ECLI:NL:TGZRSHE:2026:135 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/7971

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:135
Datum uitspraak: 29-07-2026
Datum publicatie: 29-07-2026
Zaaknummer(s): H2025/7971
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een bedrijfsarts in opleiding. Ongegrond. De bedrijfsarts in opleiding wordt verweten dat hij het opzettelijk heeft doen voorkomen alsof klaagster zou hebben tegengewerkt bij de beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid en re-integratiemogelijkheden, dat hij klaagster na een vertrouwensbreuk niet heeft gewezen op de mogelijkheid contact op te nemen met zijn supervisor en dat hij niet persoonlijk heeft gereageerd op een aansprakelijkheidsstelling. Het college oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De rapportage over het eerste spreekuur gaf feitelijk juist weer dat geen contact tot stand was gekomen en dat daardoor geen beoordeling kon plaatsvinden. Tijdens het tweede spreekuur kon evenmin een beoordeling plaatsvinden, omdat uitsluitend de partner van klaagster het woord voerde en klaagster zelf niet aan het gesprek deelnam. Ook bestond geen verplichting om klaagster actief op de supervisor te wijzen en mocht verweerder het incident tijdens het reguliere supervisieoverleg bespreken. Ten slotte was het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de aansprakelijkheidsstelling via de advocaat van de instelling werd afgehandeld.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH

Beslissing van 29 juli 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klaagster,
gemachtigde: mr. M. Goedhart, werkzaam in Amsterdam,

tegen

[C],
verzekeringsarts,
arts arbeid en gezondheid – verzekeringsgeneeskunde / bedrijfsarts in opleiding,
destijds werkzaam in [D],
verweerder,
gemachtigde: mr. P. Willems, werkzaam in Beekbergen.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   Klaagster werd op 17 oktober 2024 opgeroepen voor een digitaal spreekuur met verweerder. Een 
verbinding kwam niet tot stand. Vervolgens heeft op 24 oktober 2024 een tweede digitaal spreekuur 
plaatsgevonden. Toen kwam wel een verbinding tot stand. Een medische beoordeling heeft toen niet 
plaatsgevonden. Verweerder heeft tijdens het spreekuur contact gehad met de partner van klaagster 
(die destijds ook optrad als haar gemachtigde). Met klaagster zelf is niet gesproken. Verweerder 
heeft klaagster daarna ook niet meer gezien of gesproken.

1.2   Klaagster verwijt verweerder – kort gezegd – dat hij onwaarheden heeft opgenomen in het 
rapport dat betrekking had op het consult van 17 oktober 2024. Verweerder zou hebben weergegeven 
dat klaagster niet was verschenen maar dat was niet juist. Ook het rapport van 24 oktober 2024 
bevatte volgens klaagster onwaarheden. Verweerder heeft klaagster ook niet gewezen op de supervisor 
van verweerder. Toen de aansprakelijkheidsstelling naar verweerder werd gestuurd, heeft verweerder 
eveneens nagelaten daarop te reageren. Klaagster meent dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar 
heeft gehandeld.

1.3   Het college komt tot het oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft 
gehandeld. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure
2.1  Het dossier bevat de volgende stukken:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 3 januari 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 7 maart 2025;
- producties van de gemachtigde van klaagster, ontvangen op 27 mei 2025;
- tweemaal een usb-stick, ontvangen van de gemachtigde van klaagster op 24 juni 2025;
- een productie ontvangen op 23 juli 2025 van de gemachtigde van verweerder;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 8 september 2025;
- de aanvullende producties ontvangen per e-mail op 7 mei 2026 en ontvangen per post op 8 mei 2026 
  van de gemachtigde van verweerder;
- de aanvullende producties en 2 usb-sticks, per e-mail ontvangen op 18 mei 2026 en per post 
  ontvangen op 28 mei 2026 van de gemachtigde van klaagster.

2.2   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 3 juni 2026. Namens klaagster is haar 
gemachtigde verschenen. Ook verweerder en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder en de 
gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Klaagster had sinds november 2022 last van burn-outklachten. Destijds werd geadviseerd om 
rust te nemen. Nadat zij in maart 2023 hoorde dat haar contract niet werd verlengd, kreeg zij een 
terugval in haar klachten. In verband met een recht op een ziektewetuitkering werd zij op 14 
september 2023 gezien door een arts. Er werd een rapport opgesteld. Per 8 december 2023 werd de 
ziektewetuitkering beëindigd. Klaagster ging in bezwaar bij het Uitvoeringsinstituut 
Werknemersverzekeringen (UWV). Het bezwaar werd gegrond verklaard, waarna alsnog met terugwerkende 
kracht de mate van arbeidsongeschiktheid per 8 oktober 2023 diende te worden vastgesteld. Daartoe 
werd klaagster uitgenodigd voor een beoordeling door verweerder.

3.2  Klaagster werd opgeroepen voor een digitaal spreekuur op 17 oktober 2024 om
16.15 uur. In de uitnodigingsbrief staat (alle citaten voor zover van belang en letterlijk 
weergegeven) het volgende vermeld:
“(…)
Daarom vragen we je om 5 minuten voor de start van de afspraak aan te kloppen in de digitale 
wachtkamer en tenminste 10 minuten na aanvang starttijd te wachten. (…) Mocht het niet lukken om in 
het videoconsult te komen dan hoef je je geen zorgen te maken. De specialist zal je (anoniem) 
bellen. Zorg ervoor dat je je telefoon dus bij de hand hebt. (…)”

3.3   Het lukte op 17 oktober 2024 niet om contact te krijgen met klaagster via de Teams-link. 
Verweerder heeft vervolgens geprobeerd contact te krijgen met klaagster via het door klaagster 
opgegeven telefoonnummer. Er is gebeld om 16:09 uur, 16:39 uur, 17:04 uur en 17:07 uur. Het contact 
kon niet tot stand worden gebracht.

3.4  In de rapportage van 17 oktober 2024 is, het volgende vermeld:
“Rapportage no show (…)
No Show    De (ex)werknemer was ondanks de meerdere belpogingen digitaal noch telefonisch 
(telefoonnummer) bereikbaar tijdens de ingeplande spreekuurafspraak. Er heeft geen beoordeling van 
de arbeidsgeschiktheid kunnen plaatsvinden. Een Rapportage of UWV-document in het kader van de Wet 
Verbetering Poortwachter is daardoor niet opgesteld.
(…)”

3.5.  Klaagster is vervolgens opnieuw opgeroepen voor het spreekuur van
24 oktober 2024. Ook dit was een digitaal spreekuur. Het contact is destijds tot stand gekomen, zij 
het dat verweerder klaagster niet heeft gesproken. Verweerder kon klaagster en haar partner niet 
zien, zij konden verweerder wel zien. Het gesprek is gevoerd met de partner en destijds gemachtigde 
van klaagster. Ondanks meerdere verzoeken aan de partner van klaagster om klaagster zelf te mogen 
spreken is het gesprek enkel gevoerd met de partner van klaagster (die destijds ook de gemachtigde 
van klaagster was).

3.6  In de spreekuurrapportage van 24 oktober 2024 is, voor zover thans van belang, het volgende 
vermeld:
“(…) zijn er benutbare mogelijkheden? In aanwezigheid van betr heb ik via Teams dhr (naam partner) 
gesproken. Enige reactie van betr. bleef ondanks herhaaldelijk verzoek en vragen van mij uit. Of 
betr. benutbare mogelijkheden heeft, heb ik niet kunnen beoordelen, omdat dhr (naam partner) 
voortdurend het woord voerde en betr. zelf geen enkel reactie gaf.

Interventie: Aangezien ik betr. niet heb kunnen c.q. mogen spreken van dhr (naam partner)
is het niet te beoordelen of de lopende interventies adequaat zijn. (…)
Niet-medische conclusie: Er heeft geen beoordeling van de arbeidsongeschiktheid en 
re-integratiemogelijkheden plaatsgevonden door de tegenwerking van dhr (naam partner), woordvoerder 
van betr. Ondanks het feit dat betr. naast hem zat terwijl ik met zie via Teams communiceerde 
reageerde betr. niet op mijn groet en vragen. Na ruim een half uur durend gesprek met dhr (naam 
partner) heb ik het contact beëindigd en de verbinding verbroken. (…)”

3.7  Volgens het transcript dat door klaagster is ingediend, is tijdens het gesprek op
24 oktober 2024 onder meer het volgende besproken (V is verweerder, G is de partner van klaagster):
“(…) Ja, goedemorgen met de arboarts. (…)
V: U de camera aanzetten want ik kan mevrouw (naam klaagster) niet G: ik heb geen camera
V: Oh, heeft het toestel van mevrouw (naam klaagster) geen camera? G: gaat het wel helemaal lekker 
met u?
V: Mag ik mevrouw (naam klaagster) spreken?
G: Ik heb een aantal vragen voor u
(…)
G: (…) U staat onder supervisie dat klopt toch? Want dit gesprek wordt ook opgenomen dus dan u 
daarvan op de hoogte. Als u daar bezwaar tegen heeft dan kunt u mij dat zelf aangeven en dan de 
digitale wachtruimte verlaten. Maar zeker om de fraude die in het eerste gesprek is aangetoond 
nemen we dit gesprek op. (…)
G: ja ik vind het allemaal hartstikke leuk maar het interesseert mij geen reet waar je
geboren bent. Ik stel vast dat u de Nederlandse taal niet machtig bent. (…)
Ik stel een aantal vragen. Je zegt net je biedt aan dat je een samenwerkingsovereenkomst kon laten 
zie. Nou dat is een aanbod, dan aanvaard ik dat aanbod en vervolgens trek je die keutel weer in, 
dat kan natuurlijk niet, dus laat het maar zien.
Leeft u nog? (…)
Ik heb het niet over mijn client, ik heb het over u. U moet wel goed luisteren. Dus nogmaals; Kunt 
u zich legitimeren?
V: wat wil je van mij weten?
Ja ziet u, u bent de Nederlandse taal niet machtig.
(…)
V: U bent voortdurend aan het woord en ik heb niet eens gedag kunnen zeggen aan (naam klaagster)
G: ja, maar dat vraag ik niet
V: Mijnheer, wat wilt u, wilt u dat we de beoordeling doen en dat we de documenten achteraf nog 
kunt krijgen.
G: nou dat is zeker een vereiste, dus dat is geen enkel punt, maar ik heb ook nog een andere vraag. 
Dus er is sprake van een vertrouwensbreuk en als er sprake is van een vertrouwensbreuk moet de 
bedrijfsarts worden geraadpleegd. Bent u daarvan op de hoogte? V: wat bedoelt u met 
vertrouwensbreuk? Met mij? (naam klaagster) heeft mij niet eens gesproken.
G: ja, ik heb het niet over u, ik heb het over de ex-werkgever, dus met (naam werkgever)
(…)
Nou er is sprake van een vertrouwensbreuk met de ex-werkgever en client en dat dient altijd de 
bedrijfsarts te worden geraadpleegd, nou dat bent u niet, dus wat gaat u doen?
(…)”

3.8  Verweerder heeft klaagster na 24 oktober 2024 niet meer gesproken.

4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1  Klaagster verwijt verweerder dat hij:
1)   het opzettelijk heeft doen voorkomen alsof klaagster zou hebben tegengewerkt bij de 
      beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid en re-integratiemogelijkheden, terwijl dit in 
      werkelijkheid niet het geval is. Het is juist verweerder geweest die in strijd met de waarheid 
      heeft verklaard dat klaagster tijdens een eerder gesprek niet zou zijn
      verschenen en daardoor een vertrouwensbreuk heeft veroorzaakt;

2)   heeft verzuimd om na kennisname van de vertrouwensbreuk klaagster te informeren dat zij zich 
      te allen tijde kon wenden tot zijn supervisor;
3)   niet heeft gereageerd op de brief van 29 oktober 2024, waardoor hij geen verantwoordelijkheid 
      heeft genomen, althans hij zich niet open, leerbaar en toetsbaar heeft opgesteld.

4.2  Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts voor arbeid en gezondheid – 
verzekeringsgeneeskunde / bedrijfsarts in opleiding (verder: bedrijfsarts in opleiding). Bij de 
beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere 
professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd 
genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen 
tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel 1) opzettelijk tegenwerken van klaagster en veroorzaken vertrouwensbreuk
5.2   Klaagster heeft als nadere toelichting op dit klachtonderdeel aangevoerd dat de term “no 
show” erop duidde dat zij niet was verschenen. Ze was echter op 17 oktober 2024 wel degelijk 
verschenen op het digitale spreekuur maar een verbinding kwam niet tot stand. Ook heeft verweerder 
niet binnen 10 minuten na aanvang starttijd van het spreekuur gebeld. Hetgeen verweerder in de 
rapportage van 17 oktober 2024 heeft opgenomen is dan ook in strijd met wat er daadwerkelijk is 
gebeurd. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van klaagster nader aangevoerd dat klaagster al 
twijfels had over de organisatie waar verweerder werkzaam was. Er was al in 2017 een tv-uitzending 
waarin werd gesuggereerd dat de daar werkzame artsen werden betaald om rapportages op een bepaalde 
manier in te vullen. Tijdens het gesprek op 24 oktober 2024 heeft klaagster met behulp van haar 
partner enkel willen onderzoeken of verweerder wel of niet het rapport zelf had opgesteld.

5.3   Verweerder heeft aangevoerd dat in de rapportage van 17 oktober 2024 duiding is gegeven aan 
de “no show” zoals die standaard wordt genoemd. Daarbij heeft verweerder enkel de feitelijkheden 
bedoeld op te sommen. Niet bereikbaar is ook niet hetzelfde als niet verschenen. Verweerder heeft 
ook aangevoerd dat het vermelden van ‘no show’ voor klaagster geen consequenties had. Immers 
klaagster is snel opnieuw opgeroepen, namelijk op 24 oktober 2024. Daaruit kon volgens verweerder 
worden afgeleid dat er geen negatieve oordelen waren bedoeld met de vermelding van “no show”. Het 
gesprek op 24 oktober 2024 heeft niet kunnen leiden tot een beoordeling van de 
arbeidsongeschiktheid van klaagster. Dat is ook in de rapportage opgenomen.

5.4   Het college oordeelt als volgt. Uit hetgeen door klaagster naar voren is gebracht leidt het 
college af dat klaagster van mening is dat er een vertrouwensbreuk is ontstaan door de vermelding 
van ‘no show’. Door deze weergave zou volgens klaagster sprake zijn van opzet, zo begrijpt het 
college.

5.5   Het college begrijpt uit de nadere toelichting tijdens de zitting dat klaagster huiverig was 
om met de organisatie van verweerder haar situatie te bespreken vanwege de
tv-uitzending van een aantal jaren daarvoor, maar dat leidt nog niet ertoe dat kan worden 
geconcludeerd dat er sprake zou zijn van opzet door verweerder. Wat er ook zij van de
tv-uitzending, in het tuchtrecht gaat het om de persoonlijke verwijtbaarheid van degene over wie 
een klacht wordt ingediend. Naar het oordeel van het college kan niet worden vastgesteld dat sprake 
is geweest van enige opzet aan de zijde van verweerder om klaagster tegen te werken.

5.6   Dan dient beoordeeld te worden of afgezien van opzet sprake is geweest van een onjuiste 
weergave in de rapportage van 17 oktober 2024. Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat er op 17 
oktober 2024 geen verbinding tot stand is kunnen komen. Klaagster is daarop gebeld, maar ook 
telefonisch heeft verweerder klaagster niet kunnen bereiken. Daarmee staat vast dat klaagster niet 
bereikbaar was. De constatering van verweerder, dat klaagster niet bereikbaar was, is dan ook een 
correcte feitelijke constatering geweest die strookt met de gebeurtenissen. Dat daardoor geen 
rapportage kon worden opgemaakt over de arbeidsongeschiktheid van klaagster is een logisch gevolg 
van deze feitelijke constatering. Dat dit tot een vertrouwensbreuk zou hebben geleid bij klaagster 
moge zo zijn, maar neemt niet weg dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld 
als het gaat om de juiste weergave van de gebeurtenissen in de rapportage. Dit leidt ertoe dat dit 
klachtonderdeel reeds daarom ongegrond is.

5.7   Klaagster heeft weliswaar betoogd dat niet duidelijk is of verweerder haar wel dezelfde dag 
heeft gebeld en dat er gebeld is buiten het aangegeven tijdvak, maar dat kan het college niet 
volgen. Naar het oordeel van het college kan, bij gebreke van een voldoende onderbouwde betwisting 
van de door verweerder overgelegde screenshots, worden aangenomen dat verweerder ook daadwerkelijk 
op 17 oktober 2024 heeft geprobeerd klaagster telefonisch te bereiken. Dat was volgens de 
uitnodiging de gebruikelijke handelswijze en daarvan was klaagster ook op de hoogte. Zij wist ook 
dat zij mogelijk met een anoniem nummer gebeld zou worden. Het had op de weg van klaagster gelegen 
om, indien zij meende dat deze handelswijze in dit geval niet was gevolgd door verweerder, haar 
betwisting nader te onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan.

5.8   Ook de stelling van klaagster dat niet zou zijn gebeld binnen het aangegeven tijdvak leidt 
niet tot een ander oordeel over het niet verwijtbaar handelen van verweerder. Ook als moet worden 
aangenomen dat er een strikt tijdvak zou zijn waarbinnen door verweerder gebeld had moeten worden, 
valt in ieder geval de poging om 16:39 uur binnen dit door klaagster genoemde tijdvak. Immers, de afspraak
was om 16:15 uur en gevraagd wordt om tenminste 10 minuten te wachten of er daadwerkelijk geen verbinding
tot stand komt. Dat betekent dat klaagster tenminste tot 16:25 uur diende te wachten. Het tijdvak waar
klaagster naar verwijst, begint pas te lopen als deze verbinding na 10 minuten niet heeft kunnen plaatsvinden.
Eerst dan wordt het namelijk opportuun om telefonisch contact te zoeken. Vast staat dat klaagster in ieder geval
om 16.39 uur de telefoon niet heeft opgenomen, ook aangenomen dat dit net buiten de 10 minuten lag, 
had klaagster zich ervan bewust moeten zijn dat verweerder zou kunnen bellen en had zij de telefoon 
kunnen opnemen.

5.9   Het college begrijpt tenslotte dat klaagster heeft bedoeld te betogen dat er een 
vertrouwensbreuk is ontstaan tijdens het gesprek op 24 oktober 2024 door toedoen van verweerder. 
Klaagster wilde aanvankelijk tijdens het gesprek op 24 oktober 2024 slechts vaststellen of 
verweerder het rapport van 17 oktober 2024 zelf had opgemaakt.

5.10  Het college stelt vast dat uit de transcriptie van het telefoongesprek tussen verweerder en 
de partner van klaagster enkel kan worden opgemaakt dat er een vertrouwensbreuk was ontstaan met de 
(ex)-werkgever van klaagster en dat klaagster - kort gezegd – belang hechtte aan een legitimatie 
van verweerder, het feit dat verweerder als AIOS werkt, bewijs daarvan, het al dan niet machtig 
zijn van de Nederlandse taal en het feit dat er sprake was van een vertrouwensbreuk met de 
(ex)-werkgever van klaagster. De partner van klaagster heeft zich tijdens dit gesprek intimiderend 
opgesteld naar verweerder en had, zo blijkt uit de transcriptie, helemaal niet de intentie om 
verweerder met klaagster het gesprek te laten voeren over de (mate van) arbeidsongeschiktheid van 
klaagster. Dat door toedoen van verweerder een vertrouwensbreuk is ontstaan, kan het college niet 
volgen. Het had op de weg van klaagster gelegen om haar standpunt hierover duidelijk toe te 
lichten. Nu zij dat niet heeft gedaan, kan ook dit standpunt niet leiden tot gegrondverklaring van 
dit klachtonderdeel.

5.11  Gelet op al het vorenstaande is het college van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk 
verwijtbaar heeft gehandeld met betrekking tot het opmaken van de rapportage noch dat hem verweten 
kan worden dat er een vertrouwensbreuk is ontstaan. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel 2) verzuimd te wijzen op supervisor.
5.12  Klaagster heeft ter nadere toelichting gewezen op de NVAB-Leidraad Delegatie van taken door 
de bedrijfsarts en supervisie, waarin volgens klaagster zou staan dat incidenten binnen twee dagen 
dienen te worden gemeld, terwijl dit niet is gebeurd. Daarnaast heeft klaagster gewezen op het feit 
dat verweerder eerder heeft gelogen dat hij de situatie had besproken met zijn supervisor, zo 
blijkt uit het transcript van het telefoongesprek met de supervisor en het door klaagster 
ingediende verslag van supervisie, terwijl verweerder dat op dat moment nog niet had gedaan.

5.13  Verweerder heeft aangevoerd dat hij de wijze waarop het gesprek op 24 oktober 2024 had 
plaatsgevonden wel degelijk heeft gecommuniceerd met de supervisor. Hij heeft het incident 
besproken op het moment dat er regulier overleg plaatsvond tussen verweerder en de supervisor. 
Tijdens dit gesprek bleek dat de partner van klaagster de supervisor al had ingelicht en vragen had 
gesteld.

5.14  Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Vast staat dat klaagster 
wist dat verweerder onder supervisie werkte. Anders dan klaagster kennelijk veronderstelt, geldt er 
niet een verplichting voor verweerder om cliënten actief te wijzen op de mogelijkheid om zich te 
wenden tot de eindverantwoordelijke bedrijfsarts, tenzij daar een concrete aanleiding voor is. Uit 
het transcript van het gesprek van 24 oktober 2024 blijkt dat verweerder toen er een concrete 
aanleiding was, ook daadwerkelijk heeft vastgesteld dat er behoefte was om met de supervisor te 
overleggen. Dat is door verweerder ook in gang gezet. Dit klachtonderdeel is in zoverre ongegrond.

5.15  Dat verweerder binnen twee werkdagen met zijn supervisor had moeten overleggen over de 
gebeurtenissen op 24 oktober 2024 kan, anders dan klaagster kennelijk veronderstelt, niet uit de 
richtlijn worden opgemaakt. De richtlijn ziet op taakdelegatie en op supervisie. Met betrekking tot 
de taakdelegatie wordt wel opgemerkt dat de bedrijfsarts dient zorg te dragen voor de mogelijkheid 
van tijdige consultatie door de gedelegeerde. Tijdig is tenminste binnen 2 werkdagen en bij 
invasieve handelingen per direct. Vast staat evenwel dat verweerder geen gedelegeerde was, maar dat 
sprake was van supervisie. In de leidraad wordt aan het overleg met een supervisor geen voorwaarde 
van twee dagen gesteld, maar slechts de voorwaarde van een regelmatig overleg. Verweerder heeft 
gemeend het incident, dat overigens geen medisch-inhoudelijk handelen betrof, te kunnen bespreken 
tijdens het reguliere overleg met de supervisor dat reeds gepland stond op 29 oktober 2024. Naar 
het oordeel van het college kan het verweerder bezwaarlijk worden kwalijk genomen dat hij het 
reguliere overleg heeft afgewacht. Dat verweerder zich door de op zijn minst onfatsoenlijke wijze 
van bejegening door de partner en destijds gemachtigde van klaagster niet uit het veld heeft laten 
slaan en heeft gemeend het niet groter te maken door het reguliere overleg af te wachten, acht het 
college bewonderenswaardig. Dit klachtonderdeel is in alle onderdelen ongegrond.

Klachtonderdeel 3) niet gereageerd op de brief van 29 oktober 2024
5.16  Klaagster verwijt verweerder tenslotte dat hij zich niet open en toetsbaar heeft opgesteld 
door niet te reageren op de brief van 29 oktober 2024. Verweerder heeft opgemerkt dat de brief was 
gericht aan elf personen en dat sprake was van een aansprakelijkheidsstelling. Dit is vervolgens 
door de advocaat van de instelling opgepakt. Verweerder heeft een en ander aan klaagster laten 
weten bij e-mail van 18 november 2024.

5.17  Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. De betreffende brief is een 
aansprakelijkheidsstelling die is gestuurd naar een groot aantal geadresseerden. Deze is vervolgens 
door de betreffende advocaat adequaat beantwoord. Het kan in de setting van een aansprakelijkheidsstelling
aan meerdere personen niet aan verweerder worden tegengeworpen dat hij deze brief niet persoonlijk heeft beantwoord. Niet gebleken is dat verweerder zich daardoor niet toetsbaar zou hebben opgesteld.
Anders dan klaagster kennelijk veronderstelt, is een toetsbare opstelling niet gelijk aan erkenning van enige aansprakelijkheid.

Slotsom
5.18  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

Publicatie
5.19  In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. De publicatie zal 
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht ongegrond;
-  bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen 
   of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter 
   publicatie zal worden aangeboden aan tijdschriften Medisch Contact en Tijdschrift voor Bedrijfs en 
   Verzekeringsgeneeskunde (TBV).

Deze beslissing is gegeven door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
W.G.H. Corté, lid-jurist, R.P.J. Ansem, P.E. Rodenburg en P. Eken, leden-beroepsgenoten, bijgestaan 
door G.J. Stoepker, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door de voorzitter op 29 juli 2026.