ECLI:NL:TGZRSHE:2026:137 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025-9247

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:137
Datum uitspraak: 05-08-2026
Datum publicatie: 05-08-2026
Zaaknummer(s): H2025-9247
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen chirurg.  Plaatsen drie rubberbandligaties was conform richtlijnen. Chirurg heeft de pijnklachten van klager niet genegeerd en doorverwijzing was passend. Geen sprake van onheuse bejegening en/of niet serieus nemen klachten. HIV-status van klager was geen contra indicatie voor plaatsen rubberbandligaties.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 5 augustus 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,

tegen

[C],
chirurg,
werkzaam in [B],
verweerster, hierna ook: de chirurg,
gemachtigde: mr. S.F. de Jong, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   Klager is door verweerster behandeld omdat hij last had van aambeien. Voorafgaand aan de 
behandeling door verweerster is klager ook door een collega-chirurg van verweerster behandeld voor 
deze klachten. Klager is van mening dat verweerster tijdens de operatie op 3 december 2024 in 
strijd met de richtlijnen drie rubberbandligaties heeft aangebracht. Ook is klager van mening dat 
verweerster zijn pijnklachten heeft genegeerd en heeft geweigerd
hem door te verwijzen voor verder onderzoek. Verder stelt klager onheus te zijn bejegend en niet 
serieus te zijn genomen door verweerster. Verweerster zou volgens klager ook geen rekening hebben 
gehouden met klagers HIV-status en het verhoogde risico op infectie.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 13 november 2025;
-  het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen per e-mail op 6 maart 2026 en per post op 10 maart 
2026;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 7 mei 2026.


2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Klager werd op 13 september 2024 voor de behandeling van aambeien door zijn huisarts verwezen 
naar het chirurgisch centrum waar verweerster, als chirurg, werkzaam is.

3.2   Klager werd hier eerder gezien en behandeld door een andere chirurg. Door deze chirurg werden 
op 16 september 2024 bij proctologisch onderzoek graad 3 hemorroïden/mucosaprolaps en een 
oppervlakkige anale fissuur geconstateerd en ter behandeling werden drie rubberbandligaties 
geplaatst. Op 14 oktober werd hij door dezelfde chirurg terug gezien voor controle. De betreffende 
chirurg achtte randvenen behandeling met botox niet noodzakelijk en adviseerde klager om door te 
gaan met diprosonezalf.

3.3   Op 19 oktober 2024 meldde klager zich bij het centrum omdat hij ontevreden was over de gang 
van zaken rondom zijn behandeling en verzocht hij om een andere arts.

3.4   Verweerster nam de behandeling over en zag klager op 18 november 2024. Tijdens dit consult 
gaf klager aan dat hij last had van pijnklachten en herhaaldelijke fissuren. Ook vertelde klager 
dat hij last had van het feit dat hij niet seksueel actief kon zijn vanwege zijn klachten. 
Verweerster noteerde in het medisch dossier van klager (alle citaten voor zover van belang en 
letterlijk weergegeven):
“Patiënt vertelt verhaal van herhaaldelijke fissuren, Moeite met feit dat hij niet sexueel actief 
kan zijn.
Def wisselend. Heeft nu AB gehad ivm H pylori > diarree Inspectie: idd ++
dorsaal lijkt er een fissuurtje te zijn

Beleid;
Ins onder narcose, nettoyage fissura ani en BL besproken als er idd sprake van hemorroïden is

Pijn ADL persisterende klachten inco klachten NB 3 dagen te voren staren met movicolon
(heeft hij nog)”.

3.5  Verweerster opereerde klager op 3 december 2024. Zij noteerde:


“Operatie

Algehele narcose
Operateur: [naam verweerster en assistent]

Onder algehele narcose proctoscopie: evidente hemorroiden . Ventraal fissuurtje en dorsala kleine 
scheurtjes oppervlakkig .

Ten eerste Baronligatuur 3 maal
Dan nettoyeren fissura ani ventraal en dorsaal Dan spuiten botox 50 EH bdz 25
Dan Bupivacaine Einde ingreep

Postop: pijnstilling meloxicam/ PCT Belofspraak na 8 weken”.

3.6 Op 4 december 2024 werd naar aanleiding van telefonisch contact tussen klager en de assistente 
geoordeeld dat de VAS-score 2 was en dat de pijn van klager goed onder controle was. Verweerster 
heeft klager daarna ook gebeld om vragen van zijn kant te beantwoorden. Verweerster heeft klager 
het volgende advies gegeven:
“(…)
Zalf blijven smeren
Bloedverlies is normaal zo vlak na ok elastiekjes vallen er na 1 week uit
4 weken geen gemeenschap”.

3.7 Op 6 januari 2025 stuurde klager een e-mailbericht aan het centrum met de mededeling dat hij 
weer last had van aambeien en graag een consult zou willen om zijn klachten te bespreken.

3.8 Op 13 januari 2025 werd klager weer gezien door verweerster. Klager gaf aan veel verdriet en 
moeite te hebben met het feit dat hij geen normale seks kon hebben. Verweerster adviseerde klager 
bekkenbodemtherapie en eventueel behandeling door een seksuoloog en/of psycholoog. Zij noteerde:
“(…)
Heeft heel veel last van seks gaat niet meer. Blijft pijn houden .

Inspectie: minimaal fissuurtje klein aambeitje
Nogmaals botox proberen--> gedaan gaat naar de fysiotherapie bekkentherapie

Heeft al vier maanden geen normale seks. vervloekt zijn leven als homo

C2m”.

3.9 Op 8 maart 2025 liet klager per e-mail aan het centrum weten dat er sprake zou zijn van 
perianale abcesvorming.

4. De klacht en de reactie van de chirurg
4.1  Klager verwijt de chirurg dat zij:
a. in strijd met de internationale richtlijnen op 3 december 2024 drie rubberbandligaties bij 
klager heeft geplaatst;
b. zijn pijnklachten heeft genegeerd en heeft geweigerd hem door te verwijzen voor verder 
onderzoek;
c. hem onheus heeft bejegend en zijn klachten niet serieus heeft genomen;
d. geen rekening heeft gehouden met zijn HIV-status en het verhoogde risico op infectie.

4.2  De chirurg heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de chirurg de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende chirurg. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de chirurg geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een 
zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk 
verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk 
zijn voor hun eigen handelen.

5.2  Het college oordeelt dat de chirurg niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdeel a) in strijd met de internationale richtlijnen op 3 december 2024 drie 
rubberbandligaties geplaatst
5.3   Dit klachtonderdeel is ongegrond. Vast staat dat verweerster op 3 december 2024 drie 
rubberbandligaties bij klager heeft geplaatst. Volgens de Richtlijn Proctologie van de Nederlandse 
Vereniging voor Heelkunde (NVVH) worden patiënten met graad 1 of 2 aambeien behandeld met 
rubberbandligaties. Wat betreft het aantal schrijft de richtlijn voor dat een patiënt bij voorkeur 
met twee tot vier bandjes per sessie dient te worden behandeld. Het plaatsen van drie 
rubberbandligaties door verweerster valt daarom binnen de bandbreedte die door de toepasselijke 
richtlijn wordt voorgeschreven. Dat het plaatsen van drie rubberbandligaties in strijd zou zijn met 
internationale richtlijnen heeft het college ook niet kunnen vaststellen. Klager heeft in het 
klaagschrift de richtlijnen ASCRS en NHS genoemd, maar niet nader geconcretiseerd in strijd met 
welke bepaling(en) uit deze richtlijnen verweerster zou hebben gehandeld.

Klachtonderdeel b) pijnklachten genegeerd en geweigerd klager door te verwijzen voor verder 
onderzoek
5.4  Ook dit klachtonderdeel is ongegrond. Uit de stukken valt niet op te
maken dat verweerster de pijnklachten van klager zou hebben genegeerd, zoals klager stelt. Klager 
heeft op 18 november 2024 pijnklachten geuit bij verweerster. Verweerster heeft naar aanleiding 
daarvan beleid ingezet en klager op 3 december 2024 geopereerd. Uit de stukken blijkt dat de 
ingreep goed verliep. Op 4 december 2024 is er telefonisch contact geweest, waarbij klager volgens 
het medisch dossier aangaf dat de pijn goed onder controle was. Op
6 januari 2025 stuurde klager een mail waarin hij aangaf weer klachten te hebben en hij werd daarom 
op 13 januari 2025 weer gezien door verweerster. Op 13 januari 2025 heeft verweerster klager 
doorverwezen voor bekkenbodemtherapie en eventueel behandeling door een seksuoloog en/of 
psycholoog, omdat klager aangaf veel moeite te hebben met het gegeven dat hij geen seks kon hebben. 
Het college acht deze doorverwijzing passend, zorgvuldig en toereikend. Er was geen indicatie voor 
verwijzing naar een andere specialist en/of ander onderzoek. Uit de stukken is verder niet gebleken 
dat klager verweerster op enig moment heeft verzocht om een doorverwijzing naar een andere 
specialist, waardoor het college ook niet kan vaststellen dat verweerster geweigerd heeft om klager 
door te verwijzen.

Klachtonderdeel c) onheus bejegend en klachten niet serieus genomen
5.5   Klager verwijt verweerster dat zij hem onheus heeft bejegend en zijn klachten niet serieus 
heeft genomen. Verweerster heeft klager een behandelvoorstel gedaan en hem op een juiste manier 
behandeld. Ook heeft verweerster passend advies gegeven voor verdere behandeling van zijn klachten. 
Dat verweerster klagers klachten niet serieus heeft genomen, is geenszins gebleken. Ook heeft het 
college geen aanknopingspunten gevonden in de stukken waaruit zou blijken dat verweerster klager op 
een onheuse manier zou hebben bejegend. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel d) geen rekening gehouden met HIV-status en verhoogd risico op infectie
5.6   Verweerster zou volgens klager geen rekening hebben gehouden met klagers HIV-status en 
daarmee het verhoogde risico voor klager om een infectie op te lopen. Het college overweegt als 
volgt. De HIV-status van klager was geen contra-indicatie om klager met rubberbandligaties te 
behandelen. Patiënten die lijden aan HIV hebben niet meer risico op infecties en/of abcesvorming na 
het plaatsen van rubberbandligaties. Er was daarom geen reden om rekening te houden met de 
HIV-status van klager in het kader van de behandeling. Overigens is de kans op abcesvorming na een 
behandeling met rubberbandligaties zodanig zeldzaam, dat een arts patiënten van tevoren ook niet 
hoeft te wijzen op dit risico. Hoewel het college begrip heeft voor het feit dat het beloop nadien 
erg vervelend moet zijn geweest voor klager, ziet het college geen grond om te oordelen dat er 
sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster. Ook dit klachtonderdeel is 
ongegrond.

5.7  Slotsom
Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond
zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 5 augustus 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-
van Meerwijk, voorzitter, B. Lamme en N.B. van der Maas, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door M. Karatepe, secretaris.