ECLI:NL:TGZRSHE:2026:134 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8277
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:134 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 29-07-2026 |
| Datum publicatie: | 29-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8277 |
| Onderwerp: | Onheuse bejegening |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster klaagt erover dat de psychiater zich tijdens een intakegesprek onheus heeft gedragen tegenover haar en haar moeder. Het tuchtcollege oordeelt dat niet kan worden vastgesteld dat de psychiater zich onheus heeft gedragen, omdat de verklaringen van partijen daarover uiteenlopen en hiervoor geen bewijs is. De eerste twee klachtonderdelen zijn daarom ongegrond. Klaagster is niet-ontvankelijk in het derde klachtonderdeel over de bejegening van moeder, omdat alleen moeder daarover kan klagen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 29 juli 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen:
[C],
psychiater,
(destijds) werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de psychiater.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster ging samen met haar moeder naar een intakegesprek met verweerder
met het oog op een
mogelijke ambulante behandeling door de instelling waar verweerder werkt. Volgens
klaagster heeft
verweerder haar en haar moeder onheus bejegend, waarna zij zich genoodzaakt zagen
te vertrekken.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld, omdat de gestelde feiten niet vast te stellen zijn en omdat klaagster
alleen over
handelen jegens haarzelf kan klagen niet over handelen jegens haar moeder. Dat klachtonderdeel
is
niet-ontvankelijk.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 18 maart 2026;
- het verweerschrift, ontvangen op 16 juli 2025;
- de bijlage van verweerder, ontvangen op 26 augustus 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 30 oktober 2025.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 5 juni 2026. Verweerder is verschenen.
Klaagster is niet verschenen. Het college heeft vastgesteld dat zij wel behoorlijk
was opgeroepen,
en geen bericht van verhindering heeft gestuurd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster, die zwaar depressief is geweest en meerdere zelfmoordpogingen heeft
gedaan, kwam
voor een gesprek betreffende een ambulante behandeling bij de instelling waar verweerder
werkt. Dit
gesprek was op verzoek van de Zorggroep die de intake voor begeleiding van klaagster
had gedaan en
een intakeformulier had ingevuld. De medewerker van de Zorggroep had klaagster meegedeeld
dat
klaagster bij het gesprek bij verweerder een van haar ouders kon meenemen.
3.2 Het gesprek vond plaats op 25 maart 2024. Klaagster werd daarbij vergezeld door
haar moeder.
Klaagster en moeder hebben voortijdig het gesprek verlaten.
4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Klaagster verwijt de psychiater dat hij:
1. het vertrouwen enorm heeft geschaad, en dit terwijl klaagster mentaal al in een
dieptepunt zat;
2. klaagster belachelijk heeft gemaakt om dingen die juist passen bij haar Autisme
Spectrum
Stoornis diagnose, bij een organisatie die gespecialiseerd is in autisme zorg;
3. haar moeder emotioneel heeft beschadigd en van dingen heeft beschuldigd die totaal
niet in haar
moeders karakter liggen.
4.2 Verweerder heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren
in
klachtonderdeel c en dit klachtonderdeel dus niet inhoudelijk te behandelen. Verweerder
betreurt de
gang van zaken tijdens het gesprek en meent dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling
wordt
rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd
genoeg voor een
tuchtrechtelijk verwijt.
5.2 Het college oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdeel 1) het vertrouwen van klaagster geschaad, terwijl klaagster mentaal
al op een
dieptepunt zat; en
klachtonderdeel 2) klaagster belachelijk heeft gemaakt om dingen die juist passen
bij
haar Autisme Spectrum Stoornis diagnose en dat bij een organisatie die gespecialiseerd
is in
autisme zorg.
5.3 Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
5.4 Klaagster voert aan dat verweerder veel te laat kwam op het gesprek en vervolgens
klaagster
en moeder ervan beschuldigde dat zij vijf minuten te laat kwamen. Daarnaast ontbrak
het
intakeformulier waarvan verweerder anderen de schuld gaf, terwijl hij daarvoor verantwoordelijk
was. Klaagster moest daardoor haar hele verhaal opnieuw vertellen. Klaagster stelt
verder dat
verweerder haar belachelijk maakte omdat zij op 22-jarige leeftijd haar moeder meenam,
zonder haar
te vragen wat daartoe de reden was – zij had vooraf namelijk vernomen dat ze een
van haar ouders
mocht meenemen - en vond het belachelijk dat zij hulp vroeg bij het zelfstandiger
wonen, meer in
het bijzonder het zelfstandig koken en schoonmaken. Hij vond het belachelijk dat
klaagster dat nog
niet zelfstandig kon want “zo moeilijk was dat toch niet?”
5.5 Verweerder voert aan dat hij iets te laat was doordat het voorgaande gesprek
was uitgelopen
en dat hij zich daar mogelijk onvoldoende (duidelijk) voor heeft geëxcuseerd. Hij
stelde vragen om
klaagster beter te leren kennen om een globaler beeld aangaande de problematiek
en mogelijke
behandeldoelen vast te kunnen stellen, waaraan moeder zich ergerde omdat klaagster
die vragen al in
een eerder gesprek had beantwoord. Hij heeft tijdens de zitting uiteengezet dat
het intakeformulier
wordt ingevuld door medewerkers van de begeleidingstak van de Zorginstelling. Dat
zijn geen medisch
geschoolde zorgverleners en deze medewerkers werken met een ander softwaresysteem
waarin de
gegevens van cliënten/patiënten worden opgeslagen. Verweerder heeft vooraf niet
het intakeformulier
ontvangen, maar alleen een mondelinge toelichting gekregen waarom de cliënt in aanmerking
zou komen
voor een behandeling. Dat vormt voor hem het begin van het gesprek met een patiënt.
In dat gesprek
moet vastgesteld worden of de patiënt geschikt is en gemotiveerd is een behandeling
te volgen.
Verweerder wilde dat in het gesprek van 25 maart 2024 onderzoeken. Verweerder zegt
verder dat hij
ietwat verrast was dat klaagster werd vergezeld door haar moeder omdat een intake
voor behandeling
van autismespectrumstoornis gerelateerde symptomen individueel en ambulant bij hem
gebeurde, maar
hij vond dat verder geen probleem. Hij betwist wat klaagster stelt over zijn opmerkingen
over het
zelfstandig wonen. Het gesprek verliep erg ongelukkig en werd voortijdig afgebroken
doordat
klaagster en haar moeder vertrokken.
5.6 Het college oordeelt als volgt. Vast staat dat partijen het oneens zijn over
wat er tijdens
het consult over en weer is gezegd. Er zijn geen stukken die één van de lezingen
kan bevestigen.
Het college overweegt dat in gevallen waarin de lezingen van partijen omtrent een
klacht
uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk
is, die
klacht dan wel dat klachtonderdeel niet gegrond kan worden verklaard. Dit betekent
niet dat aan het
woord van klaagster minder geloof wordt gehecht dan aan het woord van verweerder.
Echter, voor het
oordeel dat bepaalde gedragingen van een verweerder hem tuchtrechtelijk kunnen worden
verweten,
moet eerst worden vastgesteld dat er sprake is van zodanige gedragingen. Dat is
in deze zaak niet
mogelijk.
5.7 Klaagster maakt verweerder voorts het verwijt dat hij niet over het intakeformulier beschikte
tijdens
het gesprek. Zij stoorde zich eraan haar verhaal opnieuw te moeten doen. De verweerder
stelt daar tegenover
dat het door de begeleiding gemaakte intakeformulier een ander karakter kent dan
een intakeformulier voor
een behandeling, en ook dat hij door het stellen van vragen met een patiënt kennismaakt
en een indruk van
een patiënt krijgt. Een indruk die hij juist tijdens een gesprek wil opdoen. Het
college oordeelt dat de aanpak
van de verweerder niet verwijtbaar is. Over het ongelukkige contact tussen partijen
dat in dat kader ook
plaatsvond heeft het college hiervoor in alinea 5.6 al overwogen dat niet vastgesteld
kan worden dat de
psychiater hierover een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De klachtonderdelen
1 en 2 zijn ongegrond.
klachtonderdeel 3) haar moeder emotioneel heeft beschadigd en van dingen heeft beschuldigd
die
totaal niet in haar moeders karakter liggen.
5.8 Het handelen waarover geklaagd wordt, betreft het handelen van verweerder
tegen de moeder van
klaagster en niet tegen klaagster zelf. Het is echter aan moeder zelf om hierover
te klagen, indien
zij dit wenst. Nu niet blijkt dat klaagster námens haar moeder klaagt en zij zelf
over deze
bejegening van haar moeder door verweerder niet kan klagen, is klaagster in haar
klacht in dit
onderdeel niet-ontvankelijk.
Slotsom
5.9 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de onderdelen 1 en 2 ongegrond zijn
en dat klaagster
in klachtonderdeel 3 niet-ontvankelijk is.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klaagster niet-ontvankelijk voor wat betreft klachtonderdeel 3;
- verklaart de klachtonderdelen 1 en 2 ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door A.H.M.J.F. Piëtte, voorzitter, A.C.M. Kleinsman en
H.J. de Boer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door I.F. Schouwink, secretaris,
en in het openbaar
uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 29 juli 2026.