ECLI:NL:TGZRSHE:2026:161 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2026/9683

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:161
Datum uitspraak: 09-09-2026
Datum publicatie: 09-09-2026
Zaaknummer(s): H2026/9683
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen kno-arts in verband met uitgebrachte expertise. Rapportage voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld. De kno-arts heeft de voor het onderzoek bepaalde  normaalwaarde niet genegeerd en geen gebruik gemaakt van verkeerde cijfers.  De kno-arts heeft op concrete, inzichtelijke en wetenschappelijk onderbouwde wijze beschreven hoe hij tot zijn conclusies is gekomen.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 9 september 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klager,

tegen

[C],
kno-arts,
werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de kno-arts,
gemachtigde: mr. M.J. de Groot, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   Klager had een aanspraak in het kader van een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Verweerder 
is gevraagd om klager te onderzoeken in het kader van deze claim. Verweerder heeft daarop een 
rapportage uitgebracht. Volgens klager voldoet het rapport niet aan de criteria die daaraan worden 
gesteld omdat verweerder de voor het onderzoek bepaalde normaalwaarde zou hebben genegeerd en 
gebruik zou hebben gemaakt van verkeerde cijfers. Ook zou verweerder onvoldoende verband hebben 
gelegd tussen de meetresultaten en de klachten van klager.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 3 maart 2026;
-  het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 17 april 2026;
-  de brief van 23 juni 2026 met de bijlage, ontvangen van klager;
-  de e-mail van 1 juli 2026 met de bijlage, ontvangen van de gemachtigde van verweerder.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Klager meldde zich op 24 oktober 2022 ziek. In verband met zijn ziekte heeft klager een claim 
ingediend tot betaling op grond van zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering.

3.2   Verweerder kreeg, in zijn hoedanigheid van deskundige, bij brief van 31 maart 2025 een 
verzoek voor het uitbrengen van een expertise. Het verzoek werd gedaan ten behoeve van de medisch 
adviseur van de verzekeraar van klager. In de brief stond onder meer het volgende (alle citaten 
zijn letterlijk weergegeven):
“(…) Per 24 oktober 2022 meldde betrokkene zich arbeidsongeschikt op basis van black-outs, 
duizelig, vermoeidheid, spanningsklachten, stress klachten.

Betrokkene heeft zich op 5 juni 2024 bij de KNO-arts gemeld in verband met klachten van het horen 
van de oogbewegingen en kortdurende duizelingen. Met het knikken van het hoofd ervaart betrokkene 
een soort duizeling, welke kort duurt. Uit beeldvormend onderzoek kwamen geen aandoeningen naar 
voren. De KNO-arts geeft aan dat de klachten kunnen passen bij semicirculaire canal dehiscentie. Er 
worden nog evenwichtsonderzoeken ingepland en aanvullend beeldvormend onderzoek. Op 21 juni 2024 
worden de resultaten van het aanvullend onderzoek telefonisch besproken met betrokkene. Er blijkt 
geen sprake te zijn van semicirculaire canal dehiscentie. Er werd een geringe asymmetrie in de 
functie van de evenwichtsorganen waargenomen, rechts slechter dan links. Betrokkene wordt aangemeld 
voor vestibulaire revalidatie. Betrokkene is op 2 april 2024 gestart met psychologische 
behandelingen voor een ongespecificeerde depressieve stemmingsstoornis. Er hebben diverse 
behandelingen plaatsgevonden. De somberheidsklachten zijn verminderd, maar betrokkene blijft 
onzeker over zijn lichamelijke klachten. De behandeling is afgesloten per 27 augustus 2024.

De medisch adviseur van de verzekeraar dient te beoordelen of bij verzekerde sprake is van 
objectief medisch vaststelbare stoornissen in directe relatie tot ziekte of ongeval. Als dat zo is 
dan dient vervolgens te worden bepaald of bij verzekerde daardoor eventueel aanwezige beperkingen 
bestaan voor het verrichten van arbeid, zodat een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige de 
mate van arbeidsongeschiktheid kan vaststellen.(…)”

3.3   Op 20 mei 2025 heeft een audiometrie- en evenwichtsonderzoek plaatsgevonden bij een 
Duizeligheidscentrum. In het verslag noteert de aan het centrum verbonden gespecialiseerde kno-arts 
onder andere:
“(…) Calorisatie 44°C / 30°C: AD 13/17 ; AS 17/32 ; Asymmetrie (n<20%) = 24% t.n.v. rechts ; 
Richtingsvoorkeur (n<25%) = 11% naar rechts. ; Opmerkingen: Rechts koud herhaald met zelfde 
uitkomst(…).”

3.4   Op 12 juni 2025 heeft verweerder klager gesproken en onderzocht (anamnese en kno-onderzoek).

3.5   Op 18 juni 2025 heeft verweerder een rapport uitgebracht en aan klager toegestuurd in verband 
met inzage- en correctierecht. Klager heeft op 28 juni 2025 zijn reactie daarop gegeven.

3.6  Op 30 juni 2025 heeft verweerder het definitieve rapport uitgebracht. Onder
“Interpretatie van de onderzoeksresultaten” noteerde verweerder:
“In [naam ziekenhuis en plaatsnaam ziekenhuis] werd op 21-06-2024 een uitgebreid vestibulair 
onderzoek verricht. Alle hierbij gemeten waarden lagen binnen de norm. Alleen bij calorisatie lagen 
de responsies rechts op een lager niveau dan links. Op grond daarvan werd geconcludeerd dat het 
rechter labyrint 25% minder prikkelbaar is dan links. Dit is niet juist. De prikkelbaarheid van het 
labyrint wordt berekend uit de maximale grootte van de langzame fase van nystagmus na stimulatie 
met koud (30°C), en warm (44°C) water. De scores hierbij waren rechts 19 en 17°/sec en links 19 en 
26°/sec. Volgens de toepasselijke formule is dan het labyrintverschil: 11% en niet 25%, ten nadele 
van rechts. Dit is volstrekt normaal, deze uitslag wijst op een symmetrisch functionerende 
labyrinten.
Hier wordt een klein jaar later, op 20-05-2025 een kanaalparese rechts van 24% vastgesteld. Van 
belang is dat er geen consensus bestaat over welk labyrintverschil normaal en welk verschil 
afwijkend is, scherpe normaalwaarden zijn er niet. Gewoonlijk wordt uitgegaan van 20-25% als 
grenswaarde, maar dit is niet een vast een vast gegeven. Volgens sommigen kan zelfs pas van 
asymmetrie worden gesproken wanneer het verschil in prikkelbaarheid groter is dan 26%. Er zijn geen 
internationaal geaccepteerde standaardwaarden waardoor de correcte diagnose vaak niet wordt 
gesteld. In een grote systematische review over het onderwerp wordt het als volgt verwoord 
(citaat): "Caloric testingreference values may vary according tot each unit; the cutoff point is 
defined based on local studies. Attention to the technique is essential to maximize test 
sensitivity."
De geringe asymmetrie die hier werd vastgesteld op 20-05-2025 is randnormaal en zonder klinische 
betekenis. Als bij het evenwichtsonderzoek in het [naam ziekenhuis] op 21-06-2024 door een 
schrijffout de kanaalparese toch 25% was zou dat ook altijd nog als normaal beschouwd moeten 
worden. De conclusie is dat zowel bij het uitgebreid vestibulair onderzoek uit [plaatsnaam 
ziekenhuis] als uit het onderzoek hier er geen duidelijke afwijkingen konden worden vastgesteld.”

3.7  De conclusie van het rapport luidde:
“Een nadere beschouwing omtrent het mogelijk pathogenetisch mechanisme en de diagnose valt buiten 
het kader van deze expertise. De vraag waar het hier om gaat is of de (evenwichts)klachten van 
betrokkene kunnen worden opgevat als een objectiveerbare aandoening op mijn vakgebied. Wanneer we 
bovenstaande onderzoeksresultaten en overwegingen beschouwen, elk afzonderlijk en in onderlinge 
samenhang, dient deze vraag in ontkennende zin te worden beantwoord.”

3.8  De vragen heeft verweerder als volgt beantwoord:
“1. Hoe luidt de door u opgenomen anamnese?
De anamnese is hierboven vermeld in paragraaf 1.

2. Waaruit bestaan de huidige klachten?
De huidige klachten zijn hierboven vermeld in paragraaf 1.2.

3. Is bijverzekerde sprake van objectief medisch vast te stellen stoornissen in directe relatie tot 
ziekte of ongeval? Zo ja welke zijn dat? Vanaf wanneer is daarvan sprake?
Zoals vermeld in paragraaf 3.2.3 is hier niet sprake van een objectief vast te stellen medische 
stoornis.

4. Welke diagnose(n) stelt u?
Het is niet mogelijk op mijn vakgebied een diagnose te stellen naar aanleiding van het 
klachtenpatroon van betrokkene. Zie paragraaf 3.2.2.

5. Welke behandeling vindt er nu plaats?
Uit het ter beschikking staande dossier blijkt dat de behandelingen zijn afgesloten in augustus 
2024.

6. Wat zijn uw overwegingen voor een eventueel in te stellen therapie?
Het is niet mogelijk deze vraag te beantwoorden daar er geen afwijkingen op mijn vakgebied kunnen 
worden vastgesteld.

7. Hoe ziet u de prognose?
Op mijn vakgebied zijn geen afwijkingen vastgesteld en daarom is een uitspraak over de prognose 
niet mogelijk.

8. Indien u stoornissen heeft vastgesteld (vraag 3) wat zijn dan de objectiveerbare functionele 
beperkingen op uw vakgebied rekening houdend met de richtlijnen van uw beroepsgroep? Kunt u dit zo 
uitvoerig mogelijk beschrijven? Wat is uw visie op het verloop van het herstel van verzekerde?
Uit de beantwoording van vraag 3 blijkt dat er door mij geen stoornissen zijn vastgesteld.
Derhalve is beantwoording van deze vraag niet toepasselijk.”

3.9   Op 12 september 2025 schrijft de kno-arts van het ziekenhuis waar klager onder behandeling 
was, een reactie op het expertiserapport van verweerder in een brief aan klager:
“ (…) Bij navraag over de metingen bij [Audiologisch Centrum] blijkt dat, [naam verweerder]
heeft inderdaad gelijk dat er een getal niet correct is.
Maar er is geen verkeerde berekening van de vestibulaire voorkeur. Er is in het formulier inderdaad 
een typefout gemaakt bij de waarde van Koud Rechts, en dus niet bij de berekeningen (vest voorkeur
en Ny richtingsvoorkeur). Beide berekeningen hebben de correcte waarde (10 ipv 19) gebruikt.
De conclusie was dus correct. (…)”.

4. De klacht en de reactie van de verweerder
4.1   Klager verwijt verweerder dat hij in het kader van een verrichte expertise een rapport heeft 
uitgebracht dat niet voldoet aan de criteria die daaraan worden gesteld. Het rapport voldoet 
volgens klager niet omdat verweerder:
a. de voor het onderzoek bepaalde normaalwaarde heeft genegeerd (criteria 1, 2 en 5);
b. heeft gebruik gemaakt van verkeerde cijfers (criteria 1 en 3);
c. onvoldoende verband heeft gelegd met de duizeligheidsklachten (criteria 2 en 3).

4.2  Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1   De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende kno-arts. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de kno-arts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

De standaard voor deskundigenrapportages
5.2   Het Centraal Tuchtcollege heeft in de uitspraak van 30 januari 2014 (ECLI:NL:TGZCTG:2014:17) 
criteria benoemd waaraan een deskundigenrapport moet voldoen. Deze criteria betreffen het volgende:

1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling 
    te beantwoorden;
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de 
   conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en 
   de geconsulteerde personen;
5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
    Daarnaast geldt dat de colleges ten volle toetsen of het onderzoek uit een oogpunt van 
    vakkundigheid de toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie van de rapportage 
    vindt slechts een marginale toetsing plaats.

5.3  Het college oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdelen a en b) voor het onderzoek bepaalde normaalwaarde genegeerd en gebruik gemaakt van 
verkeerde cijfers.

5.4   Het college zal de klachtonderdelen a en b, gelet op hun samenhang, gezamenlijk bespreken. 
Klager stelt dat verweerder de voor de calorische nystagmus bepaalde normaalwaarde heeft genegeerd 
en gebruik heeft gemaakt van verkeerde cijfers. Het verslag van de onderzoeken van 20 mei 2025 
interpreteert klager zo dat de normaalwaarde voor het onderzoek <20% zou zijn. Deze waarde is 
namelijk gehanteerd door de gespecialiseerde arts die het onderzoek voor de asymmetrie heeft 
uitgevoerd.
Verweerder betwist dat hij de normaalwaarden heeft genegeerd en is van mening dat hij in zijn 
rapport een uitgebreide en wetenschappelijk onderbouwde toelichting heeft gegeven. In zijn rapport 
schrijft verweerder dat er geen scherpe normaalwaarden zijn en dat er geen consensus bestaat over 
welk labyrintverschil normaal en welk verschil afwijkend is. Ook benoemt verweerder dat er 
gewoonlijk wordt uitgegaan van een grenswaarde van 20-25%.

5.5   Het college heeft niet kunnen vaststellen dat verweerder de normaalwaarde heeft genegeerd. 
Verweerder heeft in de rapportage opgenomen waarom hij tot een bepaalde conclusie over de 
normaalwaarde is gekomen. Dat klager het niet eens is met deze conclusie betekent niet dat 
verweerder daarmee de normaalwaarde heeft genegeerd. Verweerder heeft de interpretatie van de 
normaalwaarde afdoende onderbouwd zonder deze te negeren.

5.6   Het college heeft ook niet kunnen vaststellen dat verweerder gebruik heeft gemaakt van 
verkeerde cijfers. In de brief van 12 september 2025 van de kno-arts van het ziekenhuis is 
aangegeven dat een getal niet correct was genoteerd in het formulier. Er was sprake van een 
typefout, maar niet van een foutieve berekening van de vestibulaire voorkeur. Het college is van 
oordeel dat verweerder zorgvuldig tot zijn berekening in het rapport is gekomen en dat hij zijn 
conclusies op concrete, inzichtelijke en wetenschappelijk onderbouwde wijze heeft beschreven. De 
klachtonderdelen a en b zijn daarmee ongegrond.

Klachtonderdeel c) onvoldoende verband gelegd met de duizeligheidsklachten
5.7   Ook dit klachtonderdeel is ongegrond. Verweerder heeft in zijn rapportage uitgebreid 
gemotiveerd waarom hij geen correlatie tussen de duizeligheidsklachten van klager en de (beperkte) 
asymmetrische onderzoeksresultaten bij calorisatie ziet en waarom hij op die grond niet tot de 
conclusie van een objectiveerbare aandoening op KNO-gebied is kunnen komen. Dat verweerder niet is 
kunnen komen tot een verband met de duizeligheidsklachten is daarmee voldoende onderbouwd.

5.8   Gezien de overwegingen hiervoor kan het college niet tot de conclusie komen dat het rapport 
van verweerder niet zou voldoen aan de criteria die daaraan worden gesteld. Hoewel klager nog heeft 
gewezen op nieuwe informatie die een ander licht zou werpen op de conclusies, stelt het college 
vast dat het gaat om informatie die na het uitbrengen van het rapport door verweerder bekend is 
geworden. Weliswaar is deze informatie wel in deze procedure ingebracht, maar een verweerder kan 
tuchtrechtelijk bezwaarlijk worden tegengeworpen dat hij de hem onbekende informatie niet heeft
meegewogen. Voor zover klager heeft bedoeld dat met deze informatie blijkt dat verweerder niet tot een
juiste conclusie is kunnen komen, miskent klager hiermee dat in het tuchtrecht wordt beoordeeld of
verweerder op grond van de toen bekende informatie redelijkerwijs is kunnen komen tot de genomen
conclusies. Zoals hierboven al geoordeeld is het college van oordeel dat dit het geval was.

Slotsom
5.9  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 9 september 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
R. Scheeren en R.N.P.M. Rinkel, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Karatepe, secretaris.