ECLI:NL:TGZRSHE:2026:150 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9149

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:150
Datum uitspraak: 19-08-2026
Datum publicatie: 19-08-2026
Zaaknummer(s): H2025/9149
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen verpleegkundig specialist GGZ. De klacht betreft met name onvoldoende hulp- en zorgverlening rondom incestproblematiek regiebehandelaar. Klager heeft de behandelingen gehad die de instelling hem kon bieden. Geen zorg aan klager onthouden als gevolg van het bereiken van een zorgplafond. Vertrek van verweerster en opvolgend regiebehandelaar is besproken.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 19 augustus 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B], klager,

tegen:


[C],
verpleegkundig specialist GGZ,
destijds werkzaam in [D],
verweerster, hierna ook: de verpleegkundig specialist, gemachtigde: mr. E.H.D. Koppelaar, werkzaam 
in Nieuwegein.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   Vanaf eind 2021 was klager in behandeling bij een instelling voor ambulante geestelijke 
gezondheidszorg (hierna: de instelling) waar verweerster als verpleegkundig specialist GGZ werkzaam 
was. Vanaf het voorjaar van 2023 tot en met augustus 2025 was verweerster de regiebehandelaar van 
klager. In de zomer van 2024 kwam aan het licht dat bij klager in het verleden sprake was geweest 
van incestproblematiek. Klager maakt verweerster diverse verwijten over onvoldoende hulp- en 
zorgverlening, met name in de periode van de zomer van 2024. Daarnaast stelt klager dat hem zorg is 
onthouden als gevolg van het bereiken van het zorgplafond.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  de brief van 31 oktober 2025 van de secretaris aan klager;
-  het klaagschrift, ontvangen op 11 november 2025;
-  de brief van 25 november 2025 van de secretaris aan klager;
-  het verweerschrift, ontvangen per e-mail op 20 januari 2026 en per post op 21 januari 2026;
-  het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 31 maart 2026.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Klager was eind september 2021 door zijn huisarts bij de instelling aangemeld in verband met 
diverse klachten, waaronder depressiviteit, angsten en gevoelens van machteloosheid. De intake vond 
plaats in oktober 2021. Als conclusie/werkhypothese werd geformuleerd (alle citaten voor zover van 
belang en letterlijk weergegeven): “Diagnostisch is er sprake van PTSS, waarschijnlijk in 
combinatie met persoonlijkheidsproblematiek en
mogelijk ASS” en als DSM-classificatie “Posttraumatische stressstoornis (incl. de posttraumatische 
stressstoornis bij kinderen van 6 jaar en jonger): met uitgestelde expressie. Ongespecificeerde 
persoonlijkheidsstoornis”.

3.2   De behandeling van klager startte eind december 2021. Naast verschillende therapieën vond ook 
EMDR-behandeling plaats door een psycholoog (hierna: de EMDR-behandelaar). In de periode vanaf het 
voorjaar 2023 tot en met augustus 2025 was verweerster de regiebehandelaar van klager. In de zomer 
van 2024 kwam tijdens psychologische sessies aan het licht dat sprake was van misbruik door de 
vader van klager toen klager ongeveer 4 tot 6 jaar oud was.

3.3   In de periode van medio september tot en met oktober 2024 zijn er meerdere contactmomenten 
tussen klager en verweerster en ook tussen klager en de EMDR-behandelaar geweest.

3.4   Er vond met klager overleg plaats over een nieuw behandelplan. In de behandelovereenkomst van 
24 oktober 2024 werden behandeldoelen, een behandelvoorstel en aanvullende hulpverlening 
beschreven, waarmee klager instemde. Namens de instelling werd de behandelovereenkomst ondertekend 
door de verpleegkundig specialist in haar hoedanigheid van regiebehandelaar en door een tweede 
behandelaar.

3.5   Op 13 november 2024 stuurde klager een e-mail naar verweerster met de vraag om extra hulp 
vanwege de incestproblematiek: “Ik heb hulp nodig bij dit trauma. Kun jij mij voor dit misbruik 
gaan behandelen?. Kan [tweede behandelaar] dat dan ook doen? Ik heb twee
keer een ja nodig om verder te kunnen. Het wordt voor mij anders ondraaglijk (…), zonder 
duidelijkheid wie mij hiervoor wekelijks behandeld. (…)”.

3.6  Verweerster beantwoordde de e-mail diezelfde dag als volgt:
“ De behandeling is gestoeld op de volgende punten
1. EMDR bij [EMDR-behandelaar] ihkv trauma behandeling
2. Aanvullende behandeling tav omgaan met het trauma en ondersteuning na de EMDR-sessies ligt bij 
[tweede behandelaar]
3. PMT: meer lichaamsgerichte behandeling ihkv trauma: sta je voor op de wachtlijst.
4.  Daarbij is er in overleg met jou een aanmelding gedaan voor de PAAZ voor intensievere 
ondersteuning en behandeling ihkv omgaan met angsten/triggers komend vanuit trauma.
Complementaire begeleiding/hulpverlening:
•  Lotgenoten contact”

3.7   Op 14 november 2024 noteerde de tweede behandelaar in het dossier: “Gesprek over eenzaamheid 
de leegte die hij probeert op te vullen met contact met andere mensen. (…)”

3.8   Klager annuleerde per e-mail vervolgens alle ingeplande afspraken. In zijn toelichting op die 
e-mail verwijst klager onder meer naar zijn gesprek van 14 november 2024 met de tweede 
behandelaar:“ (…) De extra begeleiding kwam van het [tweede behandelaar] en dat gesprek ging over 
dat ik moest gaan leren niet de hulpverlening te gebruiken voor bijvoorbeeld mijn eenzaamheid. Deze 
beeldvorming, is gekomen van iemand die mij langer kent en begeleidt, en dat zal [verweerster] 
zijn. De opmerkingen van “wij blijven angstige afhankelijkheid niet in stand houden en je kunt de 
hulpverlening niet gebruiken ter opvulling van je eenzaamheid vond ik verschrikkelijk, niet sociaal 
en het tegenovergestelde van veiligheid bieden tijdens de hulpverlening in de shock fase bij het 
uitkomen van het misbruik in mijn jeugd. (…) Ik wil U verzoeken alle afspraken vanaf 20 November te 
annuleren en mijn huisarts te informeren dat het behandelplan niet meer af te maken is door 
bovengenoemde redenen.”

3.9  Eind november 2024 kwam de behandeling van klager weer op gang.


3.10  Op 25 maart 2025 noteerde de EMDR-behandelaar in het dossier:“ Besproken dat we nu vervolgen 
om de twee weken. [klager] vraagt waarom. Hij vraagt of ik het druk heb: ja dat ook en ook kort 
uitgelegd dat [instelling] een instantie is die geen intensieve behandelingen biedt en dan niet 
goed uitkomt met de betalingen van de zorgverzekeraar. Dat we tijdelijk kunnen opschalen indien 
nodig maar dat nu eens per twee weken ook redelijk en haalbaar is Dat herkent hij. Hij bespreekt 
zijn spanning: of dit niet betekent dat we moeten stoppen, besproken dat de behandeling 
vanzelfsprekend een keer stopt, maar dat dit nu niet aan de orde is.”

3.11  Ook noteerde de EMDR-behandelaar over het evaluatiegesprek met klager en
zijn echtgenote, op 29 juli 2025: “De behandeling stopt bij [verweerster] ivm haar vertrek bij de 
[instelling] en er komt geen andere behandelaar voor haar in de plek. Dat vindt [klager] vervelend. 
Het roept ook gedachten bij hem op als: Hoe zit het met het zorgkostenplafond en waarom ben ik daar 
niet eerder over geïnformeerd. Hij voelt zich sinds dat zijn incest uitkwam
niet goed door de [instelling] gesteund, zijn hulpvraag is groter dan de [instelling] bieden kon.”


3.12  De EMDR-behandelaar noteerde eveneens op 29 juli 2025 dat na het vertrek van verweerster een 
psychiater de regiebehandelaar van klager zou zijn.

3.13  Na het vertrek van verweerster in augustus 2025 heeft klager op 2 september 2025 zijn lopende 
EMDR-behandeling gestopt en de behandelingsovereenkomst met de instelling werd op zijn verzoek 
beëindigd. De EMDR-behandelaar schrijft daarover in het dossier: “We nemen afscheid: wel met een 
dubbel gevoel omdat ik liever [klager] anders had overgedragen en ook op een andere manier. Maar 
hij gaat met de huisarts verder kijken naar mogelijkheden voor vervolgbehandeling. Aangegeven dat 
hij altijd nog mag bellen voor advies of vragen.”

3.14  In de brief van 9 september 2025 aan de huisarts van klager, gezamenlijk ondertekend door de 
EMDR-behandelaar, de psychiater en verweerster, staat vermeld: “Betreft: verwijzing i.v.m. overname 
behandeling” (…) Toch is er meer nodig (dan [instelling] op dit moment dhr. bieden kan). (…) We 
zijn zoekend naar een juiste behandelvorm en juiste instelling, we denken op dit moment aan (…). In 
de zoektocht naar een passend vervolgtraject is het belangrijk rekening te houden met dhr.’s 
kwetsbaarheid: (…). Dhr. is zijn vertrouwen in de GGZ kwijtgeraakt o.a. doordat hij van 
[instelling] in de periode dat het incest voor hem opleefde helaas onvoldoende zorg 
ervaarde/aangeboden kreeg. Er hebben in de afgelopen periode verschillende verwijzingen 
plaatsgevonden maar steeds lijkt de aangeboden behandelmogelijkheid voor dhr. niet voldoende 
passend. (…) Per augustus is zijn regiebehandelaar en verpleegkundig specialist vertrokken bij 
[instelling] en wordt dhr. voor deze zorg terugverwezen naar de huisarts. (…) de behandelgesprekken 
zijn
dd. 2 september afgerond.”


4. De klacht en de reactie van de verpleegkundig specialist
4.1  Klager verwijt de verpleegkundig specialist, in haar functie van regiebehandelaar, dat zij:
1) klager hulp en begeleiding heeft onthouden bij het uitkomen van de incestproblematiek in de 
zomer van 2024, vanwege het bereiken van het zorgplafond;
2) klager niet heeft geïnformeerd over het reeds bereikte zorgplafond in 2024 en klager in de zomer 
van 2024 aan zijn lot heeft overgelaten door het afromen van afspraken;
3) klager niet heeft behandeld en klager niet heeft begeleid naar een behandeling voor de 
incestproblematiek en de daardoor toegenomen hulpvraag die duidelijk werd in augustus 2024. Dit 
heeft klager bijna zijn leven gekost;
4) klager geen structurele hulp heeft geboden, ook niet nadat de tweede behandelaar klager onheus had bejegend. Onder druk van de EMDR-behandelaar zijn gesprekken voor klager ingepland bij twee verschillende behandelaren. Dit was voor klager ontoereikend omdat klager voor de incestproblematiek langdurige zorg bij één behandelaar nodig had, namelijk verweerster, die zich hiervoor niet beschikbaar stelde en geen structurele hulp regelde;
5) het zorgplafond de reeds lopende trajecten liet beïnvloeden;
6) bij het vertrek van verweerster heeft geweigerd voor een opvolgende regiebehandelaar te zorgen, terwijl klager zijn zorgvragen duidelijk had uitgelegd in zijn e-mail van 17 juli 2025;
7) pas na vier jaar behandeling, bij het vertrek van verweerster en het vertrek van klager uit de instelling, klager informeerde dat de instelling niets meer voor klager kon betekenen;
8) klager heeft weggeloodst door klager te verwijzen naar een andere instelling en de PAAZ, net na het uitkomen van het incestverleden van klager. Verweerster heeft klager verwezen naar onbekwame en ongeschoolde derden. De PAAZ voerde geen ambulante zorg uit;
9) de zorgvraag van klager in zijn e-mail van 13 november 2024 heeft genegeerd door niet daarop te reageren;
10) klager niet informeerde over het zorgplafond waardoor er geen goede hulpverlening mogelijk was, klager pijn werd gedaan en dom werd gehouden over het bereiken van het budgetplafond;
11) klager verbood om in het weekend contact op te nemen voor spoedklachten met verweerster.

4.2  De verpleegkundig specialist heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de verpleegkundig specialist de zorg heeft verleend die van haar verwacht 
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundig 
specialist. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verpleegkundig specialist 
geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2  Het college oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

De klachtonderdelen 1), 2), 5) en 10)
5.3  Het college zal deze klachtonderdelen gezamenlijk bespreken omdat ze het zorgplafond 
betreffen.

5.4   Samengevat luidt de klacht van klager dat verweerster hem niet heeft geïnformeerd over het 
bereiken van het zorgplafond, en dat zij klager goede hulpverlening en begeleiding
heeft onthouden vanwege het bereiken van zorgplafond, meer in het bijzonder bij het uitkomen van de 
incestproblematiek in de zomer 2024.

5.5   Verweerster betwist de klachtonderdelen en stelt - samengevat - dat aan klager nooit zorg is 
onthouden. Klager heeft de behandelingen gehad die de instelling hem kon bieden. In de zomer van 
2024 is de zorg juist opgeschaald. De financiële situatie van de instelling is nooit een 
beweegreden geweest voor wijzigingen in het behandelplan van klager. Er was dan ook geen reden om 
klager over een zorgplafond te informeren.

5.6   Het college kan niet vaststellen dat aan klager zorg is onthouden als gevolg van het bereiken 
van een zorgplafond. Nog daargelaten dat klager zijn stellingen niet of onvoldoende heeft 
onderbouwd en verweerster deze stellingen gemotiveerd betwist heeft, biedt het dossier daarvoor ook 
geen enkel aanknopingspunt. Daarentegen wordt het standpunt van verweerster door het dossier 
ondersteund: gelet op de complexe problematiek van klager, heeft hij de behandelingen gekregen die 
de instelling hem kon bieden. Bovendien werd de aandacht en zorg voor klager juist opgeschaald, 
toen de incestproblematiek in de zomer van 2024 naar voren kwam.

5.7   Het zorgplafond betreft uitsluitend een financiële afrekening van de zorgverzekeraar met het 
oog op de kosten van de instelling. Het al dan niet bereiken van een zorgplafond heeft geen invloed 
op de (beslissingen in de) behandelingen en hoeft alleen al om die reden niet met een cliënt 
besproken te worden. Verweerster hoefde klager dan ook niet te informeren. Het feit dat de 
EMDR-behandelaar in een gesprek in maart 2025 kort ‘de betalingen van de zorgverzekeraar’ heeft 
aangestipt (alinea 3.10) en ook in juli 2025 noteerde dat klager vragen stelde over een 
‘zorgplafond’ (alinea 3.11) maakt dit oordeel niet anders. Verweerster treft geen tuchtrechtelijk 
verwijt. De klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.

De klachtonderdelen 3), 4), 8), 9) en 11)
5.8  Het college zal deze klachtonderdelen gezamenlijk bespreken omdat ze de zorgverlening aan 
klager betreffen.

5.9   Samengevat luidt de klacht van klager dat hij onvoldoende hulp, begeleiding en behandeling 
heeft ontvangen, in het bijzonder met betrekking tot de incestproblematiek.

5.10  Verweerster betwist de klachtonderdelen. Zij stelt - samengevat - dat zij aan al haar 
verplichtingen jegens klager heeft voldaan.

5.11  Ook deze klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond. Het college stel allereerst vast dat 
klager een zeer kwetsbare cliënt was en dat sprake was van een complexe en intensieve behandeling. 
Naar het oordeel van het college heeft verweerster voldoende zorg en aandacht voor klager en zijn 
problematiek gehad en was het beleid van verweerster navolgbaar. Zoals in alinea 5.6 al is overwogen,
volgt uit het dossier dat klager de behandelingen kreeg die de 
instelling hem kon bieden en dat met het oog op de incestproblematiek de aandacht en zorg voor 
klager juist werd opgeschaald. Een en ander staat bovendien duidelijk omschreven in de 
behandelovereenkomst van 24 oktober 2024. De beslissingen van verweerster in het gehele 
behandeltraject zijn naar het oordeel van het college helder en navolgbaar. De redenen voor de 
verwijzingen naar de PAAZ of andere instellingen zijn in het dossier genoteerd en ook navolgbaar. 
Het getuigt juist van goed hulpverlenerschap om andere vormen van hulpverlening te zoeken en aan te 
dragen, als de problematiek van de cliënt (in dit geval klager) groter is dan de instelling kan 
bieden. Tot slot volgt uit het dossier dat verweerster vaak buiten werktijd ófwel zelf voor klager 
beschikbaar was, dan wel klager alternatieven aanbood voor hulp. Zij stelde klager zelfs in de 
gelegenheid haar via WhatsApp te benaderen in het weekend, als dat klager zou helpen om te spuien. 
Verweerster gaf daarbij wel aan dat zij geen verplichting had om daarop in haar vrije tijd te 
reageren.
Desondanks reageerde ze regelmatig wel op zijn appjes. Het college kan niet anders dan vaststellen 
dat verweerster zorgvuldig heeft gehandeld. Haar treft dan ook geen enkel tuchtrechtelijk verwijt. 
Dat klager zich kennelijk teleurgesteld voelde in de behandeling en dat in de loop van de tijd 
andere problemen naar voren kwamen die bij aanvang niet duidelijk waren, maakt dit oordeel niet 
anders.

De klachtonderdelen 6) en 7)
5.12  Het college zal deze klachtonderdelen gezamenlijk bespreken omdat ze de gang van zaken bij 
het vertrek van verweerster betreffen.

5.13  Klager stelt dat verweerster heeft geweigerd een opvolgend regiebehandelaar te regelen en dat 
zij pas bij het vertrek van klager uit de instelling, hem informeerde dat de instelling niets meer 
voor klager kon betekenen.

5.14  Verweerster betwist deze klachtonderdelen en geeft aan dat zij heeft voldaan aan al haar 
verplichtingen. Bovendien is al in een eerder stadium gesproken over doorverwijzing van klager naar 
andere instellingen om hem met de behandeling verder te helpen.

5.15  Het college volgt klager niet in zijn stellingen. Allereerst is het niet aan verweerster maar 
aan de instelling om te bepalen wie de opvolgend regiebehandelaar wordt. Uit het dossier volgt dat 
de EMDR-behandelaar al in juli 2025 aan klager heeft doorgegeven dat verweerster zou vertrekken en 
dat een psychiater de opvolgend regiebehandelaar zou zijn. Van een weigering een opvolgend 
regiebehandelaar te regelen, is dan ook geen sprake.

5.16  Daarnaast staat vast dat verweerster pas in het voorjaar 2023 als regiebehandelaar bij de 
behandeling van klager betrokken raakte. Over de periode daarvoor kan verweerster niet 
verantwoordelijk worden gehouden. Uit de dossieraantekeningen volgt dat verweerster al ten tijde 
van het opstellen van de behandelovereenkomst van 24 oktober 2024 en ook in februari 2025 met 
klager gesproken heeft over doorverwijzing naar andere instellingen (zie ook alinea 5.11).
Dat klager hierover pas na zijn vertrek uit de instelling (daags na het vertrek 
van verweerster) is geïnformeerd, is dan ook onjuist. Verweerster kan geen tuchtrechtelijk verwijt 
worden gemaakt. Ook deze klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.17  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond 
zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door R.A. Steenbergen, voorzitter, A. Petiet en M. IJzerman, 
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.W.M. Hillenaar secretaris, en in het openbaar uitgesproken 
op 19 augustus 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.