ECLI:NL:TGZRSHE:2026:154 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9022

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:154
Datum uitspraak: 02-09-2026
Datum publicatie: 02-09-2026
Zaaknummer(s): H2025/9022
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen medisch adviseur Dienst Justitiële inrichtingen, die advies uitgebracht heeft over detentiegeschiktheid. Klagers zijn kennelijk niet-ontvankelijk, voor zover zij het college verzoeken om (los van een concrete klacht) een algemene uitspraak te doen. Klaagster is kennelijk niet-ontvankelijk in haar klachtonderdeel over het gegeven advies, omdat uitsluitend klager daarbij rechtstreeks belanghebbende is. Voor het overige is de klacht kennelijk ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 2 september 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klager,
gemachtigde: [C] te [B]

en

[C],
wonende in [B],
klaagster

De gemachtigde van klager klaagt ook voor zichzelf. Voor de leesbaarheid van deze beslissing wordt 
zij als klaagster aangeduid en worden zij gezamenlijk als klagers aangeduid.

tegen

[D],
arts, medisch adviseur Dienst Justitiële Inrichtingen,
verweerder, hierna ook ‘de arts’,
werkzaam in [E].


1. De zaak in het kort
1.1   De arts heeft een positief advies uitgebracht over de detentiegeschiktheid van klager, die op 
het moment van het geven van dit advies gedetineerd zat in een PPC (Penitentiair Psychiatrisch 
Centrum). Klagers zijn het niet eens met het gegeven advies, in het bijzonder omdat de arts een 
aantal door klagers aangeleverde medische gegevens buiten beschouwing heeft gelaten. Ook klagen 
klagers over de gang van zaken rondom een ziekenhuisopname van klager vanuit detentie, voordat hij 
naar het PPC werd overgeplaatst, evenals over de overplaatsing naar het PPC zelf.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat klagers kennelijk niet-ontvankelijk zijn in de klacht, 
voor zover zij het college verzoeken om een algemene uitspraak te doen, los van een concrete klacht 
aan de arts. Ook is klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in haar tweede klachtonderdeel, nu dat 
een kwestie betreft waarover uitsluitend klager als rechtstreeks belanghebbende kan klagen (en dat 
ook heeft gedaan). Voor het overige verklaart het college de klacht kennelijk ongegrond. 
‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit de navolgende stukken:
1. het klaagschrift, ontvangen op 22 september 2025;
2. de brief 14 oktober 2025 van de secretaris aan klager;
3. het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 22 oktober 2025;
4. de brief, gedateerd 19 oktober 2025, ontvangen op 20 november 2025 van klaagster;
5. het verweerschrift, ontvangen op 26 november 2025;
6. aanvullende stukken, ontvangen van verweerder op 15 december 2025;
7. de repliek, ontvangen op 12 januari 2026;
8. de dupliek ontvangen op 12 februari 2026;
9. de bewijsstukken, ontvangen van klaagster op 8 april 2026;
10. het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek gehouden op 20 april 2026.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1   Klager is de meerderjarige pleegzoon van klaagster. Als gevolg van ernstige verwaarlozing en 
mishandeling in zijn (vroege) jeugd heeft klager onder meer last van PTSS (Post Traumatische Stress 
Stoornis), dissociatieklachten en hechtingsproblematiek.

3.2   Op 26 juni 2025 is klager in detentie gekomen in een Justitieel Centrum (hierna: JC). Bij de 
medische intake op die dag heeft klager melding gemaakt van hartritmestoornissen. Ook had hij 
recent een gebroken sternum (borstbeen) opgelopen bij een ongeluk. De medische informatie van 
klager is door het JC opgevraagd.

3.3   Op 1 juli 2025 kreeg klager na het sporten een collaps (bewustzijnsverlies). Hij is 
kortstondig gereanimeerd toen hij niet reageerde op aanspreken. Vanwege zijn hartklachten is klager 
ingestuurd naar het ziekenhuis, waar hij op de afdeling cardiologie is opgenomen. Op 3 juli 2025 is 
klager uit het ziekenhuis ontslagen. In de ontslagbrief staat als conclusie (alle citaten zijn 
letterlijk overgenomen):
“Syncope passned bij vasovagaal reactie [college: flauwvallen]. Geen aanwijzing voor cardiale 
pathologie. Persisterende pijn op de borst bij sternumfractuur na auto-ongeluk 16-4 DD 
overbelasting sternum na BLS [college: reanimatie]”

3.4   Ondertussen was klaagster op de hoogte geraakt van de ziekenhuisopname van klager en heeft 
zij contact met het JC gezocht. Klaagster heeft het JC op de hoogte gesteld van de PTSS en de
dissociatieproblematiek van klager. Het JC heeft dit doorgegeven aan het ziekenhuis en genoteerd dat
klager bij terugkeer in het JC gezien moest worden door de psycholoog. 
Klager heeft op 3 juli 2025 een eerste gesprek met een psycholoog gehad.

3.5   Op 7 juli 2025 heeft binnen het JC intercollegiaal overleg plaatsgevonden over de vraag waar 
klager zijn detentie veilig kon uitzitten met de juiste en voldoende intensieve zorg. Overwogen 
werd op dat moment dat een PPC niet passend en ook niet geïndiceerd leek te zijn. Behandeling voor 
de complexe PTSS van klager zou wel geïndiceerd zijn, maar dat durfde het behandelteam in het JC 
niet aan, mede vanwege de dissociaties. Het advies van het intercollegiaal overleg was “een signaal 
afgeven aan het Hoofd Zorg om de overwegingen dat passende zorg binnen de detentie niet mogelijk 
is, te delen. En om men te adviseren een plan van aanpak te maken.”

3.6   Op 8 juli 2025 is in het dossier melding gemaakt van diverse overleggen, waarbij (ook) de 
directie en het Hoofd Zorg van het JC betrokken zijn geweest. Daaruit blijkt dat het JC (mede op 
verzoek van klaagster en van de advocaat van klager) van plan was om een zogenaamde IMA 
(individueel medische advisering) procedure op te starten om een advies te krijgen over de 
detentiegeschiktheid van klager. Ook vond overleg plaats over de vraag of overplaatsing van klager 
naar een PPC toch geïndiceerd was vanwege de psychiatrische aard van de klachten van klager. Na 
overleg met een manager zorg van het NIFP (Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en 
Psychologie) is besloten om klager “ter stond” aan te melden bij een PPC “gezien de ernstige 
risico’s voor betrokkenes somatische/psychische gezondheid als betrokkene langer binnen [het JC] 
verblijft.”

3.7   Op 10 juli 2025 is klager overgeplaatst naar een PPC. Diezelfde dag is advies gevraagd over 
de detentiegeschiktheid van klager.

3.8   De arts heeft het gevraagde advies op 15 juli 2025 gegeven. De conclusie luidde dat de arts 
klager op medische gronden detentiegeschikt achtte. Als onderbouwing van dat advies heeft de arts 
genoteerd:
“[Klager] is 26-06 jl in detentie gekomen in [het JC]. Hij is in april 2025 bij een auto ongeval 
betrokkene geweest waarbij hij zijn borstbeen brak en gecontroleerd is in het ziekenhuis.
Destijds werden geen ernstige afwijkingen geconstateerd.
Vanuit [het JC] is hij ook nog één maal in het ziekenhuis geweest nadat hij een syncope kreeg 
(flauwvallen). Er was niets ernstige aan de hand met zijn hart.
Op 09-07 is hij na multidisciplinair overleg aangemeld voor het PC vanwege ademstops en dreigende 
syncopes, voortkomend uit een dissociatie. In [het JC] zou hij onvoldoende zorg kunnen krijgen.
Op 11-07 is hij in het PPC geplaatst. Tot op heden zijn er geen bijzonderheden geconstateerd op het 
PPC waardoor hij daar niet de zorg zou kunnen krijgen. Uit de rapportages in Microhis en User komt 
niet naar voren dat er sprake is van een situatie dat hij de noodzakelijke zorg niet kan krijgen.
Mocht op termijn blijken dat ook in het PPC de zorg niet voldoende gewaarbogd kan worden, dan graag 
vanuit de zorgprofessional (arts of psycholoog) opnieuw een detentie geschiktheidsonderzoek 
aanvragen.”

4. De klacht en de reactie van de arts
4.1  Klager verwijt de arts:
       1) dat hij na het inzien van de overgelegde gegevens van klager, tijdens zijn onderzoek, vanuit 
       zijn monitoring functie als arts van de afdeling Beleid & Zorgsupport Individuele Medische 
       Advisering (IMA), had moeten ingrijpen.
       Subsidiair: dat hij, door niet in te grijpen, blijkbaar vindt dat het handelen van de directie en 
       medische dienst van JC [F] binnen de toegestane beleidsregels vallen. Verweerder is direct 
       verantwoordelijk voor dit beleid.
       2) dat het niet mogelijk is dat hij tijdens zijn onderzoek niet heeft opgemerkt dat de juiste 
       medische en juridische onderbouwing miste voor een plaatsing van klager in een PPC; hij had moeten 
       zien dat er regels waren overtreden ten aanzien van de onderbouwing, indicatiestelling en 
       beslissing tot overplaatsing van klager naar het PPC.
       Subsidiair: dat hij uit het medisch dossier van klager had moeten afleiden dat niet alle procedures 
       juist waren gevolgd en dat er stukken ter onderbouwing van deze beslissing ontbraken.
       Meer subsidiair: dat hij vanuit zijn takenpakket extra zorgvuldig had moeten omgaan met het 
       onderzoek inzake het IMA advies nu hij wist dat er sprake is geweest van een calamiteit; hij heeft 
       op dit punt niet als een professioneel kritische arts gehandeld.
       3) dat het IMA advies dat hij heeft opgesteld, op meerdere punten de KNMG-gedragscode schendt:
       a) Het niet in het onderzoek betrekken van de acht (medische) stukken die zijn meegezonden met het 
           verzoek om een IMA-advies, terwijl deze stukken wel relevante informatie bevatten over het verleden 
           van klager.
       b) Het niet noemen in het rapport van deze acht (medische) stukken en het ontbreken van een 
           motivering in het rapport waarom deze stukken niet gebruikt zijn.
       c) Het alleen maar gebruik maken van het justitieel medisch dossier van DJI zorgt ervoor dat er 
           niet genoeg informatie beschikbaar was om een gedegen onderzoek te doen waardoor er ook geen 
           gedegen advies kon worden gegeven.
       d) Er is door verweerder geen persoonlijk contact met klager geweest terwijl dit in deze casus niet 
           meer dan redelijk zou zijn geweest om te doen. Niet alleen vanwege de complexiteit van de casus 
           maar ook omdat er alleen gebruik wordt gemaakt van het justitieel medisch dossier, dat slechts twee 
           weken oud was.
       e) Er is door verweerder op een bagatelliserende en denigrerende manier geschreven over de 
            (overigens onjuiste) medische gegevens van klager. Dit is voor klager onnodig kwetsend geweest.
        f)  Verweerder heeft niet als een objectief en onafhankelijk arts gehandeld omdat hij alleen kennis 
             heeft genomen van het justitieel medisch dossier van klager. Verweerder heeft geweigerd om ook de 
             door klager overgelegde medische stukken die niet in het justitieel medisch dossier zaten te 
             raadplegen.
         g) Verweerder weigert klager tot op heden inzage in het IMA dossier. Dit terwijl er grote 
             onduidelijkheden zijn ten aanzien van de gebruikte stukken inzake het onderzoek.

4.2   Klagers verzoeken het college om een uitspraak te doen over de vraag of het 
(on)grondwettelijk is om, inzake klager, de artsen in het [G] te verbieden om zijn reguliere 
medisch dossier (EPD/LDP) te gebruiken en de artsen in het [G] te verplichten slechts gebruik te 
maken van het justitieel medisch dossier (van slechts vijf dagen oud) dat DJI van klager had 
opgesteld.

4.3  Klaagster verwijt de arts:
a) het niet informeren van klaagster als direct naaste toen klager een hartstilstand kreeg, was 
    gereanimeerd en in kritieke toestand naar een extern ziekenhuis was gebracht. Gezegd werd dat 
    klaagster geen informatie zou krijgen over de toestand van klager; ze zou alleen geïnformeerd 
    worden als klager dood zou zijn. De arts vond het ook niet nodig te acteren, nadat klaagster hem op 
    de hoogte had gesteld hoe een en ander was verlopen.
b) De arts heeft opzettelijk onduidelijkheid laten ontstaan over het feit of hij een achttal 
    medische stukken wel of niet heeft meegenomen in zijn overweging inzake het IMA rapport van 15 juli 
    2025. Hij heeft onwaarheden doorgegeven aan zijn collega over het al dan niet meenemen van deze 
    stukken.

4.4  De arts heeft verweer gevoerd tegen de klacht.

4.5  Het college gaat hierna voor zover nodig in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de arts met de zorgvuldigheid heeft gehandeld die van hem verwacht mocht 
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij de beoordeling 
wordt rekening gehouden met de voor de arts geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk 
verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdelen 1 en 2 van klager – ingrijpen en/of beoordelen beleid en procedures
5.2   Deze klachtonderdelen kunnen vanwege hun onderlinge samenhang gezamenlijk worden beoordeeld. 
Op 10 juli 2025 heeft het JC een verzoek ingediend tot het verkrijgen van een advies over de detentiegeschiktheid van klager. Dat verzoek is voorgelegd aan de arts, die het advies op 15 juli 2025 heeft gegeven. De betrokkenheid van de arts is beperkt geweest tot het geven van dit medisch advies. Bij alles wat daaraan vooraf is gegaan, is de arts niet betrokken geweest. Anders dan klagers kennelijk veronderstellen, draagt de arts ook geen verantwoordelijkheid 
voor het beleid en/of het al dan niet juist uitvoeren van procedures binnen een JC. Evenmin heeft 
de arts een controlerende functie met betrekking tot dat beleid en de procedures. Die verantwoordelijkheden liggen bij de directie van het JC. Ook heeft de arts met juistheid aangevoerd dat zijn rol rondom calamiteiten (waarvan in het geval van klager geen sprake is geweest) los staat van zijn rol als medisch adviseur bij een detentiegeschiktheidsonderzoek.

5.3  Het voorgaande betekent dat de klachtonderdelen 1 en 2 kennelijk ongegrond zijn.

Klachtonderdeel 3 van klager – het door de arts gegeven advies
5.4   Klager stelt dat de arts bij het geven van zijn advies op meerdere punten de KNMG-gedragscode 
heeft geschonden, maar hij heeft niet aangegeven op welke wijze met de verweten gedragingen enige 
bepaling uit de gedragscode geschonden zou zijn. Het college neemt bij de beoordeling van het door 
de arts gegeven advies als uitgangspunt, dat deskundigenrapporten zoals het advies van de arts 
dienen te voldoen aan de volgende criteria:
1. het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2. uit het rapport blijkt dat de arts een geschikte onderzoeksmethode heeft gebruikt om de 
    voorgelegde vraagstelling te beantwoorden;
3. in het rapport zet de arts op inzichtelijke en consistente wijze uiteen op welke gronden de 
    conclusies van het rapport steunen;
4. het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, inclusief de gebruikte literatuur en de 
    geconsulteerde personen;
5. de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.
    Ten volle wordt getoetst of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van vakkundigheid en 
    zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusie is 
    de tuchtrechtelijke toets marginaal, dat wil zeggen dat het college beoordeelt of de arts in 
    redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen.

5.5   De klachtonderdelen 3a, 3b, 3c en 3f hebben alle betrekking op hetzelfde, namelijk het feit 
dat de arts zijn advies heeft gebaseerd op de dossierinformatie die beschikbaar is gekomen tijdens 
de detentie van klager in het JC en in het PPC. De arts heeft in zijn advies geen melding gemaakt 
van de acht medische stukken die klagers hebben toegezonden en heeft deze stukken ook niet 
gebruikt. Deze klachtonderdelen worden daarom gezamenlijk besproken.

5.6  De arts heeft in zijn verweer aangevoerd dat hij de door klagers aangeleverde – gedateerde – stukken wel heeft gezien en gelezen, maar niet heeft meegenomen in de beoordeling over de detentiegeschiktheid. Hij heeft zijn advies gebaseerd op de informatie uit het medisch dossier (Microhis) en de gedragsrapportages (USER). Hij heeft op basis van die dossiers beoordeeld of er aanwijzingen waren dat de zorg in het PPC op dat moment niet geleverd kon worden. Die aanwijzingen waren er op dat moment niet, aldus de arts.

5.7   Het college overweegt als volgt. Het advies van de arts is een momentopname: het gaat erom of 
op het moment dat het advies gevraagd wordt, de benodigde zorg vanuit detentie (en vanuit de 
instelling waar klager gedetineerd is) geleverd kan worden. De arts had de beschikking over alle 
(recente) informatie, die van klager sinds het begin van zijn detentie beschikbaar was gekomen. Het 
betreft onder meer de informatie over klagers ziekenhuisopname en de bevindingen en overwegingen 
van alle betrokken zorgverleners (en leidinggevenden) vanaf zijn ontslag uit het ziekenhuis. Het 
college is van oordeel dat deze informatie voor de arts voldoende was om zijn advies te kunnen 
geven. Er bestond geen aanleiding voor hem om de door klagers overgelegde aanvullende stukken in 
zijn overwegingen te betrekken. Het gaat grotendeels om gedateerde stukken. Wat uit deze stukken 
relevant zou kunnen zijn (zoals diagnoses en de invloed daarvan op klagers functioneren), is ook 
vermeld in de dossiers die de arts wel heeft bestudeerd en in zijn overwegingen en advies heeft 
betrokken. De aanvullende stukken hadden voor de beoordeling door de arts dan ook geen toegevoegde 
waarde. Het was wellicht beter geweest als de arts er in zijn advies melding van had gemaakt dat 
hij de door klagers aangeleverde stukken niet had gebruikt, maar voldoende is dat hij concreet in 
het advies genoemd heeft welke informatie hij wel heeft gebruikt (de gegevens uit Microhis en User 
op 15 juli 2025).

5.8  De klachtonderdelen 3a, 3b, 3c en 3f zijn op grond van het voorgaande kennelijk ongegrond.

5.9   De arts heeft in zijn advies vermeld dat hij het, gelet op de vraagstelling en de beschikbare 
schriftelijke medische informatie, niet nodig heeft gevonden om persoonlijk contact met klager te 
hebben. Het college acht het begrijpelijk en te rechtvaardigen dat de arts heeft afgezien van 
persoonlijk contact met klager, nu de schriftelijke documentatie voldoende grondslag voor zijn 
beoordeling vormde. De arts heeft ook voldaan aan de verplichting om daarvan in het advies 
gemotiveerd melding te maken. Dat betekent dat klachtonderdeel 3d kennelijk ongegrond is.

5.10  Ook klachtonderdeel 3e is kennelijk ongegrond. Dit klachtonderdeel ontbeert feitelijke 
grondslag. Aan pagina 15 van het klaagschrift ontleent het college dat klagers bij dit 
klachtonderdeel doelen op het feit dat de arts in zijn advies heeft genoteerd dat klager was 
flauwgevallen, terwijl klagers spreken over een hartstilstand waarvoor reanimatie nodig was. Uit 
het medisch dossier blijkt echter dat sprake is geweest van flauwvallen en niet van een 
hartstilstand. De arts heeft zich met de door hem gebruikte bewoordingen aangesloten bij de 
medische bevindingen zoals genoteerd in het dossier. Van een bagatelliserende en denigrerende 
manier van schrijven kan reeds hierom geen sprake zijn.

5.11  Over klachtonderdeel 3g overweegt het college als volgt. De arts heeft aangevoerd dat hij 
niet betrokken is geweest bij eventuele verzoeken om inzage. Klager heeft dat niet gemotiveerd 
weersproken. Waar het college geen persoonlijke betrokkenheid van de arts kan vaststellen, kan 
reeds om deze reden geen sprake zijn van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de arts. 
Klachtonderdeel 3g is om die reden kennelijk ongegrond.

5.12  De rapportage van de arts voldoet ook voor het overige aan de daaraan gestelde eisen. 
Klachtonderdeel 3 is in zijn totaliteit kennelijk ongegrond.

Verzoek tot het doen van een uitspraak over het medisch dossier (zie 4.2)
5.13  Het college kan slechts een uitspraak doen op concrete klachten over het handelen of nalaten 
van een zorgverlener. Het college kan zo’n klacht gegrond of ongegrond verklaren. Het is niet de 
taak van het college en het college is er ook niet toe bevoegd om de door klagers opgeworpen vraag 
te beantwoorden. Het verzoek van klagers bevat geen klacht tegen de arts, die bij de 
ziekenhuisopname van klager niet betrokken is geweest. Klagers zijn op grond hiervan kennelijk 
niet-ontvankelijk in het door hen gedane verzoek.

Klachtonderdeel a van klaagster – niet geïnformeerd na ziekenhuisopname
5.14  Dit klachtonderdeel ligt in het verlengde van de klachtonderdelen 1 en 2 van klager. De arts 
is niet betrokken geweest bij de ziekenhuisopname van klager en was daarvan ook niet op de hoogte. 
Hij hoefde daarvan ook niet op de hoogte te zijn. Het was dan ook niet aan de arts om klaagster te 
informeren of om te beslissen welke informatie klaagster al dan niet kon krijgen. Ook achteraf was 
hierin geen rol voor de arts weggelegd. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b van klaagster – onduidelijkheid over beoordeelde stukken in het advies
5.15  Om aangemerkt te worden als rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 65, eerste lid, 
onder a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) dient er aan de zijde 
van klaagster sprake te zijn van een belang dat kan worden geplaatst in het kader van de 
individuele gezondheidszorg. Deze eis vloeit voort uit de aard en de strekking van de Wet BIG, die 
beoogt de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg te bewaken.

5.16  Naar het oordeel van het college heeft klaagster bij het indienen van dit klachtonderdeel 
geen rechtstreeks belang. Het gaat immers om een advies over de detentiegeschiktheid van klager en 
daarbij is alleen klager de rechtstreeks belanghebbende. Klaagster kan over dat advies niet (ook) 
klagen. Klager heeft hierover bovendien zelf al geklaagd. Klaagster kan daarom in dit 
klachtonderdeel niet worden ontvangen.

Slotsom
5.17  Het voorgaande betekent dat klagers kennelijk niet-ontvankelijk zijn ter zake het in 4.2 geformuleerde
verzoek en dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is in klachtonderdeel b van haar klacht.
De overige klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart klagers kennelijk niet-ontvankelijk in het verzoek tot het doen van een uitspraak, 
   zoals hiervoor geformuleerd in 4.2;
-  verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in klachtonderdeel b van haar klacht;
-  verklaart de klacht in alle overige onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door I. Boekhorst, voorzitter, J.G.E. Smeets en
B.C.A.M. van Casteren-van Gils, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door N.A.M. Sinjorgo, secretaris, 
en in het openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-
van Meerwijk op 2 september 2026.