ECLI:NL:TGZRSHE:2026:149 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025-8547

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:149
Datum uitspraak: 19-08-2026
Datum publicatie: 19-08-2026
Zaaknummer(s): H2025-8547
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen kno-arts in verband met uitgebrachte expertise. Rapportage voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld. De kno-arts heeft de voor het onderzoek bepaalde  normaalwaarde niet genegeerd en geen gebruik gemaakt van verkeerde cijfers.  De kno-arts heeft op concrete, inzichtelijke en wetenschappelijk onderbouwde wijze beschreven hoe hij tot zijn conclusies is gekomen.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 19 augustus 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B], klager,

tegen


[C],
psychiater, werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de psychiater.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   Klager werd verdacht van het plegen van een strafbaar feit. De officier van justitie gaf aan 
de psychiater de opdracht om onderzoek te doen en een pro Justitia-rapport over klager op te 
stellen. Klager heeft zijn medewerking aan het onderzoek geweigerd. De psychiater stelde wel een 
rapportage op. Klager verwijt de psychiater dat hij op basis van onjuist onderzoek een onjuiste 
rapportage heeft opgesteld. Daarnaast verwijt hij de psychiater dat de rapportage niet met klager 
is besproken of aan hem is toegestuurd, waardoor klager geen gebruik heeft kunnen maken van zijn 
correctierecht. Ook verwijt hij de psychiater dat het rapport aan de behandelend psychiater van 
klager is toegestuurd.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift, ontvangen op 28 mei 2025;
-  de brief van 7 juli 2025 van de secretaris aan klager;
-  de aanvulling op het klaagschrift, ontvangen op 18 augustus 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 september 2025;
-  de repliek, ontvangen op 6 november 2025;
-  de dupliek met de bijlagen, ontvangen op 8 december 2025.


2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Klager werd verdacht van het plegen van een strafbaar feit. In verband daarmee was hij korte 
tijd gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC) van een Penitentiaire Inrichting 
(PI). De officier van justitie gaf de psychiater, samen met een andere psychiater, de opdracht om 
onderzoek te doen, een pro-Justitia rapportage over klager op te stellen en de vragen van de 
officier van justitie te beantwoorden.

3.2   In het rapport staat vermeld dat klager verdacht wordt van (alle citaten voor zover van 
belang en ongecorrigeerd weergegeven): “stalking van zijn ex-vrouw (en hun kinderen) door meermaals 
naar haar woning te gaan en aan te bellen, berichten in te spreken bij de deurbel, waarbij hij ook 
messen in zijn tas had”.

3.3   In het rapport wordt de vraagstelling van de officier van justitie - voor zover van belang - 
als volgt beantwoord:
“ 0   Als betrokkene weigert onderzocht te worden, tot welke overwegingen van de onderzoeker geeft 
die weigering aanleiding?
Betrokkene weigert mee te werken aan het onderzoek en onze indruk is dat dit gebeurt op grond van 
diens psychiatrisch toestandsbeeld. Gevolg is dat we op onderstaande vragen slechts beperkt 
antwoord kunnen geven maar naar beste eer en geweten toch genoeg informatie hebben verzameld op een 
advies te geven. (…) We menen dat betrokkene vermoedelijk lijdend is aan een psychotische stoornis 
(…)
1. Is onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de 
geestvermogens (geestesstoornis) en zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?
Er is een sterk vermoeden dat betrokkene lijdt aan een psychotische stoornis.
2. Hoe was dit ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde?
Het is vermoedelijk zo dat betrokkene ook ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een 
psychotische stoornis.
3. Beïnvloedde de eventuele psychische stoornis (…) onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten 
tijde van het ten laste gelegde?
Het is waarschijnlijk dat de vermoedelijke psychotische stoornis voor een belangrijke deel de 
gedragskeuzes van betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde bepaalde.
4. Zo ja, kunt u dan gemotiveerd aangeven:
a. op welke manier dat gebeurde
We kunnen hier alleen in het algemeen aangeven dat de psychose zorgde voor een zekere gedragsmatige 
ontremming.
b. of dit leidt tot het advies om het ten laste gelegde in een verminderde mate dan wel in het 
geheel niet toe te rekenen, en
Daar betrokkene ons geen inzicht heeft gegeven over zijn beweegredenen van het gedrag (…), kunnen 
wij geen uitspraak doen over de mate van toerekeningsvatbaarheid.
(…)
5. a. Welke verwachting heeft u, gelet op de hiervoor beschreven stoornis, ten aanzien van het 
risico op recidive?
Indien betrokkene daadwerkelijk lijdt aan een psychotische kwetsbaarheid dan wel een bipolaire 
stoornis dan zijn dit veelal chronische aandoeningen en zal bij een psychische decompensatie 
eenzelfde falen in de zelfsturing kunnen optreden, althans indien betrokkene hiervoor niet actief 
behandeld wordt, dan wel indien de behandeling niet goed aanslaat.
b. Welke beschermende functies in de persoonlijkheid of het functioneren dienen hierbij in 
overweging te worden genomen?
Dit is gegeven de weigering om mee te werken niet goed aan te geven. Adequate 
persoonlijkheidsdiagnostiek kon niet verricht worden.
c. Welke contextuele, situatieve of andere condities dienen hierbij in overweging te worden 
genomen?
Dit is evenmin goed aan te geven. Van belang is dat er een ontbrekend ziekte-besef en 
ziekte-inzicht is waardoor een of andere vorm van dwangbehandeling op enig moment noodzakelijk 
wordt.
6. a. Welke aanbevelingen (…) zijn te doen voor interventies die het eventuele recidivegevaar 
kunnen beperken?
Voor zover onze informatie reikt kunnen we stellen dat het recidivegevaar zonder behandeling groot 
is. (…)
(…)
14. Bespreking met de betrokkene
We hebben telefonisch en via een sms-bericht getracht contact te krijgen met betrokkene om het 
huidige rapport te kunnen bespreken. Het is echter niet tot een contact gekomen. De aanbevelingen 
in dit rapport zijn niet met betrokkene besproken. (…)”

4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1  Klager verwijt de psychiater:
1) dat hij op basis van een ongeschikt onderzoek een onjuiste pro Justitia-rapportage over klager 
heeft opgesteld. Meer specifiek klaagt klager erover dat:
a) in het rapport ervan wordt uitgegaan dat sprake is van stalking;
b) een rapportage is opgesteld, ondanks dat klager zijn medewerking aan het onderzoek weigerde;
c) ondanks de beperkte informatie, te stellige conclusies zijn getrokken;
d) in het rapport geen beschrijvende diagnose, geen DSM-classificatie en geen 
risicotaxatie-instrument is opgenomen;
e) de keuze van hetero-anamnestische bronnen ongelukkig was en dat de bronnen niet zorgvuldig 
gewogen zijn;
2) dat klager er niet van op de hoogte was dat er toch een rapportage was geschreven; verweerder 
heeft de rapportage niet met klager besproken, noch aan hem toegestuurd, waardoor klager geen 
gebruik van zijn correctierecht heeft kunnen maken.
3) een kopie van de rapportage aan de behandelend psychiater van klager is gestuurd en zo in het 
medisch dossier van klager is gekomen.
4.2   De psychiater heeft verweer gevoerd en het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3   Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.


5.  De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De 
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden, waaronder de richtlijn Psychiatrisch onderzoek en rapportage in strafzaken (2012) van 
de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP), de richtlijn van het Nederlands Register 
Gerechtelijk Deskundigen (NRGD) en de gedragscode voor pro Justitia-rapporteurs.

5.2   Daarnaast zijn er eisen die volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor 
de Gezondheidszorg (CTG) aan een rapportage worden gesteld:
1) het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2) het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling 
te beantwoorden;
3) in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de 
conclusies van het rapport steunen;
4) het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en 
de geconsulteerde personen;
5) de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.


5.3   Het college toetst ten volle of het onderzoek door verweerder uit het oogpunt van 
vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien 
van de conclusie van de rapportage wordt beoordeeld of verweerder in redelijkheid tot zijn 
conclusie heeft kunnen komen. Het college toetst uitdrukkelijk niet of verweerder
tot een andere conclusie had moeten komen. Het college toetst evenmin of het rapport 
beter geschreven had kunnen worden.

5.4  Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdeel 1) ongeschikt onderzoek en onjuiste rapportage
5.5   Het college begrijpt dit klachtonderdeel aldus, dat volgens klager de inhoud van het rapport 
niet voldoet aan de onder 2) en 3) genoemde criteria zoals vermeld in alinea 5.2. Als onderbouwing 
van dit klachtonderdeel voert klager specifiek aan dat:
a) stalking: er is sprake van een vooringenomen standpunt;
b) rapportage ondanks weigering tot medewerking: er zijn conclusies getrokken die niet te trekken 
zijn;
c) stellige conclusies ondanks beperkte informatie: in het rapport wordt weliswaar benoemd dat er 
onvoldoende informatie is om een conclusie te kunnen trekken en de vragen te beantwoorden, maar 
desondanks worden de vragen toch stellig beantwoord;
d) ontbreken van beschrijvende diagnose, DSM-classificatie en risicotaxatie-instrument: eerst wordt 
gesteld dat dat er onvoldoende informatie is om de vragen te beantwoorden, maar vervolgens worden 
de vragen wel beantwoord met gebruik van de termen psychose en stalking en het verhoogde 
recidive-risico;
e) hetero-anamnese en (on)afhankelijkheid: de informatiebronnen zijn niet zorgvuldig en transparant 
weergegeven.

5.6  De psychiater heeft de stellingen gemotiveerd betwist en voert aan dat:
a) stalking: de term stalking betreft een weergave van terminologie die afkomstig is uit de door de 
officier van justitie aangeleverde stukken;
b) rapportage ondanks weigering tot medewerking: de weigering van een onderzochte om medewerking te 
verlenen, ontheft de deskundige niet van zijn wettelijke en forensische taak om te rapporteren. Het 
opstellen van een rapport ondanks een weigerende verdachte is in overeenstemming met de geldende 
gedragscode voor pro Justitia-rapporteurs;
c) stellige conclusies ondanks beperkte informatie: over de diagnostiek zijn voorzichtige 
uitspraken gedaan en zeker niet stellige conclusies;
d) ontbreken van beschrijvende diagnose, DSM-classificatie en risicotaxatie-instrument: het 
achterwege laten van deze onderdelen was een bewuste en professioneel verantwoorde keuze. Er is 
gekozen voor een meer terughoudende formulering, waarin de beperkingen expliciet zijn genoemd;
e) hetero-anamnese en (on)afhankelijkheid: de informatiebronnen zijn in het rapport zorgvuldig en 
transparant weergegeven. De mate van onafhankelijkheid van derden ligt buiten de invloedssfeer van 
de deskundige.

5.7  a) stalking
Het college stelt vast dat de in het rapport gebruikte term ‘stalking’ geen conclusie van verweerder is,
maar een weergave betreft van door derden gebruikte terminologie. Deze terminologie 
komt voor in de door verweerder geraadpleegde gerechtelijke stukken, waaronder het proces-verbaal 
van de politie en het reclasseringsadvies van 10 februari 2023. Ook komt deze term voor in de 
voorlopige conclusie van het NIFP Plaatsings- en PJ onderzoek advies van 3 februari 2023. Van een 
vooringenomen standpunt is dan ook geen sprake. In zoverre is dit klachtonderdeel kennelijk 
ongegrond.

5.8  b) rapportage ondanks weigering tot medewerking
Het college volgt klager niet in zijn stelling dat verweerder geen rapport had kunnen opstellen 
vanwege het feit dat klager weigerde mee te werken aan het onderzoek. Klager heeft de 
informatiefolder van het NIFP ontvangen en daarin is uitvoerig de gang van zaken met betrekking tot 
de psychologische en psychiatrische rapportage in strafzaken toegelicht. In deze informatiefolder 
wordt ook aandacht besteed aan het al dan niet (willen) meewerken aan het onderzoek. Verweerder 
heeft, geheel in lijn met zijn wettelijke opdracht en de voor hem geldende gedragscode, het rapport 
opgesteld. In dit rapport legt verweerder duidelijk uit waarom klager niet aan het onderzoek wenste 
mee te werken en wat de consequenties daarvan voor het onderzoek zijn. Gelet op de aan klager 
gegeven informatie kon hij weten dat ook bij het niet meewerken aan het onderzoek, een rapport 
wordt opgesteld. Ook in dit opzicht is dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond.

5.9  c) stellige conclusies ondanks beperkte informatie
Het college kan niet vaststellen dat verweerder in zijn rapportage onnodig stellige conclusies 
heeft getrokken. Verweerder heeft door toedoen van klager slechts beperkt onderzoek kunnen doen en 
maakt in zijn rapportage dan ook het nodige voorbehoud ten aanzien van de mogelijke conclusies. De 
uitspraken die verweerder doet, zijn met de nodige bescheidenheid geformuleerd, wat onder meer 
blijkt uit het gebruik van de woorden/zinnen: ‘vermoedelijk’, ‘vermoeden’, ‘waarschijnlijk’, ‘we 
kunnen hier alleen in het algemeen aangeven’, ‘indien betrokkene daadwerkelijk lijdt aan’ en ‘voor 
zover onze informatie reikt’. Ook op dit punt is het klachtonderdeel kennelijk ongegrond.

5.10  d) ontbreken van diagnose, DSM-classificatie en risicotaxatie-instrument
Het college begrijpt de klacht aldus dat verweerder ten onrechte in de rapportage op verschillende 
punten de term psychose en stalking gebruikt, terwijl er geen diagnose is gesteld of een 
DSM-classificatie is gegeven. Volgens klager is dit daarom inconsequent. Het college oordeelt als 
volgt. Het is juist dat verweerder geen diagnose heeft gesteld, noch heeft geconcludeerd tot een 
DSM-classificatie. Op basis van zijn beperkte onderzoek, kon verweerder dergelijke conclusies ook 
niet trekken, noch in het rapport opnemen. Het ontbreken van dergelijk onderzoek leidt er niet 
ertoe dat verweerder bepaalde termen in het geheel niet mag gebruiken of daar niet naar zou mogen 
verwijzen. Zoals hiervoor reeds is geoordeeld, heeft verweerder met de nodige voorzichtigheid en 
omzichtigheid conclusies weergegeven. Dat er in het geheel geen conclusies zouden kunnen worden 
getrokken, is evenwel onjuist. Naar het oordeel van het college zijn de conclusies in het licht van 
de beperkte informatie, navolgbaar. Ook daarom is dit klachtonderdeel in zoverre kennelijk ongegrond.

5.11  e) hetero-anamnese
Voor dit onderdeel is de NVvP-richtlijn ‘Psychiatrisch onderzoek en rapportage in strafzaken’ van 
belang. Verweerder heeft, geheel in lijn met de richtlijn, de informatiebronnen zorgvuldig en 
transparant weergegeven. Een heteroanamnese is naar haar aard nooit volledig onafhankelijk. De mate 
van onafhankelijkheid van derden ligt dan ook buiten de invloedssfeer van de deskundige. Dat laat 
overigens onverlet dat verweerder deze kennis mag betrekken in zijn conclusies. Ook in zoverre is 
het klachtonderdeel kennelijk ongegrond.

5.12  Gelet op de overwegingen 5.7 tot en met 5.11 is het college dan ook van oordeel dat de 
rapportage voldoet aan de eisen zoals vermeld onder 5.2. In het rapport wordt duidelijk beschreven 
hoe het onderzoek is verlopen, welke informatie uit de beschikbaar gestelde gerechtelijke stukken 
is bestudeerd, op welke onderwerpen geen medewerking van klager werd verkregen en welke informatie 
van derden in het onderzoek is betrokken. Daarnaast is gerapporteerd over diverse onderwerpen als 
“Gezondheids- en verslavingsanamnese”, “Speciële pschiatrische anamnese”, “Houding ten opzichte van 
het ten laste gelegde”, “Psychiatrisch onderzoek in engere zin” en Differentiaal diagnostische 
overwegingen” en “Forensisch psychiatrische beschouwing”. Tot slot is de vraagstelling van de 
officier van justitie beantwoord. Het college is van oordeel dat de conclusies in de rapportage 
navolgbaar zijn. Klachtonderdeel 1) is kennelijk ongegrond.

5.13  Voor zover klager ook had bedoeld te klagen dat het rapport niet zou voldoen aan de onder 1), 
4) en 5) genoemde criteria, is deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Het college is 
overigens van oordeel dat het rapport ook aan deze criteria voldoet.

Klachtonderdeel 2) geen toezending rapport en geen correctierecht, en klachtonderdeel 3) toezending 
rapport aan de behandelend psychiater
5.14  Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.


5.15  Klager stelt dat het rapport niet met hem besproken is, dat hij het rapport niet ontvangen 
heeft en dat hij daardoor geen gebruik heeft kunnen maken van zijn correctierecht. Daarnaast stelt 
hij dat het rapport wel is toegezonden aan zijn behandelend psychiater.

5.16  Verweerder betwist de beide klachtonderdelen en voert aan dat klager herhaaldelijk is 
uitgenodigd om kennis van het rapport te nemen en daarmee gebruik te maken van zijn inzage- en 
correctierecht, maar dat klager niet op deze uitnodigingen heeft gereageerd. Verweerder heeft het 
rapport niet aan de behandelend psychiater verstrekt. Verweerder was destijds niet eens op de 
hoogte van de identiteit van deze psychiater.

5.17  Het college is van oordeel dat de beide klachtonderdelen door klager onvoldoende zijn 
onderbouwd. Daar tegenover staat de gemotiveerde betwisting ervan door verweerder. Het college kan 
daarom niet kan vaststellen dat het aan verweerder te wijten is dat klager het rapport niet 
ontvangen heeft. Evenmin kan het college vaststellen dat verweerder het rapport aan de behandelend 
psychiater zou hebben gestuurd. Beide klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.18  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond 
zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 19 augustus 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, 
voorzitter, R.J.M. Lardinois en A.E. van ‘t Hoog, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.W.M. 
Hillenaar, secretaris.