ECLI:NL:TGZRSHE:2026:141 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8663

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:141
Datum uitspraak: 05-08-2026
Datum publicatie: 05-08-2026
Zaaknummer(s): H2025/8663
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen GZ-psycholoog die ook de regiebehandelaar van patiënte is. Patiënte verwijt de GZ-psycholoog dat zij, ondanks dat klaagster bijwerkingen van de medicatie ervaarde, heeft geweigerd de medicatie aan te passen. GZ-psycholoog is niet bevoegd medicatie voor te schrijven of aan te passen. Als regiebehandelaar heeft zij het verzoek van klaagster terecht aan de artsen en verpleegkundig specialist doorgegeven.

H2025/8663

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH


Beslissing in raadkamer van 5 augustus 2026 op de klacht van:


[A],
wonende in [B],
klaagster,


tegen


[C],
GZ-psycholoog,
werkzaam in [B],
verweerster, hierna ook: GZ-psycholoog,
gemachtigde: H.D.B. Vermeulen, werkzaam in Amsterdam.


1.
Waar gaat de zaak over?
1.1
Klaagster is in april 2024 opgenomen bij een instelling voor geestelijke gezondheidszorg (GGZ) waar verweerster als GZ-psycholoog werkzaam is. Klaagster wordt door verschillende zorgverleners behandeld. Verweerster is de regiebehandelaar van klaagster. Klaagster maakt de GZ-psycholoog verwijten met betrekking tot de medicatie.
1.2
Het college is van oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
2.
De procedure
2.1
De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 30 juni 2025;
- het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 7 juli 2025;
- de brief van 23 juli 2025 van de secretaris aan klaagster;
- de brief van klaagster, ontvangen op 6 augustus 2025;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 26 januari 2026;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 24 maart 2026.
2.2
Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3.
Wat is er gebeurd?
3.1
Klaagster lijdt aan een schizofrene stoornis. Zij heeft een langdurig verleden met psychotische decompensaties, met name na het staken van medicatie en/of medicatie-ontrouw.
3.2
In april 2024 is klaagster opgenomen op een open afdeling binnen een cluster Langdurige zorg van de GGZ-instelling. Vanaf 1 januari 2025 is verweerster de regiebehandelaar van klaagster.
3.3
Op 10 maart 2025 heeft de rechtbank een machtiging verleend inhoudende dat bij wijze van verplichte zorg - voor de duur van een jaar - de in de beschikking genoemde maatregelen kunnen worden getroffen. Een van de genoemde maatregelen is het toedienen van medicatie.
3.4
Omdat klaagster last had van bijwerkingen van de aan haar voorgeschreven medicatie, heeft zij om aanpassing daarvan verzocht. Op 18 april 2025 noteerde de verpleegkundig specialist (VS) hierover in het dossier (alle citaten voor zover van belang en ongecorrigeerd weergegeven): ”Bloedspiegel paliperidon was hoog: daarom is deze verlaagd. En op verzoek patiente clozapine iets verlaagd, omdat patiente klaagt over speekselvloed. Clozapine is wel geindiceerd en lijkt een goed beeld te geven. Stabiliteit is van belang (…)”
3.5
Op 22 mei 2025 heeft een zorgafstemmingsgesprek plaatsgevonden, waarbij klaagster, haar mentor en de GZ-psycholoog als regiebehandelaar, aanwezig waren. De verpleegkundig specialist was hierbij niet aanwezig. Tijdens dat gesprek zei klaagster dat zij wilde stoppen met clozapine en met paliperidon. Naar aanleiding van die wens noteerde de GZ-psycholoog in het dossier: “(…) Artsen en VS evalueren medicatie en komen daar nog op terug.”
4.
De klacht en de reactie van de GZ-psycholoog
4.1
Klaagster verwijt de GZ-psycholoog dat zij, ondanks dat klaagster heeft laten weten
bijwerkingen te ervaren van clozapine, heeft geweigerd de clozapine en paliperidon te vervangen door depakine.
4.2
De GZ-psycholoog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3
Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5.
De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1
De vraag is of de GZ-psycholoog de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende GZ-psycholoog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de GZ-psycholoog geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2
Het college oordeelt dat de GZ-psycholoog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Voor dat oordeel is het volgende redengevend. Uitleg
5.3
Verweerster is als GZ-psycholoog verantwoordelijk voor psychodiagnostiek en psychologische behandelingen. Een GZ-psycholoog heeft niet de bevoegdheid om medicatie voor te schrijven. Dit is een voorbehouden handeling waarvoor een psychiater en een verpleegkundig specialist bevoegd zijn. Dat betekent dat een GZ-psycholoog ook niet bevoegd is medicatie aan te passen. De GZ-psycholoog is daarom niet verantwoordelijk voor het type medicatie dat aan klaagster is voorgeschreven. In het verlengde daarvan is zij ook niet verantwoordelijk voor het medicatiebeleid zoals dat naar aanleiding van de klachten van klaagster over de bijwerkingen, is gevoerd. Alleen al daarom is de klacht kennelijk ongegrond.
5.4
Voor zover de klacht van klaagster ziet op het handelen van de GZ-psycholoog als regiebehandelaar, oordeelt het college als volgt. Een regiebehandelaar is verantwoordelijk voor de coördinatie van de zorg voor klaagster. In die hoedanigheid leidde de GZ-psycholoog op 22 mei 2025 het zorgafstemmingsgesprek met klaagster en haar mentor. In dit zorgafstemmingsgesprek zei klaagster dat zij wilde stoppen met clozapine en met paliperidon. Omdat alleen een psychiater en een verpleegkundig specialist bevoegd zijn om medicatie aan te passen, heeft de GZ-psycholoog dit verzoek van klaagster genoteerd en aan de artsen en de verpleegkundig specialist doorgegeven. Daarmee heeft de GZ-psycholoog in overeenstemming met haar professionele competenties en haar rol als regiebehandelaar gehandeld. De GZ-psycholoog kan dan ook op dit punt geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Ook in zoverre is de klacht kennelijk ongegrond. Slotsom
5.5
Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.


6.
De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door N.H.J. Lafghani, voorzitter, Ch. Oele en N.J. Kroon, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.W.M. Hillenaar, secretaris en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.