ECLI:NL:TGZRSHE:2026:155 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2026/9670
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:155 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-09-2026 |
| Datum publicatie: | 02-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2026/9670 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts na consult bij de huisartsenpost over mogelijke diep-veneuze trombose. De huisarts zag geen tekenen van DVT en adviseerde klaagster de volgende dag contact op te nemen met haar eigen huisarts, wat zij niet heeft gedaan. De klacht is gedeeltelijk gegrond. Het college kan er, mede gelet op de betwisting door klaagster, niet vanuit gaan dat de huisarts in duidelijke bewoordingen tegen klaagster heeft gezegd dat aanvullend onderzoek nodig was en het daarom belangrijk was dat zij de volgende ochtend contact met de eigen huisarts zou opnemen. De notitie in het dossier wijst niet op de urgentie, die er wel degelijk was. De huisarts had zijn dossieraantekeningen (en zijn advies aan klaagster) zo moeten formuleren dat er over de urgentie geen misverstand kon ontstaan, niet bij klaagster en ook niet bij klaagsters eigen huisarts. De huisarts heeft bij het consult onvoldoende regie genomen en in een potentieel gevaarlijke situatie te veel verantwoordelijkheid bij de patiënt neergelegd. Het college legt de maatregel van berisping op. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 2 september 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
gemachtigde: mr. G.H.W. van der Steen, werkzaam in Helmond,
tegen
[C],
huisarts,
werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. D. Benamari, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster kwam met een verdenking op DVT (diepveneuze trombose) bij de huisartsenpost
(hierna: HAP). De huisarts zag geen tekenen van DVT en heeft klaagster geadviseerd
de volgende dag
contact op te nemen met haar eigen huisarts, wat zij niet heeft gedaan. Klaagster
verwijt de
huisarts – kort weergegeven – dat de HAP haar niet had moeten laten komen als DVT
daar niet kon
worden uitgesloten, dat de huisarts niet correct heeft doorverwezen en teruggekoppeld
en dat de
huisarts een twijfelachtige verklaring heeft gegeven aan de deskundige die een expertiserapport
heeft gemaakt.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. De huisarts
heeft bij
het consult onvoldoende regie genomen en in een potentieel gevaarlijke situatie
te veel
verantwoordelijkheid bij de patiënt neergelegd. Het college legt de maatregel van
berisping op.
Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 26 februari 2026;
- het verweerschrift, ontvangen per e-mail op 28 april 2026 en per post op 30 april
2026;
- het op 24 juni 2026 van de gemachtigde van klaagster ontvangen medisch advies.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 10 juli 2026. Partijen zijn
verschenen en
werden bijgestaan door hun gemachtigden. De gemachtigden hebben een pleitnotitie
voorgelezen en aan
het college en de andere partij overhandigd.
3. De feiten
3.1 Klaagster is op 10 december 2020 geopereerd aan een Langerhanscelhistiocytose
(LHC, woekering
van witte bloedcellen) in het bot van haar bovenbeen.
3.2 Op 15 december 2020 is klaagster laat in de avond, op verzoek van het ziekenhuis
waar
klaagster was geopereerd, op de HAP gezien door de huisarts. De huisarts heeft in
het journaal
onder meer het volgende genoteerd (alle citaten zijn letterlijk weergegeven):
“(S Arts) Klacht/beloop: [naam ziekenhuis] orthopaedie belt op. Biopt femur genomen
afgelopen week.
Mevrouw heeft orthopaedie gebeld met klachten van het been en kuit. Komt voor uitsluiten
trombose.
(…): gevoel van druk op re kuit. niet rood niet warm.
(O) temp 36.7. re. kuit iets dikker. geen kleurverschil, allebei even warm. kuit
bdz volledig
soepel.
(E) pijn kuit
(…)
(P) uitleg. geen tekenen dvt. advies morgen co eigen ha. als zieker weer bellen.
pt akkoord.
(…)”
3.3 Op 15 februari 2021 is klaagster in het ziekenhuis opgenomen vanwege meerdere
longembolieën
met tekenen van cardiale rechts overbelasting. In het rechterbeen van klaagster
was sprake van DVT.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts het volgende:
1) De HAP had geen toezegging moeten doen om klaagster naar de HAP te laten komen
als zij geen
verder onderzoek kunnen verrichten; de HAP wist waarvoor klaagster kwam: de
zorgvraag vanuit het
UMC was: het uitsluiten van trombose.
2) De huisarts had de zorgvraag van het UMC en de geldende NHG-richtlijnen serieus
moeten nemen.
Hij had klaagster met spoed moeten doorverwijzen naar de SEH van het ziekenhuis.
3) Als onderzoek op de SEH die avond niet mogelijk was, had de huisarts op het
moment van het
consult een terugkoppeling kunnen geven aan het UMC, zodat het UMC het verdere
beleid kon bepalen.
4) De huisarts had op zijn allerminst een juiste terugkoppeling in het waarneembericht
kunnen
zetten, zodat de noodzaak van een consult bij de eigen huisarts voor verder noodzakelijk
onderzoek duidelijk
was geweest voor de eigen huisarts. Ook had hij op papier kunnen zetten wat
er moest gebeuren en ook een brief aan klaagster kunnen meegeven voor overdracht
aan de eigen huisarts.
5) De verklaring van de huisarts aan de medische expert voor het expertiserapport
is zeer twijfelachtig, wat ook
integriteit van zijn ethisch handelen als arts aanzienlijk in twijfel brengt.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder voor zover nodig in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem mocht worden
verwacht. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn voor
hun eigen handelen.
Klachtonderdeel 1 – HAP had klaagster niet moeten laten komen
5.2 Volgens de NHG-standaard Diepveneuze trombose en longembolie (versie 3.1 uit
2017, die
destijds van toepassing was) kan DVT met grote waarschijnlijkheid worden uitgesloten
aan de hand
van de gegevens van anamnese en lichamelijk onderzoek met daarnaast een D-dimeerbepaling
(bloedonderzoek). Als DVT hiermee niet kan worden uitgesloten, is beeldvormend onderzoek
(via een
echo) noodzakelijk. De huisarts heeft aangevoerd dat het op de HAP niet mogelijk
was om een
D-dimeerbepaling te doen of een echo te maken.
5.3 Vaststaat dat namens de orthopeed van klaagster de HAP is gebeld met het verzoek
om klaagster
te zien voor het uitsluiten van een trombose. Dat telefoongesprek heeft plaatsgevonden
met de
triagiste van de HAP. Het was beter geweest als de triagiste de (medewerker van
de) orthopeed had
medegedeeld dat de HAP niet de mogelijkheden had om DVT uit te sluiten. Omdat de
huisarts bij de
triage niet zelf betrokken is geweest, kan hem niet worden verweten dat dit niet
is gebeurd. Dit
klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Klachtonderdelen 2, 3 en 4 – wat had de huisarts moeten doen op 15 december 2020?
5.4 Deze klachtonderdelen vertonen een zodanige samenhang dat het college deze
gezamenlijk zal
beoordelen. Het gaat er in de kern om dat klaagster meent dat de huisarts tijdens
het consult is
tekortgeschoten in de zorg die hij jegens klaagster in acht had moeten nemen. Het
college overweegt
daarover het volgende.
5.5 De huisarts heeft aangevoerd dat hij niet de mogelijkheid had om DVT uit te
sluiten en dat
hij de extra risicofactoren (zoals het gebruik van anticonceptie) niet verder heeft uitgevraagd,
omdat dat op
dat moment geen meerwaarde opleverde. Ook heeft hij niet gemeten hoeveel dikker
het been van klaagster was
ten opzichte van haar andere been. De huisarts heeft ter zitting desgevraagd aangegeven
dat een DVT in de nacht
ook op de SEH niet kan worden uitgesloten en dat hij evenmin klinische aanwijzingen
had dat er sprake was van een trombosebeen. Daarom is hij niet uit voorzorg medicatie
gestart, maar heeft hij klaagster voor verder onderzoek verwezen naar de eigen huisarts,
wat de eerstvolgende mogelijkheid was om DVT uit te sluiten. Klaagster wist dat DVT
gevaarlijk was en zij zou de volgende dag naar de huisarts gaan, aldus de huisarts.
5.6 Klaagster heeft aangevoerd dat zij had begrepen dat er geen sprake was van een
trombosebeen, omdat zij in dat geval een ‘sinaasappelhuid’ zou hebben. Zij moest
zich melden als
zij een sinaasappelhuid kreeg. Klaagster heeft aan het consult niet overgehouden
dat zij zich hoe
dan ook voor verder onderzoek de volgende dag bij haar eigen huisarts moest melden,
aldus
klaagster.
5.7 Vaststaat dat er op 15 december 2020 een duidelijke verdenking bestond op een
DVT, alleen al
omdat er sprake was van een verdikking van het been in combinatie met een enkele
dagen daarvoor
ondergane operatie vanwege een maligniteit. Als zo’n verdenking bestaat, moet ervan
worden
uitgegaan dat het een DVT is totdat het tegendeel is bewezen. Het college is van
oordeel dat er dus
alle aanleiding was voor op zijn minst bloedonderzoek en (gelet op de risicofactoren,
die een score
van 4 opleverden) eigenlijk ook voor het maken van een echo. Het college wil aannemen
dat het voor
de huisarts op dat moment niet mogelijk was om zelf nader onderzoek te verrichten
en ook dat een
verwijzing naar de SEH niet direct voor de hand lag, mede omdat het consult midden
in de
Covidpandemie plaatsvond. In die situatie was het dan wel aangewezen geweest dat
de huisarts
telefonisch contact had opgenomen met de SEH voor overleg daarover of met de verwijzende
afdeling
orthopedie om uit te leggen dat hij – anders dan hem was gevraagd – DVT niet kon
uitsluiten. Hoe
het ook zij, het college is van oordeel dat de huisarts in ieder geval onvoldoende
heeft gedaan om
zich ervan te verzekeren dat klaagster dan toch in ieder geval – uiterlijk – de
volgende ochtend de
juiste hulp en het nodige verder onderzoek zou krijgen.
5.8 Tegenover de stelling van de huisarts dat het klaagster volstrekt duidelijk
was dat zij zich
voor verder onderzoek de volgende dag bij de huisarts moest melden, staat namelijk
de betwisting
daarvan door klaagster. Het standpunt van de huisarts wordt vervolgens naar het
oordeel van het
college niet ondersteund door de aantekeningen die de huisarts van het consult in
het medisch
dossier heeft gemaakt. Daardoor kan het college er alles bij elkaar niet vanuit
gaan dat de
huisarts in duidelijke bewoordingen tegen klaagster heeft gezegd dat aanvullend
onderzoek nodig was
en het daarom belangrijk was dat zij de volgende ochtend contact met de eigen huisarts
zou opnemen.
De tekst “geen tekenen dvt. advies morgen co eigen ha” wijst niet op de urgentie,
die er wel
degelijk was. Daarom is het voor het college bepaald niet ondenkbaar dat klaagster
de mededelingen
van de huisarts zo heeft geïnterpreteerd dat er geen signalen van DVT waren en dat
zij bij
ongewijzigde omstandigheden niets hoefde te doen. Ook had de huisarts rekening moeten
houden met de
mogelijkheid dat zijn advies bij klaagster onvoldoende binnenkwam, aangezien klaagster
zich bepaald niet goed voelde ten tijde van het consult. Het college is van oordeel
dat de huisarts zijn dossieraantekeningen (en zijn advies aan klaagster) zo had moeten
formuleren dat er over de urgentie geen misverstand kon ontstaan, niet bij klaagster
en ook niet bij klaagsters eigen huisarts. Op zijn minst had hij in het dossier expliciet
moeten aangeven dat nader onderzoek
noodzakelijk was.
5.9 Het college is dan ook van oordeel dat de huisarts bij het consult onvoldoende
regie heeft
genomen en dat hij in een potentieel gevaarlijke situatie te veel verantwoordelijkheid
bij de
patiënt heeft gelegd. Dat betekent dat de klachtonderdelen 2, 3 en 4 gegrond zijn.
Klachtonderdeel 5 – verklaring in verband met medisch expertiserapport
5.10 Op verzoek van beide partijen heeft een deskundigenonderzoek plaatsgevonden.
De huisarts is
in de gelegenheid gesteld zijn visie te geven, wat hij schriftelijk heeft gedaan.
Hij heeft daarbij
het standpunt ingenomen dat hij ook in deze tuchtprocedure heeft ingenomen, namelijk
dat hij geen
aanwijzingen had voor een DVT, dat hij expliciet met klaagster heeft afgesproken
dat zij zich de
volgende dag voor verder onderzoek bij de eigen huisarts zou melden en dat zij dat
niet heeft
gedaan. Het feit dat de huisarts te veel verantwoordelijkheid bij klaagster neerlegde,
is bij de
voorgaande klachtonderdelen al meegenomen. In zoverre heeft dit klachtonderdeel
dan ook geen
zelfstandige betekenis. Voor het overige is het college van oordeel dat klaagster
niet voldoende
duidelijk heeft gemaakt in welk opzicht de huisarts tuchtrechtelijk verwijtbaar
zou hebben
gehandeld. Klachtonderdeel 5 is ongegrond.
Slotsom
5.11 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klachtonderdelen 2, 3 en 4 gegrond
zijn en de
andere klachtonderdelen ongegrond.
Maatregel
5.12 Aangezien de klacht gedeeltelijk gegrond is, moet het college bepalen welke
maatregel aan de
huisarts moet worden opgelegd. Het college heeft hiervoor al overwogen dat de huisarts
te weinig
regie heeft genomen en dat hij te veel verantwoordelijkheid bij klaagster heeft
gelegd in een
potentieel gevaarlijke situatie. Ter zitting heeft het college hierover geen reflectie
gezien bij
de huisarts. De huisarts heeft onvoldoende inzicht getoond in wat hij anders had
kunnen en moeten
doen en legt nog steeds de volle verantwoordelijkheid bij klaagster. Het college
is van oordeel dat
de maatregel van berisping passend is en zal deze maatregel opleggen.
Publicatie
5.13 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets kunnen leren van deze zaak. De publicatie
zal
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare
gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klachtonderdelen 2, 3 en 4 gegrond;
- legt de huisarts de maatregel op van berisping;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door I. Boekhorst, voorzitter, C.H.M.H. van Lent, lid-jurist,
J.G.E. Smeets, B.C.A.M. van Casteren-van Gils en N.B. van der Maas, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door N.A.M. Sinjorgo, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 2 september 2026.