ECLI:NL:TGZRSHE:2026:136 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9034
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:136 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-07-2026 |
| Datum publicatie: | 29-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/9034 |
| Onderwerp: | Schending beroepsgeheim |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een bedrijfsarts. Gegrond. De bedrijfsarts wordt verweten dat hij in een rapportage aan de werkgever van klaagster medische gegevens heeft opgenomen zonder haar toestemming. Het college oordeelt dat de bedrijfsarts hiermee zijn beroepsgeheim en geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Hoewel de bedrijfsarts de ernst van de problematiek van klaagster wilde benadrukken, had hij dit moeten doen zonder medische kwalificaties of andere vertrouwelijke informatie te verstrekken. Het college rekent de bedrijfsarts aan dat hij onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij een kerntaak van zijn beroep en slechts beperkt blijk heeft gegeven van zelfreflectie op zijn handelen. De klacht wordt gegrond verklaard. Gelet op de ernst van de schending van het beroepsgeheim legt het college de maatregel van berisping op. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 29 juli 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen
[C],
arts arbeid en gezondheid - bedrijfsgeneeskunde,
werkzaam in [D],
verweerder.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster verwijt verweerder dat hij in een rapportage aan klaagsters werkgever
medische
gegevens heeft vermeld, waarmee verweerder het beroepsgeheim en de vertrouwelijkheid
heeft
geschonden.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld
en dat de klacht gegrond is. Het college legt verweerder een berisping op. Hierna
licht het college
dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 24 september 2025;
- de brief van 14 oktober 2025 van de secretaris aan klaagster;
- het aanvullende klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 28 oktober 2025;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 28 januari 2026;
- de brief van 28 januari 2026 van de secretaris aan verweerder;
- de brief van 7 februari 2026, ontvangen van verweerder op 11 februari 2026;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 1 april 2026.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 3 juni 2026. Klaagster en verweerder
zijn
verschenen. Klaagster, aan de hand van schriftelijke aantekeningen, en verweerder
hebben hun
standpunten mondeling toegelicht. Zij hebben ook vragen van het college beantwoord.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Op 20 november 2024 heeft klaagster zich ziek gemeld. Nadat klaagster eerst
twee
re-integratiegesprekken met een praktijkondersteuner van de bedrijfsarts had gevoerd,
heeft
klaagster op 18 februari 2025 een gesprek gevoerd met verweerder. In het verslag
van dat gesprek
heeft verweerder het volgende genoteerd (alle citaten voor zover van belang en letterlijk
weergegeven):
“Uitgevallen op 20-11-2024 met klachten en beperkingen ten aanzien van persoonlijk
en sociaal
functioneren (tot op het niveau van een persoonlijkheidsstoornis) […]. Zij geeft
aan al zeker sinds
haar 15de jaar vrijwel continu gebukt te gaan onder de aandoening en in die periode
hooguit 1 jaar
min of meer stabiel is geweest voor het overige meerdere keren per jaar episodes
te hebben gehad
met dusdanige toename van klachten en beperkingen dat dit haar functioneren in alle
rollen
beïnvloedde. […] Zij is naar mijn mening iemand die voor een beschutte werkplek
zou moeten
opteren.”
3.2 Het verslag van het gesprek van 18 februari 2025 is aan de werkgever van klaagster verstuurd.
3.3 Klaagster heeft op 5 maart 2025 een klacht ingediend bij de organisatie waar
verweerder
werkzaam is, omdat verweerder naar de mening van klaagster ten onrechte medische
informatie aan
haar werkgever heeft doorgegeven. In een brief van 20 maart 2025 heeft een collega
van verweerder
de klacht ongegrond verklaard. In die brief is onder meer het volgende opgenomen:
“[…]
In dat kader is de toevoeging ‘tot op het niveau van een persoonlijkheidsstoornis’
niet een
specifieke diagnose die in strijd is met privacy, maar is gebruikt om de ernst van
de beperkingen
aan te geven. Het benoemen dat er tot op heden nog geen behandeling effectief is
geweest, is mijns
inziens eveneens niet voorbij de grenzen van de privacy, maar geeft aan dat er adequate
behandelingen zijn geweest die echter niet tot duurzaam resultaat hebben geleid
waarmee dat ook een
indicatie geeft van de ernst van de situatie.
De beschrijving van de duur van de klachten en beperkingen had minder specifiek
gekund, maar is op
zichzelf conform bovenstaande ook geen schending van de privacy. […]”
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klaagster verwijt verweerder dat hij in een rapportage aan klaagsters werkgever
medische
gegevens heeft vermeld, waarmee verweerder het beroepsgeheim en de vertrouwelijkheid
heeft
geschonden. Tijdens de zitting heeft klaagster toegelicht dat haar klacht ziet op
de terugkoppeling van
medische gegevens aan haar werkgever zoals hiervoor in overweging 3.1 weergegeven.
4.2 Verweerder heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat hij zijn bevindingen
wellicht anders
had kunnen en wellicht had moeten verwoorden in de terugkoppeling aan de werkgever
van klaagster.
Verweerder heeft uitsluitend het welzijn van klaagster voor ogen gehad en gedacht
dat hij haar
hiermee zou helpen. Verweerder heeft wel verwezen naar de brief van 20 maart 2025
waarbij de klacht
ongegrond is verklaard en opgemerkt dat klaagster heeft afgezien van een vervolggesprek.
Zijn rol
is om de werkgever te informeren, zodat re-integratieverplichtingen naar behoren
kunnen worden
uitgevoerd. Dat staat soms op gespannen voet met de wet- en regelgeving inzake privacy
en de
geheimhoudingsplicht. Tijdens het mondeling vooronderzoek en tijdens de zitting
heeft verweerder
nader toegelicht dat hij zowel de werkgever als de werknemer moest voorzien van
bruikbaar advies.
Verweerder is, zoals hij dat tijdens de zitting omschreef, in de uitleggende modus
geraakt. Hij
heeft de ernst van de problematiek van klaagster willen benadrukken bij haar werkgever.
Daarnaast
heeft verweerder bij de werkgever van klaagster een signaal willen afgeven wat de
organisatorische
gevolgen aan de zijde van de werkgever zouden kunnen zijn van het werven en in dienst
nemen van
werknemers met bepaalde medische problematiek.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling
wordt
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
5.2 Artikel 88 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet
BIG) verplicht
verweerder om: “(…) geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat
hem bij het
uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als
geheim is
toevertrouwd of (…) waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen.”
5.3 In artikel 7:457, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is het volgende bepaald:
“(…) draagt
de hulpverlener zorg, dat aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt
dan wel
inzage in of afschrift van de gegevens uit het dossier worden verstrekt dan met
toestemming van de
patiënt.”
5.4 Het college stelt vast dat verweerder met zijn weergave (zoals hiervoor in overweging
3.1
weergegeven) medische informatie over klaagster heeft gedeeld met de werkgever van
klaagster,
zonder daarover overleg te hebben gevoerd met klaagster of haar daarvoor om toestemming
te hebben
gevraagd. Verweerder heeft daarmee niet gehandeld in overeenstemming met de wettelijke
regels die
hiervoor in overweging 5.2 en 5.3 zijn aangehaald.
Verweerder heeft aldus niet de zorg verleend die van hem verwacht mocht worden.
Het college komt
tot het oordeel dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
5.5 Dat verweerder bij de werkgever van klaagster de aard en de ernst van klaagsters
problematiek
heeft willen benadrukken – hetgeen op zichzelf terecht is, want dat is een taak
van de bedrijfsarts
– maakt het oordeel niet anders. Verweerder had de aard en de ernst van klaagsters
problematiek
namelijk op andere wijze bij haar werkgever kunnen (en moeten) benadrukken, zonder
het benoemen van
medische kwalificaties en zonder verdere medische informatie over klaagster. Dat
verweerder die
mogelijkheid had en daartoe ook in staat was, blijkt uit verweerders brief van 7
februari 2026, als
reactie op de brief van de secretaris van 29 januari 2026. In die reactie heeft
verweerder aan de
hand van (een toelichting op de) beperkingen ten aanzien van het persoonlijke en
sociale
functioneren van klaagster aangegeven hoe hij een en ander anders had kunnen benoemen.
Naar het
oordeel van het college blijkt daaruit dat verweerder zich er ook ervan bewust was
dat een andere
weergave had moeten worden gegeven. Dat verweerder bij de werkgever van klaagster
een signaal heeft
willen afgeven over de organisatorische gevolgen aan de zijde van de werkgever van
het werven en in
dienst nemen van werknemers met veronderstelde medische problematiek, leidt ook
niet tot een ander
oordeel. Zou een dergelijke terugkoppeling in algemene zin al een taak van verweerder
zijn, dan had
verweerder die taak moeten uitvoeren los van een concrete casus zoals die van klaagster.
De
taakopvatting van verweerder in deze biedt hoe dan ook geen rechtvaardiging voor
het delen van
medische informatie over klaagster met haar werkgever.
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht gegrond is.
Maatregel
5.7 Omdat de klacht gegrond is bevonden, moet het college beoordelen of een maatregel
op zijn
plaats is en zo ja, welke maatregel passend is. Hierna zal het college uitleggen
wat het college in
de overwegingen meeneemt en tot welke maatregel dat leidt.
5.8 Het waarborgen van het beroepsgeheim raakt de kern van de zorgplicht van verweerder.
Patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat de medische informatie die zij met een
bedrijfsarts
delen niet zonder toestemming bij derden, zoals een werkgever, terecht komt. Het
college realiseert
zich dat dit onderdeel van de zorgplicht bij de uitvoering van de taken van verweerder
onder
spanning kan staan. Werknemer en werkgever kunnen immers verschillende belangen
hebben. Verweerder
dient bij deze kerntaak echter de grootst mogelijke zorgvuldigheid te betrachten.
Dat is in deze zaak niet
gebeurd en verweerder was zich daarvan ook bewust. Het gevolg is een ernstige schending
van de geheimhoudingsverplichting van verweerder. De ernst van deze schending weegt
het college in belangrijke
mate mee, en leidt ertoe dat het college een maatregel zal opleggen.
5.9 Het college weegt ook mee dat verweerder mogelijk vooral het welzijn van klaagster
voor ogen
heeft gehad, maar dat de manier hoe hij daaraan uitvoering heeft gegeven juist ten
nadele van
klaagster had kunnen uitpakken met alle gevolgen van dien.
5.10 Het college kan zich daarnaast niet aan de indruk onttrekken dat verweerder
maar tot een
beperkte mate van zelfreflectie komt. Weliswaar wordt in het verweerschrift opgemerkt
dat hij
wellicht anders had moeten handelen, maar tegelijkertijd wordt door verweerder ook
gewezen op de
brief van de collega van 20 maart 2025 waarin wordt opgemerkt dat hij het helemaal
goed heeft
gedaan. Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangegeven nog altijd achter deze
conclusie te
staan, en hetgeen verweerder heeft opgemerkt in het verweerschrift over het vervolggesprek,
wekt
zelfs de indruk dat dit aan klaagster wordt tegen geworpen. Tot slot weegt het college
mee dat
verweerder niet eerder een tuchtmaatregel is opgelegd. Het college ziet in dit geval,
gelet op de
hierboven genoemde overwegingen, aanleiding om verweerder een berisping op te leggen.
Publicatie
5.11 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere bedrijfsartsen mogelijk iets kunnen leren van wat hiervoor is
overwogen. De
publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of
instanties
herleidbare gegevens (artikel 71 van de Wet BIG).
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt verweerder de maatregel op van berisping;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde
en
aan Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
W.G.H. Corté, lid-jurist, R.P.J. Ansem, P.E. Rodenburg en P. Eken, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan
door G.J. Stoepker, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.