies was niet onjuist: dat psychotische verschijnselen in remissie zijn, betekent niet, zoals klager kennelijk veronderstelt, dat er geen onderliggende stoornis meer is. Het gebruikte risicotaxatie-instrument was geschikt en er zijn ook andere factoren meegenomen, klager heeft wel degelijk schematherapie gekregen, de delict analyse is zorgvuldig uitgevoerd en klager heeft zelf mede voor vertraging gezorgd. Bij de overplaatsing was verweerder niet betrokken. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 14 oktober 2026 op de klacht van:
[A],
verblijvende te [B],
klager,
gemachtigde: mr. H.J. Oosterhagen, werkzaam in Bodegraven,
tegen
[C],
psychiater,
destijds werkzaam in [B],
verweerder,
gemachtigde: mr. M. Santema, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager klaagt over het, volgens hem onjuiste, verlengingsadvies van verweerder
in het kader
van zijn opgelegde terbeschikkingstelling (hierna ook: tbs) met dwangverpleging,
zijn overplaatsing
naar een andere afdeling, het niet honoreren van het verzoek om schematherapie en
de onredelijk
lange duur van het traject om tot een delictanalyse te komen.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 15 december 2025;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen per e-mail op 23 maart 2026 en per
post op 25 maart
2026;
- het proces-verbaal van het op 22 juli 2026 gehouden mondeling vooronderzoek.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager is op 30 maart 2023 door het Gerechtshof [D] veroordeeld tot een gevangenisstraf
van
twee jaren en tbs met dwangverpleging, wegens opzettelijke brandstichting. De ingangsdatum
van de
tbs-maatregel was 25 april 2023. Klager is op 6 december 2023 opgenomen in de instelling
waar hij
thans verblijft.
3.2 Verweerder is als psychiater betrokken bij de behandeling van klager. Hij is
niet de
regiebehandelaar.
3.3 Klager is op 29 augustus 2024 overgeplaatst naar een andere afdeling.
3.4 Op 24 februari 2025 heeft de kliniek het advies gegeven om de tbs-maatregel
van klager met
twee jaar te verlengen. Dit advies is multidisciplinair tot stand gekomen en ondertekend
door de
directeur bedrijfsvoering, de klinisch psycholoog en verweerder.
3.5 Op 29 april 2025 is de termijn van de terbeschikkingstelling op vordering van
de officier van
justitie door de Rechtbank [E] met een jaar verlengd.
De rechtbank overweegt onder meer [citaat letterlijk overgenomen]:
“Stoornissen
Uit het verlengingsadvies blijkt dat er nog steeds sprake is van een stoornissen
bij betrokkene, te
weten onder meer:
- een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale
en borderline
trekken;
- een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis;
- een stoornis in cannabisgebruik: matig, in langdurige remissie in een gereguleerde
omgeving.
De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de schizofreniestoornis inmiddels in
remissie is,
zoals de coördinerend regiebehandelaar van de kliniek op 10 maart 2025 heeft bevestigd.
Dat neemt
niet weg dat nog sprake is van stoornissen, zodat aan deze voorwaarde voor verlenging
van de tbs
wordt voldaan.”
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klager verwijt verweerder dat:
1. het verlengingsadvies inzake de reeds opgelegde tbs een verkeerde diagnose bevat;
2. bij het verlengingsadvies een ongeschikt risicotaxatie-instrument (HKT-R) is
gebruikt en dat
overige omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen;
3. hij is overgeplaatst naar een andere afdeling met extra intensieve verzorgingsgraad,
waarvoor
geen medische noodzaak bestond;
4. het verzoek om schematherapie niet is gehonoreerd;
5. het delictanalysetraject onredelijk lang heeft geduurd, namelijk 23 maanden,
en is afgeraffeld.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling
wordt
rekening gehouden met de voor een psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Uitgangspunt is dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn voor
hun eigen handelen.
5.2 Het college oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld
en licht
dat hierna toe.
Klachtonderdeel 1) het verlengingsadvies inzake de reeds opgelegde terbeschikkingstelling
bevat een
verkeerde diagnose
5.3 In het verlengingsadvies van 24 februari 2025 staat dat klager een
schizofreniespectrumstoornis heeft. Klager stelt dat echter al op 13 februari 2025
door een andere
psychiater was vastgesteld dat dit niet meer het geval was. Het verlengingsadvies
is daarom volgens
klager onjuist.
5.4 Verweerder betwist dat een verkeerde diagnose is gesteld. De classificatie betreft
een
psychotische kwetsbaarheid, niet een actuele psychotische episode. Verweerder betwist
dat hij
uitspraken heeft gedaan over het al dan niet in remissie zijn van de schizofreniespectrumstoornis.
Overigens zegt dat volgens hem niets over de juistheid van de diagnose zelf.
5.5 Naar het oordeel van het college bevat het verlengingsadvies geen verkeerde
diagnose. Dat de
psychotische verschijnselen in remissie zijn, betekent niet, zoals klager kennelijk
veronderstelt,
dat er geen onderliggende stoornis meer is, zoals ook door de rechtbank in haar
uitspraak is
overwogen. Dat sprake was van een remissie van psychotische episodes kan niet alleen
uit de
feitelijke omschrijving in het dossier worden afgeleid, maar ook uit het feit dat
de klinisch
psycholoog dat op 10 maart 2025 heeft bevestigd. De rechtbank heeft dit in haar
beslissing over de
tbs-verlenging ook uitdrukkelijk meegewogen. De rechtbank beschikte dus over de
juiste informatie
toen zij een beslissing moest nemen ten aanzien van de verlenging van de tbs. Verweerder
treft
daarom hoe dan ook geen verwijt. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel 2) bij het verlengingsadvies is een ongeschikt risicotaxatie-instrument
(HKT-R)
gebruikt en de overige omstandigheden zijn onvoldoende meegewogen
5.6 Volgens klager is het gebruikte risicotaxatie-instrument niet geschikt voor brandstichters
en had
verweerder aan de rechtbank moeten uitleggen dat er geen geschikt instrument bestaat
voor brandstichters.
In 2022 was het risico volgens dit instrument laag en in 2025 matig tot hoog. Klager
vindt dat onbegrijpelijk
omdat zich in de tussenliggende periode geen incidenten hebben voorgedaan en sprake
is van beschermende
factoren, zoals een vast inkomen, een pro-sociaal netwerk en probleeminzicht.
5.7 Volgens verweerder is het gebruikte instrument ook ontwikkeld voor brandstichting
met gevaar
voor personen. De handleiding vermeldt expliciet dat brandstichting met gevaar voor
personen onder
geweldsdelicten past en dus valt binnen de doelgroep van de HKT-R.
5.8 Het college is van oordeel dat het gebruikte risicotaxatie-instrument HKT-R
een geschikt
instrument is om het risico in geval van klager te taxeren. Het college verwijst
naar bladzijde 7
van de handleiding waarin onder meer staat dat de HKT-R een gestructureerd professioneel
risicotaxatie-instrument is ter ondersteuning van het klinisch gewogen eindoordeel
over het risico
op gewelddadige recidive van forensisch psychiatrische patiënten. Vervolgens staat
in de
handleiding dat tot gewelddadige recidive alle delicten behoren waarbij geweld of
dreiging met
geweld tegenover andere personen is gebruikt, waaronder brandstichting met gevaar
voor personen. En
in het geval van klager is sprake van dat delict. Daarbij komt dat ook andere factoren
zijn
meegewogen bij de risicotaxatie. Er is namelijk ook nog een ander risicotaxatie-instrument
gebruikt
dat is bedoeld om beschermende factoren in kaart te brengen en er is een klinisch
oordeel
uitgebracht. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 3) zonder medische noodzaak overgeplaatst naar een andere afdeling
met extra
intensieve verzorgingsgraad
5.9 Klager stelt zonder noodzaak te zijn overgeplaatst. Er is niet voldaan aan
de criteria voor
overplaatsing.
5.10 Verweerder betwist gemotiveerd dat er geen noodzaak tot overplaatsing was.
Hij heeft deze
beslissing echter hoe dan ook niet genomen, zodat hem geen verwijt treft. Klager
heeft hierover al
eerder een klacht ingediend tegen een andere collega.
5.11 Het college overweegt dat nu verweerder deze beslissing niet heeft genomen,
hem daarvan geen
persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel 4) het verzoek om schematherapie is niet gehonoreerd
5.12 Volgens klager is hem schematherapie onthouden.
5.13 Verweerder betwist dat gemotiveerd. Klager heeft gedurende meerdere periodes
schematherapie
ontvangen, maar heeft de behandeling zelf op 7 juni 2024 afgebroken. Hij is daarna
opnieuw op 10
maart 2025 gestart en heeft de therapie gevolgd totdat het behandelteam besloot
deze op 30 september
2025 te beëindigen, omdat er geen overeenstemming was
over de behandeldoelen.
5.14 Het college overweegt dat verweerder voldoende heeft onderbouwd dat er wel schematherapie
is
aangeboden en dat deze ook heeft plaatsgevonden. De gemachtigde van klager heeft
tijdens het
mondeling vooronderzoek verklaard dat de schematherapie is beëindigd omdat er geen
overeenstemming
was over de behandeldoelen en daarover een vraag gesteld. Hieruit blijkt dat klager
erkent dat er
schematherapie heeft plaatsgevonden en dat deze hem dus niet is onthouden. Dit klachtonderdeel
is
ongegrond.
Klachtonderdeel 5) de delictanalyse heeft onredelijk lang geduurd, namelijk 23 maanden,
en is
afgeraffeld.
5.15 Volgens klager heeft het traject om tot een delictanalyse te komen te lang
geduurd en heeft
hij het vermoeden dat dit werd afgeraffeld. Normaal gesproken vinden er volgens
hem vijftien
sessies plaats, maar in zijn geval zijn het er maar zes geweest.
5.16 Verweerder voert het volgende verweer. Uit het delictanalyserapport blijkt dat
de eerste
poging tot een delictanalyse in juli 2024 door klager zelf is afgebroken. Hij zegde
in februari
2025 opnieuw medewerking toe. Het eigen gedrag van klager leidde dus tot oponthoud.
De tweede
analyse bestond uit dertien gesprekken. De analyse is dus niet afgeraffeld en niet
onzorgvuldig.
5.17 Het college is van oordeel dat het feit dat de delictanalyse langer dan gebruikelijk
heeft
geduurd aan klager zelf is te wijten, omdat hij zelf voor vertraging heeft gezorgd.
Dat blijkt uit
pagina drie van het behandelplan, gevoegd als productie 5 bij het klaagschrift,
waarin het volgende
staat:
“Mijn mening over het behandelplan:
(…)
Ik heb de delictanalyse nog niet afgerond en met betrekking tot de behandeling heb
ik weinig
stappen gemaakt. Dit heeft deels te maken dat ik een periode op kamerafzondering
heb gezeten, maar
ook grotendeels door mijn verzetpositie.
(…).”
Voorts blijkt uit de “Beschrijving verloop proces” op bladzijde 1 van het Rapport
delictanalyse
(productie 4 bij het verweerschrift) dat klager aanvankelijk (1 juli 2024) weigerde
mee te werken
aan een delictanalyse, maar in februari 2025 toch weer wilde meewerken, waarna de
delictanalyse in
maart 2025 opnieuw is gestart. Uit het feit dat er dertien gesprekken met klager
hebben
plaatsgevonden en de analyse uitgebreid is gedocumenteerd in het Rapport delictanalyse,
blijkt
voorts dat de analyse niet is afgeraffeld.
Naar het oordeel van het college is voldoende gebleken dat het delictanalysetraject
zorgvuldig is
verlopen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.18 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door T. Dohmen, voorzitter, L.A.J. Stouthamer-Verschuren
en
R.J.M. Lardinois, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.G. Nijenkamp, secretaris,
en in het
openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op
14 oktober 2026.