ECLI:NL:TGZRSHE:2026:152 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8763
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:152 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-08-2026 |
| Datum publicatie: | 26-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8763 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster klaagt erover dat een arts onder supervisie van een bedrijfsarts haar onder meer niet heeft geïnformeerd over zijn hoedanigheid en dat hij een toezegging dat zij eerst inzage in haar FML zou krijgen, voordat deze naar haar werkgever zou worden gestuurd, niet is nagekomen. Het tuchtcollege verklaart de klacht op deze punten gegrond. Maatregel: berisping omdat verweerder heel basale essentiële zaken niet goed heeft uitgevoerd, hij een belangrijke toezegging betreffende de FML niet is nagekomen, hij onvoldoende reflectie toont op zijn handelwijze en zich niet toetsbaar heeft opgesteld. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 26 augustus 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B], klaagster,
gemachtigde: [C], wonende in [B], tegen
[D],
arts onder supervisie van een bedrijfsarts,
werkzaam in [E], verweerder.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is op het werk uitgevallen wegens ziekte. Tijdens een consult op
25 maart 2025 stelt verweerder, die als arts onder supervisie van de bedrijfsarts
werkte, een
Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op, die hij nadien na bezwaar van klaagster
tweemaal wijzigt.
Klaagster klaagt er onder meer over dat verweerder niet duidelijk is geweest over
zijn
hoedanigheid, namelijk dat hij als arts onder supervisie van een bedrijfsarts werkt,
dat de eerste
FML niet vooraf met haar is besproken en dat de eerste twee FML’s door een onbevoegd
persoon zijn
getekend.
1.2 Het college oordeelt dat de klacht gedeeltelijk gegrond is en legt de maatregel
van berisping
op. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het dossier bevat de volgende stukken:
- het klaagschrift, ontvangen op 22 juli 2025;
- de producties ontvangen van klaagster op 2 september 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 21 oktober 2025;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 22 januari 2026;
- de productie, gedateerd 25 maart 2025, ontvangen van klaagster op 22 januari
2026;
- de brief van 14 februari 2026, ontvangen van verweerder op 19 februari 2026;
- de samenwerkingsovereenkomst, gedateerd 15 juni 2026, ontvangen op 22 juni 2026.
De zaak is behandeld op de openbare zitting van 3 juli 2026. Verweerder is niet
verschenen. Hij
heeft aanvankelijk telefonisch meegedeeld dat hij vertraagd was en, nadat het college
vijftien minuten heeft gewacht met de aanvang van de zitting, deelde hij telefonisch
mee dat hij
naar de verkeerde locatie was gereisd. Daarop heeft de zitting aangevangen. Klaagster
en haar
gemachtigde zijn wel verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster is op 16 maart 2024 wegens ziekte uitgevallen op haar werk. Op 25
maart 2025 had
klaagster een afspraak met verweerder. Tijdens dit gesprek heeft verweerder de FML
opgesteld. De
FML heeft verweerder diezelfde dag gedeeld met klaagster en haar werkgever.
3.2 Klaagster heeft bezwaar gemaakt tegen de FML. Hierop heeft op 8 april contact
plaatsgehad
tussen klaagster en verweerder. Daarna heeft verweerder op 8 april 2025 en 6 mei
2025 aangepaste
FML’s opgesteld.
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klaagster verwijt verweerder dat hij bij de bedrijfsgeneeskundige begeleiding
van haar:
a) de FML’s van 25 maart 2025 en 8 april 2025 heeft laten ondertekenen door een
onbevoegd persoon
die niet BIG-geregistreerd is;
b) aan klaagster geen blijk heeft gegeven van betrokkenheid van de supervisor
of de
eindverantwoordelijke die bevoegd bedrijfsarts was;
c) misleidend is geweest over zijn bevoegdheid als arts;
d) de FML van 25 maart 2025 heeft gedeeld met de werkgever van klaagster voordat
klaagster inzage
had in deze FML;
e) de daaropvolgende FML’s heeft opgesteld zonder consult en zonder overleg met
klaagster;
f) de privacy en het medisch beroepsgeheim van klaagster heeft geschonden.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts onder supervisie van
een bedrijfsarts.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende
beroepsnormen en
andere professionele standaarden.
Klachtonderdeel a) verweerder heeft de eerste twee FML’s laten ondertekenen door
een onbevoegd
persoon die niet BIG-geregistreerd is
5.2 Klaagster stelt dat de eerste twee FML’s zijn ondertekend door een onbevoegd
persoon, namelijk
een medisch secretaresse.
5.3 Verweerder voert aan dat de ondertekening buiten hem om is gegaan en dat het
feit dat er
aanvankelijk een verkeerde naam onder de FML’s stond, te wijten is aan een technische
fout. Volgens
hem zijn na de ontdekking hiervan de FML’s met de juiste ondertekening naar de werknemer
(klaagster) en de werkgever gestuurd.
5.4 Het college oordeelt als volgt. Vaststaat dat in ieder geval onder de (tweede)
FML, gedateerd
8 april 2025, de naam van de medisch secretaresse vermeld staat en niet de naam
van verweerder. Het
lijkt er wel op dat de handtekening van verweerder onder alle FML’s staat maar dat
heeft het
college niet met zekerheid kunnen vaststellen omdat dit niet aan verweerder gevraagd
kon worden
door zijn afwezigheid tijdens zowel het mondeling vooronderzoek als bij de openbare
zitting. Hoe
dan ook acht het college het aannemelijk dat verweerder geen persoonlijke en actieve
rol heeft
gespeeld bij de vermelding van de naam van de secretaresse onder de FML(’s) maar
dat sprake was van
een systeemfout. Verweerder valt daarvan geen (persoonlijk) tuchtrechtelijk verwijt
te maken en dat
is wel vereist, wil sprake kunnen zijn van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid. Dit
klachtonderdeel is
daarom ongegrond.
Klachtonderdeel b) verweerder heeft geen blijk gegeven van betrokkenheid van de supervisor
of de
eindverantwoordelijke bevoegde bedrijfsarts en c) hij was misleidend over zijn bevoegdheid
als
bedrijfsarts
5.5 Het college begrijpt klachtonderdeel c), gelet op de toelichting daarop in
het klaagschrift,
zo dat verweerder nooit met klaagster heeft gecommuniceerd dat hij arts was, maar
geen
bedrijfsarts.
5.6 Volgens klaagster was er bij het vaststellen van de FML op 25 maart 2025 geen
sprake van
zichtbare betrokkenheid van een superviserend bedrijfsarts, wat volgens haar verplicht
is. Er is
volgens klaagster ook nooit gecommuniceerd dat verweerder bedrijfsarts in opleiding
was en tot slot
is niet gebleken van een supervisor.
5.7 Verweerder voert aan dat in elke terugkoppeling aan klaagster staat dat hij
arts is onder
supervisie van een bedrijfsarts. Voorts voert hij als verweer dat hij wekelijks
met zijn supervisor
overlegt en dat deze wekelijks zijn dossiers doorneemt.
5.8 Het college oordeelt als volgt. Een arts onder supervisie van een bedrijfsarts,
moet een
werknemer actief informeren over zijn hoedanigheid, over wie de verantwoordelijke
bedrijfsarts is,
hoe en wanneer deze bereikt kan worden en dat de werknemer altijd het recht heeft
deze te spreken.
Dat is neergelegd in de “Leidraad delegatie van taken door de bedrijfsarts en supervisie,
versie 26
juni 2025” en het vóór die datum geldende: “Standpunt delegatie van taken door de
bedrijfsarts en
supervisie”. Deze actieve meldplicht staat
overigens ook in artikel 6 van de door verweerder op verzoek van het college in het
geding
gebrachte samenwerkingsovereenkomst. Verweerder heeft niet betwist dat hij klaagster
niet actief
heeft ingelicht. De vermelding van zijn hoedanigheid onder de spreekuur rapportage
is daartoe niet
voldoende. Deze klachtonderdelen zijn gegrond.
Klachtonderdeel d) de FML is met de werkgever gedeeld voordat klaagster hiertoe
inzage had gekregen
5.9 Volgens klaagster had verweerder hem eerst inzage in de FML van 25 maart 2025
moeten geven
voordat hij deze deelde met haar werkgever. Dat omdat verweerder heeft toegezegd
dat de FML niet
met haar werkgever zou worden gedeeld, voordat zij hiermee had ingestemd. De FML
is echter direct
naar haar werkgever gestuurd. Dat heeft volgens klaagster voor grote strubbelingen
met haar
werkgever gezorgd. In de FML was namelijk ten onrechte opgenomen dat klaagster zelfstandig
kon
reizen en 10 uur per week op locatie kon werken. Dat terwijl zij door haar medicatie
niet
zelfstandig kon en mocht reizen en dus ook geen 10 uur per week op locatie kon werken.
5.10 Volgens verweerder is de FML opgemaakt na het contact met klaagster, waarna
deze gelijktijdig
aan werkgever en werknemer is verzonden. Dat is volgens verweerder de gebruikelijke
gang van zaken.
Daarna neemt de arbeidsdeskundige contact op met de werknemer en wordt de FML doorgenomen
en worden
eventuele opmerkingen doorgegeven aan de bedrijfsarts die dan de FML kan aanpassen.
Naar aanleiding
van de opmerkingen van klaagster heeft verweerder de FML aangepast.
5.11 Het college oordeelt als volgt. Vaststaat dat de FML van 25 maart 2025 op de
dag van het
opmaken daarvan is gedeeld met de werkgever van klaagster. Het is geen professionele
norm dat de
(inhoud van de) FML eerst wordt voorgelegd aan de werknemer. Dat hoeft ook niet
omdat de
bedrijfsarts normaal gesproken (tijdens het consult) met de werknemer bespreekt
wat er in de FML
komt te staan en dat dus geen verrassing is voor de werknemer. In dit geval heeft
klaagster echter
gesteld, en verweerder heeft dat niet weersproken, dat hij haar had beloofd de FML,
voordat hij
deze aan de werkgever zou verzenden, eerst aan haar voor zou leggen. In dat geval
dient hij die
toezegging ook na te komen. Dat verweerder die toezegging heeft gedaan, acht het
college overigens
ook aannemelijk omdat klaagster onweersproken heeft gesteld dat verweerder tijdens
de bespreking
van de FML niet alle vragen en antwoorden daarin met haar heeft doorgesproken waardoor
zij niet
(precies) wist wat de inhoud van het advies zou zijn. Meer in het bijzonder wist
zij niet dat in de
FML was opgenomen dat ze kon zelfstandig kon reizen en tien uur per week op locatie
kon werken.
Dit klachtonderdeel is daarom gegrond.
Klachtonderdeel e) de daaropvolgende FML’s heeft verweerder opgesteld zonder consult
en zonder
overleg met klaagster;
5.12 Volgens klaagster zijn deze FML’s opgesteld na haar bezwaren maar zonder hoor
en wederhoor.
5.13 Verweerder voert aan dat de FML’s van 8 april 2025 en 6 mei 2025 zijn opgesteld
naar
aanleiding van de bezwaren van klaagster.
5.14 Naar het oordeel van het college zijn deze twee opvolgende FML’s voldoende met
klaagster
besproken en is dus voldaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. Over de eerste
FML is op 8
april 2025 door verweerder met klaagster gebeld en hebben zij hierover overleg gevoerd.
Deze FML is
dus wel tot stand gekomen na overleg met klaagster. Met betrekking tot de FML van
6 mei 2025 geldt
dat klaagster het eens was met de inhoud ervan en dat die tot stand is gekomen met
inachtneming van
de bezwaren van klaagster tegen de eerdere FML’s, zodat zij voor wat betreft die
laatste FML geen
belang heeft bij dit klachtonderdeel. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel f) privacy en medisch beroepsgeheim geschonden
5.15 Klaagster stelt dat verweerder medische gegevens met derden heeft gedeeld
zonder haar
toestemming.
5.16 Verweerder betwist dit. Hij weet niet op welke gegevens klaagster doelt.
5.17 Het college oordeelt als volgt. Uit niets blijkt dat verweerder zijn beroepsgeheim
heeft
geschonden. De FML’s die zijn gedeeld met de werkgever van klaagster en de terugkoppelingen
aan de
werkgever bevatten geen medische gegevens van klaagster. Dat verweerder de privacy
van klaagster
zou hebben geschonden kan het college evenmin vaststellen omdat klaagster niet duidelijk
heeft
gemaakt welke privacygevoelige informatie verweerder ten onrechte zou hebben gedeeld
met de
werkgever van klaagster. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.18 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klachtonderdelen a, e en f ongegrond
zijn en de
klachtonderdelen b, c, en d gegrond.
Maatregel
5.19 Dan is de vraag welke maatregel gerechtvaardigd is. Naar het oordeel van het
college heeft
verweerder heel basale essentiële zaken, te weten het actief informeren over zijn
hoedanigheid als
arts en de rechten van een werknemer in dat kader, niet goed uitgevoerd. Daarbij
is hij een
belangrijke toezegging betreffende het vooraf toesturen van de FML niet nagekomen.
Dat acht het
college laakbaar. Daarbij komt dat verweerder onvoldoende reflectie toont op zijn
handelwijze en
zich niet toetsbaar heeft opgesteld. Hij heeft zijn handelen niet nader toegelicht,
anders dan dat
hij in zijn brief, die het college op 19 februari 2026 ontving, vermeldt dat hij
de beperkingen
betreffende het vervoer van klaagster in maart anders/beter had moeten inschatten.
Verweerder heeft
afgezien van een mondeling vooronderzoek en is niet (tijdig) ter zitting verschenen.
Vorenstaande rechtvaardigt de maatregel van berisping.
Publicatie
5.20 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere bedrijfsartsen en artsen die onder supervisie van een bedrijfsarts
werken
mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder
vermelding van
namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdelen b, c en d gegrond;
- legt verweerder de maatregel op van berisping;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde.
Deze beslissing is gegeven door E.C. Zandman, voorzitter, T. Dohmen, lid-jurist,
P.E. Rodenburg, R.P. Dammer en R.P.J. Ansem, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
T.G. Nijenkamp, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 26 augustus 2026.