ECLI:NL:TGZRSHE:2026:138 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9248

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:138
Datum uitspraak: 05-08-2026
Datum publicatie: 05-08-2026
Zaaknummer(s): H2025/9248
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen chirurg.  Chirurg heeft klager geïnformeerd over de behandelopties en het te verwachten beloop na de behandeling. Plaatsen drie rubberbandligaties was conform richtlijnen. Controlemoment heeft plaatsgevonden en geen sprake van niet serieus nemen klachten. HIV-status van klager was geen contra indicatie voor plaatsen rubberbandligaties

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 5 augustus 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,

tegen

[C],
chirurg,
werkzaam in [B],
verweerster, hierna ook: de chirurg,
gemachtigde: mr. S.F. de Jong, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   Klager is door verweerster behandeld omdat hij last had van aambeien. Klager is van mening 
dat hij door verweerster niet goed is geïnformeerd over de risico’s en de aard van de operatie die 
plaatsvond op 16 september 2024 en vindt dat het aanbrengen van drie rubberbandligaties in strijd 
is met internationale richtlijnen. Ook is klager van mening dat verweerster ten onrechte heeft 
nagelaten een controle uit te voeren toen klager na de behandeling klachten kreeg. Verder stelt 
klager dat verweerster hem niet serieus genomen zou hebben en geen rekening hebben gehouden met 
klagers HIV-status en het verhoogde risico op infectie dat dit met zich meebrengt.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 13 november 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen, per e-mail ontvangen op 6 maart 2026 en ontvangen per post 
op 10 maart 2026;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 7 mei 2026.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1   Klager werd op 13 september 2024 voor behandeling van aambeien door zijn huisarts verwezen 
naar het chirurgisch centrum waar verweerster als chirurg werkzaam is.

3.2   Verweerster zag klager op 16 september 2024. De proctologie-vragenlijst die voorafgaand door 
klager was ingevuld, werd doorgenomen en verweerster heeft de anus van klager onderzocht en 
aansluitend een protoscopie verricht. Daarna is verweerster, met instemming van klager, overgegaan 
tot het plaatsen van drie rubberbandligaties. Verweerster noteerde in het medisch dossier van 
klager (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“RBV +, def persen+, prolaps, pijn + na het poepen., jeuk+. Gebruikt diltazemzalf, maar irriteert 
nu. (dermatitis)
Paar jaar geleden geopereerd aan anus.

Erg moeizame communicatie (google translate)


Voorstel proctoscopie en evt RBL; procedure, behandeling en te verwachten beloop; RBV, pijn, 
bloeding besproken, patiënt akkoord.

Proctoscopie: graad 3 H, 3x RBL, op 6 uur oppervlakkige fissuur. Na behandeling vagaal vanwege 
spanning sfincters/bekkenbodem.
Op andere kamer gelegd, meerder malen getracht uitleg te geven. Echter aanvankelijk zeer emotioneel 
vanwege hevige pijn en vagale klachten. Uiteindelijk wel gelukt, patiënt begrijpt waar de klachten 
vandaan komen en zat thuis aanvullend nog tramadol nemen ter relaxatie.

Co 4 weken evt Botox ook al besproken, tzt sowieso ook BFT starten. Start diprosone zalf en
movicolon tijdelijk”.

3.3  Op 14 oktober 2024 zag verweerster klager terug voor controle. Verweerster noteerde:
“had eerste dag moeite met plassen. Darmkrampen. Heeft geen pijn meer, soms bloed.

Wil Botox maar mijns inziens nu niet nodig, continueren diltiazemzalf. 0/ wond mooi aan het 
genezen.

B/ Co 2-3 weken dan eventueel inplannen voor Botox en RBL 's op OK.”

3.4   Op 19 oktober 2024 liet klager per e-mail aan het centrum weten dat hij ontevreden was over 
de gang van zaken bij de behandeling door verweerster. Aan klager werd door het centrum een andere 
chirurg, ook verbonden aan het centrum, toegewezen. Deze heeft klager verder behandeld.

3.5 Op 8 maart 2025 liet klager per e-mail aan het centrum weten dat er sprake zou zijn van 
perianale abcesvorming.

4. De klacht en de reactie van de chirurg
4.1  Klager verwijt de chirurg dat zij:
a)   klager niet heeft geïnformeerd over de risico’s en de aard van de ingreep die op
16 september 2024 is verricht;
b)   zonder medische indicatie en in strijd met de internationale richtlijnen op 16 september 2024 
3 rubberbandligaties bij klager heeft geplaatst;
c)   op 16 september 2024 geen controle heeft uitgevoerd toen klager na de behandeling diverse 
klachten kreeg;
d)   klager in zijn klachten niet serieus heeft genomen;
e)   geen rekening heeft gehouden met zijn HIV-status en het verhoogde risico op infectie.

4.2  De chirurg heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de chirurg de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende chirurg. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de chirurg geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een 
zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk 
verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk 
zijn voor hun eigen handelen.

5.2  Het college oordeelt dat de chirurg niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdeel a) klager niet geïnformeerd over de risico’s en de aard van de ingreep die op
16 september 2024 is verricht

5.3   Dit klachtonderdeel is ongegrond. Uit het medisch dossier van klager blijkt dat verweerster 
klager op 16 september 2024 uitleg heeft gegeven over de behandeling die zij zou uitvoeren. Verder 
heeft verweerster de behandelopties besproken en klager verteld wat het te verwachten beloop na de 
behandeling zou zijn. Verweerster heeft klager geïnformeerd over pijn en bloeding na het plaatsen 
van de rubberbandligaties en klager is, zo blijkt uit het medisch dossier, daarna akkoord gegaan 
met de behandeling. Voor zover klager doelt op het risico van abcesvorming, is dit risico zo 
zeldzaam dat een arts de patiënt van tevoren niet hoeft te wijzen op dit risico.

Klachtonderdeel b) zonder medische indicatie en in strijd met de internationale richtlijnen op 16 
september 2024 3 rubberbandligaties geplaatst
5.4   Klagers verwijt dat verweerster de rubberbandligaties heeft geplaatst zonder medische 
indicatie kan niet slagen, omdat de Richtlijn Proctologie van de Nederlandse Vereniging voor 
Heelkunde (NVVH) voorschrijft dat patiënten met graad 1 of 2 aambeien worden behandeld door het 
plaatsen van 2 tot 4 rubberbandligaties. Verweerster heeft klager behandeld door het plaatsen van 
drie rubberbandligaties. Dit was de passende en aangewezen behandeling gezien de klachten van 
klager. Verder heeft klager niet nader geconcretiseerd in strijd met welke concrete bepalingen uit 
internationale richtlijnen de door verweerster uitgevoerde behandeling zou zijn, wat betekent dat 
ook dit verwijt niet kan slagen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel c) op 16 september 2024 geen controle uitgevoerd toen klager na de behandeling 
diverse klachten kreeg
5.6   Verweerster heeft op 16 september 2024 een controleafspraak ingepland. Deze afspraak vond 
plaats op 14 oktober 2024. Verweerster adviseerde klager om het gebruik van zalf te continueren. Op 
klagers verzoek om te behandelen met botox gaf verweerster aan dat zij geen indicatie daarvoor zag, 
zij noteerde verder dat de wond mooi aan het genezen was. Het college is van oordeel dat 
verweerster ten aanzien van de controle zorgvuldig heeft gehandeld en dit goed heeft gedocumenteerd 
in het medisch dossier. Ook heeft zij op
14 oktober wederom een controlemoment ingepland om de botoxbehandeling toe te passen als daar 
noodzaak toe zou zijn. Het college acht deze handelswijze correct en oordeelt dat ook dit 
klachtonderdeel ongegrond is.

Klachtonderdeel d) klager in zijn klachten niet serieus genomen
5.7   Het college ziet geen aanknopingspunt om tot de conclusie te komen dat verweerster klager 
niet serieus zou hebben genomen en verklaart ook dit klachtonderdeel ongegrond. Dat verweerster 
niet de behandeling heeft uitgevoerd waar klager om verzocht, die overigens niet noodzakelijk en/of 
aangewezen was, betekent niet dat klager in zijn klachten niet serieus is genomen. Omdat klager op 
19 oktober 2024 het centrum heeft verzocht om een andere arts, kon verweerster hierin verder ook 
niets betekenen voor klager.

Klachtonderdeel e) geen rekening gehouden met HIV-status en het verhoogde risico op
infectie.
5.8   Verweerster zou volgens klager geen rekening hebben gehouden met klagers HIV-status en 
daarmee het verhoogde risico voor klager om een infectie op te lopen. Het college overweegt als 
volgt. De HIV-status van klager was geen contra-indicatie om klager met rubberbandligaties te 
behandelen. Patiënten die lijden aan HIV hebben niet meer risico op infecties en/of abcesvorming na 
het plaatsen van rubberbandligaties. Er was daarom geen grond om rekening te houden met de 
HIV-status van klager in het kader van de behandeling. Overigens is de kans op abcesvorming na een 
behandeling met rubberbandligaties zodanig zeldzaam, dat een arts patiënten van tevoren ook niet 
hoeft te wijzen op dit risico. Hoewel het college begrip heeft voor het feit dat het beloop nadien 
erg vervelend moet zijn geweest voor klager, ziet het college geen grond om te oordelen dat er 
sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster. Ook dit klachtonderdeel is 
daarom ongegrond.

Slotsom
5.9  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht
kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 5 augustus 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-
van Meerwijk, voorzitter, B. Lamme en N.B. van der Maas, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door M. Karatepe, secretaris.