ECLI:NL:TGZRSHE:2026:153 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8888

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:153
Datum uitspraak: 26-08-2026
Datum publicatie: 26-08-2026
Zaaknummer(s): H2025/8888
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Gegronde klacht tegen bedrijfsarts. Klager verwijt verweerder dat hij, na zijn betrokkenheid bij klager als bedrijfsarts, zich negatief heeft uitgelaten over klager. Ook heeft verweerder onjuistheden is in zijn verklaring over klager opgenomen. Verweerder heeft erkend dat hij zich negatief heeft uitgelaten over klager en dat deze verklaringen onjuistheden bevatten. Verweerder ziet nu in dat hij als bedrijfsarts geen verklaring kan geven op verzoek van een werkgever of een werknemer indien die zelf betrokken is geweest bij de casus. Het college heeft voorwaardelijke schorsing overwogen en legt verweerder, gezien de omstandigheden, de maatregel berisping op.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 26 augustus 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B], klager,

tegen:


[C],
destijds bedrijfsarts, destijds werkzaam in [D], verweerder,
gemachtigde: mr. C.J. van den Ham, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   Klager verwijt verweerder dat hij, na zijn betrokkenheid bij klager als bedrijfsarts, zich in 
twee verklaringen negatief heeft uitgelaten over klager. Ook is in deze verklaringen opgenomen dat 
verweerder contact zou hebben gehad met de behandelaren van klager, wat niet het geval is geweest.

1.2  Verweerder heeft erkend dat hij zich negatief heeft uitgelaten over klager en dat deze 
verklaringen onjuistheden bevatten.

1.3   Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en legt verweerder de maatregel van 
berisping op. Het college legt hierna uit hoe het tot dit oordeel is gekomen.

2. De procedure
2.1  Het dossier bevat de volgende stukken:
-    het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen in Zwolle op 4 augustus 2025 en in 
’s-Hertogenbosch op 21 augustus 2025;
-    het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 21 oktober 2025;
-    het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 9 februari 2026;
-    de aanvulling op de klacht, ontvangen op 29 juni 2026.


2.2   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 3 juli 2026. De partijen zijn verschenen. 
Verweerder werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen en de gemachtigde van verweerder 
hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klager heeft een pleitnotitie voorgelezen en aan het 
college en de andere partij overhandigd.

3. De feiten

3.1   Op 23 januari 2020 meldde klager zich ziek bij zijn werkgever (hierna: werkgever). Vanaf 8 
december 2020 tot en met 8 december 2021 heeft verweerder klager begeleid. Daarna is klager door 
een andere bedrijfsarts begeleid.

3.2  Op 8 december 2020 vermeldt het medisch dossier van klager (alle citaten voor zover van belang 
en letterlijk weergegeven):
“(…) Wn heeft traject doorlopen bij (…): burn out depressie, afhankelijke, vermijdende persoon. 
Laag energie niveau. (…)”

3.3   Op 28 juli 2021 heeft verweerder het volgende over het consult op die dag in het dossier van 
klager genoteerd:
“(…) S/Wn heeft zich aangemeld begin maart 2021 bij (…) [behandelaar c]. Daarnaast loopt 
ergotherapie in contact met (…) [behandelaar c en b]. (…) Heden med info Ha aangevraagd. Nog geen 
intake (…) [behandelaar c]. (…) [Behandelaar b] wel (…) intake gedaan (…) en starten ergotherapie 
ter overbrugging van intake en begeleiding door [behandelaar c]. (…)
E/depressief geweest, burn out gehad, PTSS, BA > (…) [behandelaar a]
GGZ, Ha? (…) [behandelaar b] (…) 2e spoor.”


3.4   In december 2021 wordt vanwege de door klager aangevraagde WIA-uitkering onderzocht of de 
werkgever zich voldoende heeft ingespannen in het re-integratietraject. Het UWV concludeert dat de 
werkgever nog geen adequate interventie heeft afgerond voor een verstoorde arbeidsrelatie tussen 
klager en de werkgever. Ook heeft de werkgever volgens het UWV geen medische onderbouwing om klager 
niet te re-integreren in passend werk op spoor 1 en geen medische onderbouwing om de intensivering 
van spoor 2 niet in te zetten. Vanwege voorgaande legt het UWV op 13 januari 2022 de werkgever een 
loonsanctie op. De werkgever maakt hiertegen bezwaar. De loonsanctie blijft echter gehandhaafd. De 
werkgever gaat in beroep. In deze procedure wordt verweerder door de advocaat van de werkgever 
(hierna: de advocaat) verzocht aan te geven waarom klager vanaf juli 2021 tot einde wachttijd op 
basis van medische gronden niet in staat was om spoor 2 te intensiveren. De advocaat verstrekte 
daarbij stukken aan verweerder omdat verweerder geen toegang meer had tot het dossier van klager.

3.5   Op 8 november 2023 stelt verweerder de volgende verklaring op aan de hand van zijn 
herinnering en de aan hem verstrekte stukken:
“(…) [Klager] was in de periode van juli 2021 tot januari 2022 op medische gronden niet belastbaar 
voor een intensivering van het spoor 2 traject. In deze periode was er juist sprake van een 
vermindering van de belastbaarheid. In deze periode zijn verschillende interventies en trajecten 
geprobeerd. Deze zorgden echter voor een terugslag. Ik heb in die periode ook verschillende keren 
contact gehad met de behandelaren van (…) [klager] die mij lieten weten dat sprake was van 
overbelasting van (…) [klager]. In mijn spreekuren in die periode werd dat (…) [klager] psychisch 
aan het decompenseren was. Hij was niet meer in staat om helder en rationeel te (…)

denken, om conclusies te trekken en beslissingen te (…) nemen. Mijn eigen medische bevindingen en 
de bevindingen van de behandelaren met wie ik in die periode contact heb gehad, maakten duidelijk 
dat een intensivering van het spoor 2 traject niet mogelijk was. (…)

In gesprekken met mij schoof hij eindeloos zijn klachten naar voren, en reageerde afwijzend op mijn 
advies om van zijn klachten een hulpvraag te stellen aan de huisarts. (Als bedrijfsarts herken ik 
dit gedrag bij mensen die totaal geen energie, en levenslust meer bezitten (…) Dus in december 2020 
was dit voor (…) [klager] de hier beschreven situatie. En binnen 2 maanden was hij (toch al) bereid 
om een intake te doen bij de psycholoog (…) [behandelaar a]. (…)

De boven omschreven gemoedstoestand van (…) [klager] klaarde niet op in de periode tussen december 
2020 en december 2021. In een periode waarin langzaam maar zeker (…) [klager] aarzelend begeleiding 
wilde aanvaarden. En de ingeschakelde begeleiders keer op keer moesten afhaken, vanwege het feit 
dat zijn problematiek, veel omvangrijker was dan dat dit van te voren werd ingeschat. Men heeft 
telkens de begeleiding op een laag pitje gecontinueerd, ter overbrugging van de wachttijd van het 
echt te starten traject: dat uiteindelijk in december 2021 een aanvang kreeg bij (…) [behandelaar 
c] (…).

Met (vermoedelijk) 3 behandelaren heb ik contact gehad: huisarts, fysiotherapeut contactpersoon van 
(…) [behandelaar b], en een contactpersoon (…) [behandelaar c] (…). ”

3.6   Na deze verklaring wordt verweerder gevraagd zijn verklaring van 8 november 2023 verder te 
onderbouwen. Verweerder ontvangt hiervoor meerdere aanvullende stukken.

3.7  Op 23 februari 2024 heeft verweerder het volgende aanvullend schriftelijk verklaard:
“(…) Wat zijn -zeer relevant- gestelde diagnoses in deze casus (…)
1   Chronische depressiviteit, dysthyme stoornis (…)
2   Burn-Out (Meerdere Organisaties)
3   Afhankelijkheids persoonlijkheids stoornis (…)
4   Vermijdingsgedrag en uitstel gedrag (…)
5   Sensitisatie (…) [behandelaar a] (…)
(…) In de 2e helft van het jaar 2021 heb ik 3 spreekuurcontacten gehad: juli, oktober, december. 
Dit vanwege de toegenomen medische beperkingen van (…) [klager] om net niet te spreken van een 
dreigende crisis. Ik was er getuige van op 28-07-2021 tijdens mijn beeldbellen afspraak (…) liepen 
bij (…) [klager] de tranen over de wang, hij haperde in het spreken, en bracht naar voren dat hij 
mentaal was ingestort. Die zelf-diagnose kon ik in de loop van het gesprek bevestigen, omdat hij 
chaotisch was in diens verhaaltrant (…). De simpelste vragen niet kon beantwoorden.

[Behandelaar b] had voor hem de conclusie getrokken, dat hij kennelijk overprikkeld was, te weinig 
energie had en dat dit de reden vormde voor zijn mentale ontreddering. (…) [Klager] gaf aan dat ik 
e.e.a. kon verifiëren bij een contactpersoon van (…) [behandelaar b]. Ik heb dat gedaan (…).”

3.8  Beide verklaringen van verweerder zijn gebruikt in de gerechtelijke procedure tussen de 
werkgever en het UWV.

4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1  Verweerder, destijds handelend als bedrijfsarts, wordt door klager verweten dat verweerder:
a)   nadat hij klager bij ziekteverzuim heeft begeleid, zich in de verklaringen van
8 november 2023 en van 23 februari 2024 negatief over klager heeft uitgelaten. Klager meent dat 
verweerder zich daarin niet integer en onprofessioneel heeft opgesteld;
b)   heeft gesteld dat er contact is geweest tussen verweerder en de behandelaren van klager maar 
volgens klager heeft dit contact niet plaatsgevonden.

4.2   Verweerder heeft erkend dat de verklaringen een negatief beeld van klager hebben geschetst en 
dat hij de schijn van partijdigheid kan hebben gewekt. Hij heeft het college gevraagd om bij de 
beoordeling van zijn handelen rekening te houden met de door hem genoemde omstandigheden.

4.3  Het college gaat hieronder, voor zover nodig, verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen, is niet altijd genoeg voor een 
tuchtrechtelijk verwijt.

Klachtonderdeel a) verklaringen van 8 november 2023 en van 23 februari 2024
5.2   Klager verwijt verweerder dat verweerder zich negatief over klager heeft uitgelaten zonder 
dat verweerder deze uitlatingen heeft onderbouwd of heeft kunnen onderbouwen.

5.3   Verweerder heeft erkend dat hij zich negatief over klager heeft uitgelaten en aangevoerd dat 
hij zich in een spanningsveld bevond tussen enerzijds de werkgever en anderzijds klager. Dit 
spanningsveld werd vergroot door een arbeidsconflict tussen beiden. Ook speelden destijds de 
maatregelen vanwege de Coronapandemie. Verweerder heeft daarnaast aangegeven dat hij het gebrek aan 
zijn notities in het dossier van klager heeft

willen aanvullen met zijn getuigenverklaringen. Verweerder heeft bij de advocaat navraag gedaan of 
het hem vrij stond om in rechte te verklaren. Volgens verweerder heeft de advocaat benadrukt dat de 
advocaat de gemachtigde van de werkgever was. Verweerder zou volgens deze advocaat als getuige, 
niet als arts-gemachtigde namens de werkgever verklaren. Verweerder hij zich daardoor laten 
geruststellen en de beide verklaringen afgegeven. Verweerder ziet naderhand in dat hij als 
bedrijfsarts geen verklaring kan geven op verzoek van (een advocaat van) een werkgever of een 
werknemer indien hij als bedrijfsarts zelf betrokken is geweest bij de casus. Verweerder ziet nu in 
dat hij hiermee de schijn van partijdigheid heeft veroorzaakt en heeft hiervan geleerd.

5.4   Het college stelt aan de hand van de volgende drie voorbeelden vast dat de door verweerder 
opgestelde verklaringen geen steun vinden in het medisch dossier of anderszins kunnen worden 
onderbouwd. De door verweerder in de verklaring genoemde decompensatie van klager tijdens het 
consult van 28 juli 2021 blijkt als eerste niet uit het dossier van klager. Het is niet duidelijk 
geworden op basis van welke waarnemingen verweerder tot deze conclusie is gekomen. Een tweede 
voorbeeld betreft het door verweerder genoemde: “schoof hij eindeloos zijn klachten naar voren, en 
reageerde afwijzend op mijn advies om van zijn klachten een hulpvraag te stellen, “En binnen 2 
maanden was hij (toch al) bereid om een intake te doen”, “aarzelend begeleiding wilde aanvaarden”, 
daarmee toelichtend dat klager de aangeboden begeleiding niet (direct) heeft aanvaard, wordt 
eveneens niet gesteund door het medisch dossier. Uit het dossier komt klager naar voren als iemand 
die juist open stond voor hulpverlening. Tot slot kan de stellige uitlating van verweerder in de 
tweede verklaring over “afhankelijkheids persoonlijkheids stoornis” en “mentale ontreddering” niet 
worden onderbouwd met de informatie van een behandelaar in het dossier. Immers informatie van een 
behandelaar in het dossier vermeldt weliswaar afhankelijke persoonlijkheidskenmerken, maar dat 
maakt niet dat een stoornis is gebleken. Dat bij klager deze stoornissen zijn vastgesteld, is het 
college niet gebleken. Dit klachtonderdeel is gegrond.

Klachtonderdeel b) contact tussen verweerder en de behandelaren van klager
5.5   Klager stelt dat er geen contact tussen verweerder en de behandelaren van klager heeft 
plaatsgevonden. Verweerder heeft klager hierin gelijk gegeven.

5.6   Op basis van voorgaande en op basis van de stukken waaronder het medisch dossier van klager, 
is het college niet gebleken dat verweerder contact heeft gehad met behandelaren van klager. In de 
verslaglegging is niet terug te vinden dat klager hiervoor toestemming heeft gegeven en ook de 
contacten zelf zijn niet terug te vinden. Dit klachtonderdeel is ook gegrond.

Slotsom
5.7  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht gegrond is.

Maatregel
5.8   Nu de klacht gegrond is, staat het college voor de vraag of, en zo ja, welke maatregel aan 
verweerder wordt opgelegd. Het college rekent het verweerder zwaar aan dat hij de eerste verklaring 
heeft opgesteld. Echter het college rekent het verweerder nog zwaarder aan dat verweerder, nadat 
hij had geconstateerd dat de eerste verklaring geen steun vond in het (medisch) dossier van klager, 
dat gebrek in zijn tweede verklaring niet heeft hersteld. Integendeel; verweerder heeft in de 
tweede verklaring de eerste verklaring zwaarder aangezet. Gelet op de ernst van de gedragingen 
heeft het college een voorwaardelijke schorsing van verweerder overwogen.

5.9   Verweerder heeft zich echter toetsbaar opgesteld door aan het mondeling vooronderzoek deel te 
nemen, door op zitting te verschijnen, door de vragen transparant te beantwoorden en door meermaals 
te erkennen dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Ook heeft verweerder excuses aan 
klager aangeboden. Tevens heeft verweerder na het mondeling vooronderzoek op verzoek van klager een 
rectificatieverklaring opgesteld. Weliswaar heeft klager niet met (de inhoud van) deze verklaring 
ingestemd, maar het college waardeert deze herstelpoging van verweerder. Daarbij betrekt het 
college dat verweerder niet eerder een tuchtmaatregel opgelegd heeft gekregen. Tot slot heeft 
verweerder concreet toegelicht wat hij in het vervolg anders zou doen en heeft hij laten blijken er 
van te hebben geleerd. Het college acht gelet op al deze omstandigheden de maatregel berisping 
passend.

Publicatie
5.10  In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin 
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal 
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6. De beslissing
Het college:
-   verklaart de klacht gegrond;
-    legt verweerder de maatregel op van berisping;
-    bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter 
publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Medisch Contact en het Tijdschrift voor 
Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde.

Deze beslissing is gegeven door E.C. Zandman, voorzitter, T. Dohmen, lid-jurist,
P.E. Rodenburg, R.P. Dammer en R.P.J. Ansem, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
F.A.C. Bergervoet, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 26 augustus 2026.