ECLI:NL:TGZRSHE:2026:142 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8872

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:142
Datum uitspraak: 05-08-2026
Datum publicatie: 05-08-2026
Zaaknummer(s): H2025/8872
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen oogarts. Er was geen sprake van een weigering van zorg door de oogarts, omdat het ziekenhuis klager steeds een afspraak bij een andere oogarts had aangeboden. Ook is het recht op vrije artsenkeuze niet geschonden, omdat dit geen verplichting voor een individuele arts inhoudt om iedere patiënt te behandelen. Voor zover de klacht betrekking heeft op het handelen van het ziekenhuis of de bestuurder, kan de oogarts daarvoor niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk worden gehouden.

H2025/8872

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH


Beslissing in raadkamer van 5 augustus 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
gemachtigde: mr. C.A.M.J.M. Joosten, werkzaam in Utrecht,

tegen

[C],
oogarts,
werkzaam in [D],
verweerster,
gemachtigde: mr. E.A. Kadijk, werkzaam in Venlo.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager verwijt verweerster – kort gezegd – dat zij hem ten onrechte heeft geweigerd te behandelen, zijn recht op vrije artsenkeuze heeft geschonden, geen passende herstelmaatregelen heeft genomen en daarmee schade heeft veroorzaakt en zijn eer en goede naam heeft aangetast.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 5 augustus 2025;
- de bijlagen, ontvangen op 16 oktober 2025;
- de brief van de secretaris aan de gemachtigde van klager van 24 oktober 2025;
- het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 13 november 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 16 januari 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 16 maart 2026.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Verweerster is oogarts in loondienst bij [universitair medisch centrum]. Het [ziekenhuis] (hierna te noemen: het ziekenhuis) is een dochteronderneming van het [universitair medisch centrum].
3.2 Klager is in oktober 2023 door zijn huisarts vanwege oogproblematiek doorverwezen naar het ziekenhuis, maar niet naar een specifieke oogarts. De polikliniek oogheelkunde van het ziekenhuis heeft klager uitgenodigd voor twee afspraken. In een e-mail van 25 november 2023 reageerde klager daarop dat hij zich niet kon vinden in de eenzijdig ingeplande afspraken. Hij wenste een afspraak bij [oogarts 2] op woensdag-, donderdag- of vrijdagmiddag op of na 13:30 uur. Dit was echter niet mogelijk.
3.3 In e-mails van 17 april en 17 mei 2024 liet klager opnieuw aan de polikliniek oogheelkunde weten dat hij graag een afspraak zou maken bij [oogarts 2], liefst eind augustus of anders eind juli op woensdag-, donderdag- of vrijdagmiddag op of na 14:00 uur.
3.4 In een e-mail van 22 mei 2024 heeft de polikliniek oogheelkunde laten weten dat binnen de door klager gestelde kaders geen afspraak kon worden gemaakt bij [oogarts 2]. Ook een afspraak bij verweerster was niet mogelijk. Haar poli-assistente (die daarover geen afstemming had gehad met verweerster) berichtte klager dat verweerster geen behandelovereenkomst met klager wenste aan te gaan.
3.5 Klager heeft over de gang van zaken zijn onvrede geuit. De klachtenfunctionaris van het ziekenhuis heeft klager in een e-mail van 28 mei 2024 uitgelegd dat geen sprake was van een formele weigering door verweerster, maar dat op basis van de gevraagde data en tijden ook bij verweerster geen afspraak kon worden gemaakt. De klachtenfunctionaris besprak met de gemachtigde van klager de mogelijkheid van een gesprek met de bestuurder van het ziekenhuis. Klager liet op 16 juli 2024 weten dat hij een gesprek niet meer mogelijk achtte. Klager kondigde aan verweerster te dagvaarden en een tuchtklacht in te dienen.
3.6 In een brief van 2 september 2024 heeft de gemachtigde van klager het ziekenhuis verzocht om opnieuw in contact te komen om een afspraak in te plannen.
3.7 In een brief van 16 september 2024 heeft de bestuurder van het ziekenhuis de gemachtigde van klager geïnformeerd dat klager gerust telefonisch contact kan opnemen met de polikliniek oogheelkunde om een afspraak te maken bij [oogarts 2]. Een afspraak bij verweerster achtte de bestuurder van het ziekenhuis niet raadzaam, omdat klager inmiddels aangifte had gedaan tegen haar.
3.8 Op 16 juli 2024 liet klager weten dat hij de aangifte niet intrekt, de procedures tegen verweerster voortzet en ook acties inzet jegens de bestuurder van het ziekenhuis. In een brief van 20 februari 2025 heeft de gemachtigde van klager aangegeven zich niet te kunnen verenigen met het aanbod van verweerder. Klager wenst formeel excuses en een geldelijke vergoeding. De beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis heeft de aansprakelijkheid afgewezen.
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klager verwijt verweerster:
a) structurele weigering van zorg zonder deugdelijke motivering;
b) schending van het recht op vrije artsenkeuze
c) het nalaten van het nemen van herstelmaatregelen;
d) gedragingen die hebben geleid tot schade en aantasting van de eer en goede naam van klager.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht de klacht (kennelijk) ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende oogarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) structurele weigering van zorg zonder deugdelijke motivering
5.2 Klager heeft erop gewezen dat hij zonder zorgvuldige toelichting of medisch inhoudelijke reden werd uitgesloten van behandeling door verweerster. Volgens de regels van de KNMG mag een zorgverlener een patiënt enkel weigeren als daar gewichtige redenen voor zijn en als deze weigering duidelijk wordt gecommuniceerd met verwijzing naar alternatieven.
5.3 Het college komt tot het oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Het standpunt van klager berust op de veronderstelling dat hem passende zorg is geweigerd. Die veronderstelling is verkeerd. Verweerster heeft in het verweerschrift navolgbaar toegelicht dat niet zij, als zorgverlener in loondienst, maar het ziekenhuis contractspartij van klager is. Verweerster heeft ook nooit direct met klager gecommuniceerd en de communicatie verliep via de polikliniekassistentie en (later) via het bestuur van het ziekenhuis en/of de klachtenfunctionaris. Anders dan klager kennelijk meent, heeft het ziekenhuis klager geen zorg geweigerd. Voor klager was immers steeds passende zorg beschikbaar bij [oogarts 2], voor wie klager eerder in november 2023, april 2024 en mei 2024 zijn voorkeur had uitgesproken. De (niet onderbouwde) stelling van klager dat deze oogarts niet beschikt over vergelijkbare competenties als verweerster maakt het voorgaande niet anders en is ook niet in lijn met de eigen voorkeur van klager voor [oogarts 2] tot aan het moment dat hij van de poli-assistente te horen kreeg dat verweerster geen behandelovereenkomst met klager wenste aan te gaan. Verweerster was tot dat moment helemaal niet in beeld.

Klachtonderdeel b) schending van het recht op vrije artsenkeuze
5.4 Dit klachtonderdeel ziet op het recht op vrije artsenkeuze, zoals neergelegd in artikel 13 van de Zorgverzekeringswet. Klager wordt naar eigen zeggen door de zorgweigering door verweerster in dat recht beperkt.
5.5 Het college volgt klager niet in dit betoog. De door klager genoemde bepaling uit de Zorgverzekeringswet richt zich niet tot individuele zorgverleners en brengt dus – anders dan klager kennelijk meent – niet voor hen de ongeclausuleerde verplichting mee om met eenieder een geneeskundige behandelingsovereenkomst aan te gaan. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdelen c) en d) nalaten herstelmaatregelen te nemen en gedragingen die hebben geleid tot aantasting van de eer en goede naam van klager
5.6 Het college zal hierna de klachtonderdelen c) en d) vanwege hun onderlinge samenhang gezamenlijk bespreken.
5.7 Klager betoogt dat de bestuurder van het ziekenhuis klager ten onrechte heeft verplicht tot een persoonlijk gesprek. Dat is ongebruikelijk, intimiderend en in strijd met de normale route die loopt via een klachtenfunctionaris. Verder betoogt klager dat de oplossing om de behandeling bij [oogarts 2] te laten geschieden onacceptabel is. Tot slot betoogt klager dat de zorgweigering door verweerster leidde tot praktische, psychische en juridische schade en binnen de polikliniek van het ziekenhuis tot verdachtmaking van klager. Dat schaadt klagers eer en goede naam.
5.8 Deze klachtonderdelen treffen naar het oordeel van het college geen doel. Zoals verweerster in haar verweerschrift naar het oordeel van het college terecht opmerkt, en in lijn met het beoordelingscriterium zoals het college dat hiervoor aanhaalde, kan verweerster enkel tuchtrechtelijk worden aangesproken op haar eigen handelen. Voor zover de klacht ziet op het handelen van de bestuurder van het ziekenhuis blijkt uit het dossier dat verweerster daarbij niet betrokken is geweest, noch dat zij daarop invloed heeft (gehad). Het standpunt van klager dat onvoldoende herstelmaatregelen zijn genomen berust op een onjuiste feitelijke grondslag. Immers, zoals het college hiervoor al oordeelde, is klager bij [oogarts 2] de zorg aangeboden die hij nodig had. Daarmee is hem aldus geen zorg geweigerd en kan verweerster ook geen verwijt worden gemaakt over het vermeend niet treffen van herstelmaatregelen. Het college volgt verweerster tot slot in haar standpunt dat het tuchtrecht niet is bedoeld om de door klager gestelde schade te beoordelen. Deze klachtonderdelen zijn ongegrond.

Slotsom
5.9 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door T. Dohmen, voorzitter, R. van der Pol en N. Schurmans, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door G.J. Stoepker, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 10 augustus 2026.