ECLI:NL:TGZRSHE:2026:133 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8622
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:133 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-07-2026 |
| Datum publicatie: | 22-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8622 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Verwijten aan huisarts dat zij klager niet naar een oogarts maar naar een optometrist heeft gestuurd, dat zij klager niet zelf heeft uitgenodigd op haar spreekuur, dat zij zijn klachten niet serieus heeft genomen, dat zij onvoldoende heeft gedaan om ervoor te zorgen dat klager eerder bij de oogarts terecht kon en dat zij achteraf haar fout niet heeft erkend. De klacht is in zoverre gegrond, dat de huisarts in de door klager in een herhaald e-consult geuite klachten aanleiding had moeten zien om contact met klager op te nemen, hetzij telefonisch hetzij door hem uit te nodigen op het spreekuur, om die klachten uit te vragen en deugdelijk te kunnen beoordelen of een verwijzing met spoed alsnog in de rede lag. De klacht is voor het overige ongegrond. Waarschuwing. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 22 juli 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
tegen
[C],
huisarts, werkzaam in [B],
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. H.B.M. Vrieling, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 In deze zaak heeft klager vanwege oogklachten enkele elektronische consulten
(hierna:
e-consulten) gehad bij de huisartsenpraktijk waar verweerster werkzaam is. Klager
verwijt de
huisarts dat zij hem niet naar een oogarts, maar naar een optometrist heeft gestuurd,
dat zij
klager niet zelf heeft uitgenodigd op haar spreekuur, dat zij zijn klachten niet
serieus heeft
genomen en dat zij onvoldoende actie heeft ondernomen om ervoor te zorgen dat klager
eerder bij de
oogarts terecht kon. Ook verwijt klager de huisarts dat zij achteraf haar fout niet
heeft erkend.
De huisarts heeft verweer gevoerd tegen de klacht.
1.2 Het college is van oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. De huisarts
had in de door
klager op 26 mei 2025 door middel van een e-consult geuite klachten aanleiding moeten
zien om
contact met klager op te nemen, hetzij telefonisch hetzij door hem uit te nodigen
op het spreekuur,
om die klachten uit te vragen en deugdelijk te kunnen beoordelen of een verwijzing
met spoed alsnog
in de rede lag. De klacht is voor het overige ongegrond. Het college legt de huisarts
de maatregel
van waarschuwing op. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 19 juni 2025;
- de brief van 22 juli 2025 van de secretaris aan klager;
- het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 6 augustus 2025;
- het verweerschrift, per e-mail ontvangen op 9 september 2025 en per post ontvangen
op
11 september 2025;
- het medisch dossier van klager, ingediend door klager, ontvangen op 23 september
2025;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 27 november 2025.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 29 mei 2026. Partijen zijn verschenen
en
hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De huisarts werd bijgestaan door haar
gemachtigde.
3. De feiten
3.1 Klager heeft op 7 mei 2025 in het kader van een e-consult een bericht gezonden
naar de
huisartsenpraktijk, waarvan de huisarts mede-praktijkhouder is. Het bericht luidt
als volgt (alle
citaten zijn letterlijk weergegeven):
“Ongeveer 20 jaar geleden heb ik een staaroperatie ondergaan. Ik heb dus een implantaatlens
gekregen. Inmiddels begin ik weer wat wazig te zien en heb wat zwarte vlekken in
dit oog die
verdwijnen hem weer terugkomen. Ik zou graag ter controle naar een oogarts verwezen
worden. Of is
het toch nodig eerst naar uw praktijk te komen?”
3.2 De assistente heeft klager na overleg met een collega van de huisarts diezelfde
dag bericht:
“Ik heb uw vraag al overlegd met de huisarts en haar advies is als volgt: U hoeft
wat mij betreft
niet eerst naar opticien, u mag direct naar optometrist (veel sneller dan oogarts,
en deze wijst
indien nodig alsnog door naar de oogarts).”
3.3 Op 9 mei 2025 heeft de optometrist de huisartsenpraktijk bericht over zijn bevindingen.
Zijn
conclusie luidde:
“Gaarne doorverwijzing voor de oogarts voor deze cliënt,
OD [college: rechts] pseudo-afaak waarbij bij onderzoek de lens niet meer helemaal
helder lijkt en
aanwezigheid van floater, tevens neemt de klant sinds een paar maanden vlekken waar
in dit oog.
Voor de cataract operatie had meneer een sterkte van plm -7.50
OS [college: links] is de visus sinds een half jaar met 15% gedaald en is er waarneembare
vertroebeling op de ooglens.
Bij de funduscopie zijn geen bijzonderheden waargenomen.”
De collega van de huisarts heeft klager diezelfde dag doorverwezen naar de oogarts.
3.4 Op 22 mei 2025 heeft klager in het kader van een e-consult het volgende bericht
aan de
praktijk gezonden:
“Inmiddels is de doorverwijzing naar (…) [ziekenhuis] verstuurd en die hebben mij
uitgenodigd voor
1 juli. Dat duurt me te lang. Er is schade aan mijn interne lens geconstateerd,
ik zie vlekken en
heb beginnende staar. Ik kreeg te horen dat alleen de huisarts kan verzoeken tot
verkorten van
wachttijd Kunt u helpen?”
3.5 De huisarts heeft klager diezelfde dag geantwoord:
“Ik begrijp dat u veel last ervaart met het zien, Maar de afwijking die de optometrist
heeft
waargenomen is geen reden voor de oogarts om u versneld te zien. U zult toch moeten
wachten op de
afspraak van 1 juli.”
3.6 Op 26 mei 2025 heeft klager in het kader van een e-consult het volgende bericht
aan de
praktijk gezonden, met als bijlage het bericht van de optometrist van 9 mei 2025:
“Vorige week
heeft u mijn vraag met het verzoek tot hulp van wachttijd bemiddeling voor de oogarts
afgewezen
Ik wil u vragen het toch iets serieuzer te nemen, zie bijlage. Ik heb er echt ontzettend
veel last
van. Ik kan mijn lens niet meer een hele dag verdragen. Beide ogen hebben kwalen,
ik functioneer
niet meer gewoon.
Kan in anders met de doorverwijzing naar (…) [ander ziekenhuis]?”
3.7 De huisarts heeft diezelfde dag geantwoord dat het door klager genoemde ziekenhuis
een
wachttijd van 103 dagen had, zodat hij daar niet sneller terecht kon. Zij heeft
nog een oogkliniek
genoemd waar klager mogelijk wel sneller terecht kon. De huisarts heeft klager vervolgens
nog die
dag naar de door haar genoemde oogkliniek verwezen (daar kon klager binnen twee
weken terecht).
Daarnaast heeft de huisarts die dag op verzoek van klager een antibioticazalf voorgeschreven
voor
de ontsteking aan klagers linkeroog en klager geadviseerd de lenzen uit te laten
zolang hij last
had van roodheid van het oogwit.
3.8 Op zaterdag 31 mei 2025 is klager gezien op de huisartsenpost (HAP) met als
klacht:
“verminderd zicht aan 1 oog. ziet een soort schaduwrand en vlekken. rechter oog.
klachten zijn
vanaf gisteren heel de dag . niet pijnlijk.”
De dienstdoende huisarts heeft over zijn onderzoek genoteerd:
“Sinds gisteren zwarte waas voor rechter oog. Is omstreeks 2005 geopereerd aan staar
van dit oog.
Gebruikt geen medicatie. RR: 139/88 Ziet geen lichtflitsen of kringen. Gordijn voor
linkerkant van
het oog. verminderde visus rechts.”
3.9 Vanwege de verdenking van een netvliesloslating aan zijn rechteroog is klager
via de SEH met
spoed gezien door een oogarts, die bevestigde dat sprake was van een netvliesloslating
en klager
direct heeft doorgestuurd naar het Oogziekenhuis [D]. Daar is klager een dag later
geopereerd.
3.10 Op 3 juni 2025 heeft per e-consult de volgende berichtenwisseling tussen klager
en de
huisarts plaatsgevonden.
Klager:
“Vanaf 6 mei vraag ik mij door te sturen naar een oogarts. U stuurt mij eerst naar
een optometrist,
om vervolgens te weigeren de urgentie van de klachten serieus te nemen. Ik heb dit
meermaals
aangegeven
Ik wilde u laten weten dat ik afgelopen zaterdag via de HAP doorgestuurd ben naar
de SEH van het
(…) [ziekenhuis] om doorgestuurd te worden naar de SEH van het oogziekenhuis in
[D] waar ik gisteren met spoed geopereerd ben voor een netvliesloslating
Als dit achter de rug is wil ik met u hierover gesprek.”
De huisarts antwoordde aan klager:
“Ik las inderdaad de berichten dat je klachten sinds 1 dag veranderd waren toen
je met de HAP
contact opnam en dat er toen sprake bleek te zijn van een netvliesloslating. Heel
heftig voor je.
Uit je bericht begrijp ik dat je het niet eens bent met hoe de contacten de afgelopen
weken zijn
gelopen. Belangrijk is om dit inderdaad tijdens een spreekuur bezoek binnenkort
samen te bespreken.
Maar zorg eerst dat je oogbehandelingen afgerond zijn. Sterkte toegewenst.”
3.11 Klager heeft op 19 juni 2025 de onderhavige klacht ingediend.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klager verwijt de huisarts dat zij:
a) klager naar een optometrist heeft gestuurd en niet naar een oogarts zoals klager
had verzocht;
b) klager niet zelf heeft uitgenodigd op haar spreekuur;
c) de zorgen van klager meermaals en onterecht niet serieus heeft genomen en dat
zij klager
onvoldoende heeft geholpen bij het verkorten van de wachttijd voor een afspraak
bij de oogarts;
d) haar fout niet heeft erkend toen klager haar na de oogoperatie confronteerde
met wat er is
gebeurd.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hierna voor zover nodig verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar mocht worden
verwacht. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn voor
hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) verwijzing naar optometrist
5.2 Vast staat dat de huisarts bij de verwijzing naar de optometrist op of omstreeks
7 mei 2025 niet betrokken is geweest. Die verwijzing (en de verwijzing naar de oogarts
twee dagen
later) is blijkens het medisch dossier namelijk door een collega van de huisarts
gedaan. Alleen al
omdat de huisarts niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor het handelen van
een collega, is
dit klachtonderdeel ongegrond. Het college voegt daar uitsluitend ten overvloede
nog aan toe dat
het niet ongebruikelijk is om bij klachten zoals klager die op 7 mei 2025 heeft
gepresenteerd, de
patiënt in eerste instantie naar een optometrist te verwijzen. Zo de huisarts heeft
aangevoerd, is
dit ook conform de afspraken (tussen oogartsen/optometristen/huisartsen) in de regio.
De optometrist beschikt over betere apparatuur dan de huisarts om oogklachten in eerste
instantie te beoordelen en bovendien kan men
bij een optometrist doorgaans (aanzienlijk) sneller terecht dan bij een oogarts.
Klachtonderdelen b) en c) e-consulten na verwijzing naar de oogarts
5.3 Klager kon, zo blijkt uit het dossier, na de verwijzing van 7 mei 2025 op
1 juli 2025 terecht
bij de oogarts. Op 22 mei 2025 heeft klager de huisarts gevraagd of zij kon helpen
om de wachttijd
te verkorten, omdat het hem te lang duurde. De huisarts heeft onder verwijzing naar
het bericht van
de optometrist geantwoord dat zijn klachten voor de oogarts geen aanleiding waren
om klager eerder
te zien. In de gegeven situatie acht het college die reactie passend. Op dat moment
was er voor de
huisarts geen aanleiding om klager anders te berichten of om klager uit te nodigen
voor een consult
op het spreekuur. Ook hoefde de huisarts geen actie te ondernemen om te bewerkstelligen
dat klager
eerder dan 1 juli 2025 bij de oogarts terecht kon. Klager gaf geen evident andere
klachten aan dan
de klachten die de optometrist had beoordeeld en op basis waarvan de oogarts klager
had ingepland
voor een consult op een termijn van bijna twee maanden. Uit het bericht van de optometrist
blijkt
bovendien dat er geen reden was voor een beoordeling met urgentie. In zoverre zijn
de
klachtonderdelen b) en c) ongegrond.
5.4 Op 26 mei 2025 heeft klager nogmaals door middel van een e-consult contact opgenomen
met de
huisartsenpraktijk. In dit bericht meldt klager onder andere dat beide ogen kwalen
hebben en dat
hij niet meer normaal functioneert. Gelet hierop kan niet worden volgehouden dat
toen geen sprake
was van een toename van de klachten en dat geen aanleiding bestond voor actie, anders
dan het
voorschrijven van zalf voor de ontsteking aan het linkeroog en het doorverwijzen
van klager naar
een kliniek waar hij eerder dan 1 juli 2025 terecht kon. Dit geldt te meer nu klager
voor de tweede
keer hierom vroeg. Het betoog van de huisarts dat klager in zijn bericht geen melding
maakt van
alarmsignalen, maakt dit niet anders. Van een patiënt kan niet worden verlangd dat
hij weet welke
alarmsignalen bij zijn klachten horen, laat staan dat kan worden verlangd dat hij
daarvan uit
zichzelf melding maakt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de huisarts in aanvulling
op
hetgeen zij bij verweerschrift heeft aangevoerd, nog verklaard dat zij haar aandacht
gericht heeft
op de wens van klager om (elders) eerder bij de oogarts terecht te kunnen dan op
1 juli 2025 en
niet op een mogelijke verergering van de klachten van klager. Hoewel klager in het
bericht van 26
mei 2025 inderdaad zijn wens om eerder dan 1 juli 2025 bij de oogarts terecht te
kunnen heeft
herhaald, kon de huisarts niet volstaan met de doorverwijzing naar de kliniek waar
klager eerder
terecht kon. De mededeling van klager dat beide ogen kwalen hadden en dat hij niet
meer normaal
functioneerde, had voor de huisarts aanleiding moeten zijn om met klager contact
op te nemen,
hetzij telefonisch hetzij door hem uit te nodigen voor het spreekuur. Zij had op
dat moment ten
minste moeten uitvragen welke concrete klachten klager op dat moment had. Op basis
van de verkregen
informatie had vervolgens moeten worden beoordeeld of er op dat moment inmiddels
wel alarmsignalen
waren die maakten dat klager alsnog met spoed naar de oogarts moest worden verwezen.
In zoverre zijn de klachtonderdelen b) en c) gegrond.
5.5 Het college voegt hier nog aan toe dat het voorgaande niet betekent dat het
stellen van
nadere vragen en/of het uitnodigen van klager op consult tot een wijziging van het
ingezette beleid
zou (moeten) hebben geleid. Het is mogelijk dat de huisarts ook bij nader onderzoek
op goede
gronden tot de conclusie zou zijn gekomen dat er geen reden was om de bestaande
afspraak bij de
oogarts te bespoedigen. Een en ander is afhankelijk van de aard van de klachten
op dat moment en de
eventuele bevindingen bij onderzoek.
Klachtonderdeel d) fout niet erkend na oogoperatie
5.6 Het college stelt voorop dat een netvliesloslating vrij acuut optreedt. Het
college leidt uit
de inhoud van het klaagschrift en de door klager tijdens de mondelinge behandeling
gegeven
toelichting af dat klager van mening is dat de netvliesloslating voorkomen had kunnen
worden als
hij op enig moment wel met spoed naar de oogarts was verwezen. Dit kan echter niet
- en in ieder
geval niet met zekerheid - worden vastgesteld. Hiervoor (onder 5.5) is al overwogen
dat het
mogelijk is dat, ook als de huisarts naar aanleiding van het bericht op 26 mei 2025
met klager
contact had opgenomen om de klachten uit te vragen, zij terecht zou hebben kunnen
besluiten dat er
geen reden was voor een verwijzing met spoed. Het valt niet uit te sluiten dat er
ook op dat moment
(nog) geen alarmsignalen waren die noopten tot een verwijzing met spoed. In zoverre
kan dan ook
niet worden geoordeeld dat de huisarts door op 26 mei 2025 niet met spoed te verwijzen
een fout
heeft gemaakt die zij nadien ten onrechte niet heeft erkend. Het feit dat de klachten
op 30 mei
2025 zijn toegenomen en dat uiteindelijk een netvliesloslating heeft plaatsgevonden,
maakt dit niet
anders. Het handelen van de huisarts moet namelijk worden beoordeeld op basis van
de kennis die zij
op 26 mei 2025 had. Het college kan bij de beoordeling geen rekening houden met
feiten en
omstandigheden die daarna hebben plaatsgevonden. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Dit neemt niet weg dat het ongelukkig is dat verweerster naar aanleiding van het bericht
van klager
op 3 juni 2025 niet is overgegaan tot het maken van een afspraak met klager om een
en ander te
bespreken. Zij heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat
zij klager eerst
de gelegenheid heeft willen geven om van de operatie te herstellen en dat zij in
haar agenda had
genoteerd om na haar vakantie (eind juli 2025) een afspraak met klager te maken.
Toen zij van
vakantie terugkeerde, lag de klacht van klager er al en ging zij ervan uit dat een
gesprek niet
meer zinvol was, aldus verweerster (wat klager overigens ter zitting bevestigde).
Nog daargelaten
dat verweerster, ook als zij klager de gelegenheid had willen geven om te herstellen,
niet had
hoeven wachten met het inplannen van een afspraak (eventueel op latere termijn,
zo klager dat
prettiger had gevonden) geldt dat het enkele feit dat een klacht is ingediend, een
huisarts niet
ervan hoeft te weerhouden om een poging te doen om in een gesprek met de betreffende
patiënt de
lucht alsnog te klaren. Dat verweerster dat niet meer heeft gedaan, is evenwel niet
tuchtrechtelijk
verwijtbaar.
Slotsom
5.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klachtonderdelen a) en d) ongegrond
zijn en dat de
klachtonderdelen b) en c) gedeeltelijk, voor zover deze zien op het e-consult van
26 mei 2025,
gegrond zijn.
Maatregel
5.8 Nu de klacht gedeeltelijk gegrond is verklaard, moet het college bepalen of
en zo ja welke
maatregel dient te worden opgelegd. Het college stelt voorop dat bij de behandeling
van een
e-consult eens te meer zorgvuldig te werk moet worden gegaan, omdat louter op basis
van geschreven
tekst, zonder het zien en/of spreken van de patiënt, beleid wordt bepaald. Uit hetgeen
hiervoor is
overwogen, volgt dat de huisarts het e-consult van
26 mei 2025 onvoldoende zorgvuldig heeft afgehandeld. Door te betogen dat klager
in zijn bericht
geen melding maakte van alarmsignalen, miskent de huisarts dat óók (of misschien
wel juist) bij een
e-consult de verantwoordelijkheid op de arts rust om de gepresenteerde klachten
zo nodig nader uit
te vragen om te kunnen beoordelen of wel of geen sprake is van alarmsignalen. Tijdens
de mondelinge
behandeling is evenwel gebleken dat de huisarts zich realiseert dat het beantwoorden
van
e-consulten zijn beperkingen heeft. Zij heeft gereflecteerd op haar handelen en
zij heeft erkend
dat het achteraf gezien beter was geweest als zij klager op 26 mei 2025 had gezien
en de klachten
had uitgevraagd om vervolgens het verdere beleid te bepalen. Daarnaast heeft de
huisarts verklaard
dat zij haar handelswijze bij e-consulten heeft veranderd. Zij kijkt kritischer
naar de vragen die
worden gesteld en als de informatie beperkt is, neemt zij telefonisch contact op
met de patiënt of
nodigt zij deze uit voor een consult. Het college is, alles afwegend, van oordeel
dat de lichtste
maatregel, de waarschuwing, volstaat.
Publicatie
5.9 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets kunnen leren van wat hiervoor is
overwogen. De
publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of
instanties
herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klachtonderdelen b) en c) gedeeltelijk gegrond, voor zover deze
zien op het
e-consult van 26 mei 2025;
- legt de huisarts de maatregel op van waarschuwing;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door N.H.J. Lafghani, voorzitter, C.M.H.M. van Lent, lid-jurist,
J.G.E. Smeets, N.B. van der Maas en E. Jansen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
N.A.M. Sinjorgo, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths van Meerwijk op 22 juli 2026.