We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRSHE:2026:132 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8705

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:132
Datum uitspraak: 22-07-2026
Datum publicatie: 22-07-2026
Zaaknummer(s): H2025/8705
Onderwerp: Onvoldoende informatie
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een GZ-psycholoog. Klager, de echtgenoot van een patiënte met Alzheimer, verwijt de GZ-psycholoog onder meer dat zij een voorgenomen verhuizing van patiënte heeft geïnitieerd en verzwegen, de familie niet heeft betrokken bij de besluitvorming, buiten het multidisciplinair overleg om heeft gehandeld, onvoldoende uitleg heeft gegeven over de verhuizing en niet in het belang van patiënte heeft gehandeld. Het college oordeelt dat verweerster niet verantwoordelijk was voor de communicatie met de familie of het initiëren van de verhuizing, dat zij heeft gehandeld in samenspraak met de betrokken zorgverleners en dat de overwegingen voor de voorgenomen verhuizing voldoende waren gemotiveerd. Ook is niet gebleken dat zij buiten haar professionele rol is getreden of de belangen van patiënte heeft veronachtzaamd. De klacht wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 22 juli 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klager,

tegen

[C],
GZ-psycholoog, werkzaam in [D],
verweerster,
gemachtigde: mr. M.J. de Groot, werkzaam in Hilversum.

1. De zaak in het kort
1.1   Klager diende een klacht in met betrekking tot de behandeling van zijn echtgenote (hierna: 
patiënte). Patiënte is in 2013 gediagnosticeerd met Alzheimer, heeft een WLZ-indicatie en verblijft 
op een afdeling van een woonzorglocatie. Verweerster is aan die woonzorglocatie verbonden. In juni 
2025 is versneld besloten patiënte op korte termijn te laten verhuizen naar een andere afdeling 
binnen dezelfde woonzorglocatie. Na contact met klager is deze verhuizing niet doorgegaan. Klager 
maakt verweerster een groot aantal verwijten omtrent deze voorgenomen verhuizing.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 8 juli 2025;
- de brief van 25 augustus 2025 van de secretaris aan klager;
- de brief van 24 september 2025 van de secretaris aan klager;
- het e-mailbericht van klager, ontvangen op 9 oktober 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 27 november 2025;
- de brief van 22 december 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerster;

- het aanvullende verweerschrift, ontvangen op 13 januari 2026;

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Klager is de echtgenoot van patiënte. Patiënte is in 2013 gediagnosticeerd met Alzheimer en 
heeft een WLZ-indicatie. Zij verblijft sinds 9 januari 2025 op een afdeling van een 
woonzorglocatie, waaraan verweerster als psycholoog is verbonden. Deze woonzorglocatie heeft in 
totaal vijf afdelingen. Het regiebehandelaarschap van patiënte is gelegen bij een physician 
assistant en een specialist ouderengeneeskunde. Verweerster is dus geen regiebehandelaar van 
patiënte (geweest).

3.2   Verweerster is sinds januari 2025 eenmaal betrokken geweest bij een multidisciplinair overleg 
(MDO) over patiënte. In een rapportage van 3 april 2025, over de evaluatie van de werking van een 
medicijn bij patiënte, heeft verweerster aangegeven dat patiënte mogelijk beter zou gedijen op 
[afdeling], zijnde een andere afdeling van dezelfde woonzorglocatie. Verweerster noemde in dit 
verband het contact met enkele medebewoners en de rustige sfeer op die andere afdeling. Ook achtte 
verweerster het waardevol voor patiënte als ze de ruimte zou krijgen om buiten te wandelen, wat 
vanuit die andere afdeling gemakkelijker is.

3.3   Op 24 april 2025 en 1 mei 2025 heeft een gespecialiseerde medewerker welzijn patiënte naar de 
andere afdeling meegenomen om te kijken of patiënte een klik had met de medebewoonster op de andere 
afdeling.

3.4   In juni 2025 heeft de coach onbegrepen gedrag (COG) overlegd met verweerster in verband met 
wisseling van enkele bewoners, waaronder patiënte. Besproken is dat het wenselijk is dat patiënte 
zou overgaan naar de andere afdeling. Reden was dat patiënte al langer de wens had te wonen op de 
begane grond en dat zij voor de bediening van de lift afhankelijk is van begeleiding. Patiënte moet 
daardoor op haar huidige afdeling (die op een etage is gelegen) soms even wachten op een 
medewerker, wat leidt tot spanningsopbouw. Ook na een wandeling kan patiënte op haar huidige 
afdeling niet direct worden opgevangen door een voor haar vertrouwde medewerker. Gedacht werd dat 
overplaatsing patiënte mogelijk een vrijer gevoel zou geven. Op hetzelfde moment werd overwogen om 
een bewoner van de andere afdeling naar de afdeling van patiënte te verhuizen. Patiënte hoefde voor 
deze medebewoner geen plek te maken, maar de (verwachte) groepsdynamiek na de verhuizing van deze medebewoner naar de afdeling van patiënte vormde eveneens reden om te onderzoeken of patiënte kon verhuizen. Hierna is versneld besloten patiënte op korte termijn te laten verhuizen.

3.5   De communicatie over de verhuizing vond plaats tussen klager en de COG. De benodigde stappen 
waren doorlopen door de COG, de medisch behandelaar, de kwaliteitsverpleegkundige en verweerster, 
in samenspraak met de locatiemanager.

3.6   Op 1 juli 2025 zijn de verhuizingen van patiënte en de medebewoner besproken met de betrokken 
zorgteams, in aanwezigheid van de locatiemanager, de kwaliteitsverpleegkundige, de COG en 
verweerster. Op verzoek van het zorgteam heeft de COG de taak op zich genomen de contactpersonen 
van patiënte te betrekken bij de voorgenomen verhuizing. Na vergeefs contact te hebben gezocht met 
klager heeft de COG op 2 juli 2025 de tweede contactpersoon, de zus van klager, bereikt. De COG 
heeft haar geïnformeerd over de voorgenomen verhuizing. Direct daarna nam klager contact op met de 
woonzorglocatie. Hij wilde alle betrokkenen spreken. Enkel de COG en verweerster hadden op dat 
moment daarvoor gelegenheid en hebben klager toen te woord gestaan. De COG en verweerster hebben 
een toelichting gegeven en klager heeft (in ferme bewoordingen) zijn ongenoegen geuit en 
verweerster stevige verwijten gemaakt. Daarop hebben de COG en verweerster aangegeven de 
voorgenomen verhuizing van patiënte niet door te zetten omdat klager niet overtuigd was dat 
verhuizing voor patiënte bevorderlijk was.

3.7  Klager heeft een klacht ingediend bij de woonzorglocatie.

3.8   Verweerster heeft via de COG de locatiemanager verzocht contact met klager op te nemen, in 
verband met verweersters afwezigheid op donderdag 3 en vrijdag 4 juli 2025. Op 3 juli 2025 heeft 
klager een e-mail gestuurd aan verweerster, waarin hij aangaf ontstemd te zijn dat een reactie van 
verweerster uitbleef. Op 4 juli 2025, aan het einde van de middag, zag verweerster de e-mail van 
klager en heeft zij met haar leidinggevende contact opgenomen om de ontwikkelingen te bespreken. 
Een antwoord aan klager was toen vanwege de noodzaak van interne afstemming nog niet mogelijk.

3.9   Op 7 juli 2025 heeft deze afstemming plaatsgevonden, tussen de klachtenfunctionaris, de 
locatiemanager en de leidinggevende van verweerster. Diezelfde dag vond een gesprek plaats tussen 
klager, zijn zus, een ander familielid, de kwaliteitsverpleegkundige en de locatiemanager. 
Verweerster was eveneens bij het begin van dit gesprek aanwezig, maar heeft nog voor de 
inhoudelijke bespreking het gesprek verlaten, omdat – in elk geval – klager haar aanwezigheid niet 
op prijs stelde. Tijdens het gesprek is met klager afgesproken dat de klachtenfunctionaris verder 
met hem in gesprek zou gaan. De klachtenfunctionaris heeft daarna herhaaldelijk geprobeerd in 
contact te komen met klager, maar dat is niet gelukt. Daarna is de klacht afgesloten.

4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1  Klager verwijt verweerster:
1) bewust haar advies om patiënte te verhuizen te hebben verzwegen;
2) de familie niet te betrekken bij besluiten die van invloed zijn op de mentale en medische 
gezondheid van patiënte;
3) besluiten te nemen buiten het MDO om;
4) te weigeren een MDO met de familie te organiseren en de familie daarbij te negeren;
5) de initiator te zijn van de bewust stilgehouden (voorgenomen) verhuizing van patiënte;
6) te weigeren (tot op heden) om te motiveren waarom de verhuizing nodig was, wetende dat 
verweerster daarmee (zeer ernstige) schade aan patiënte toebracht;
7) verzoeken van de familie te negeren om patiënte niet door verweerster als GZ-psycholoog te laten 
behandelen en om niet langer bij het MDO met betrekking tot patiënte aanwezig te zijn;
8) de familie te hebben misleid ten aanzien van haar aanwezigheid bij het overleg met onder meer de 
locatiemanager;
9) alleen te handelen in het belang van haar opdrachtgever en niet in het evidente belang van 
patiënte;
10) tot op heden te weigeren een valabele reden voor haar handelen en nalaten te geven.

4.2  Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1   Het college realiseert zich dat het versneld genomen besluit patiënte, de echtgenote van 
klager die lijdt aan alzheimer, op korte termijn te laten verhuizen naar een andere afdeling voor 
klager ingrijpend zal zijn geweest. Het college heeft daar oog voor. Tegelijkertijd zal het college 
op een zakelijke manier moeten beoordelen of verweerster de zorg heeft verleend die van haar 
verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende 
GZ-psycholoog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor verweerster geldende 
beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen 
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat 
zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2  Het college oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dat 
licht het college hierna verder toe.

Klachtonderdeel 1) en 5) bewust verzwijgen advies om te verhuizen en daarvan de initiator zijn
5.3   Deze klachtonderdelen zien op het gestelde verzwijgen van de voorgenomen verhuizing van 
patiënte. Verweerster betwist dat zij dat heeft verzwegen en dat zij van de voorgenomen verhuizing 
de initiator is geweest. Het college volgt ten aanzien van dit klachtonderdeel het verweerschrift 
van verweerster. Zij heeft inzichtelijk toegelicht dat niet verweerster, maar de COG de verhuizing 
heeft geïnitieerd. Alleen al daarom treft haar ten aanzien van dat initiëren niet een 
tuchtrechtelijk verwijt. Verweerster heeft weliswaar in een rapportage van 3 april 2025 de 
verhuizing geopperd, maar voor de verdere overwegingen daartoe en de besluitvorming daarover – het 
initiëren – was de COG verantwoordelijk. Daarbij komt dat verweerster (en de COG) de voorgenomen 
verhuizing (juist) niet voor klager hebben willen verzwijgen. Toen eenmaal intern was besloten dat 
patiënte kon worden verhuisd, kreeg de COG immers de taak contact te zoeken met de contactpersonen 
van patiënte. De COG heeft daartoe ook contact gezocht met klager en, toen dat niet lukte, met de 
zus van klager. Dat contact was erop gericht hen bij de voorgenomen verhuizing te betrekken. Deze 
klachtonderdelen zijn daarom ongegrond.

Klachtonderdelen 2) en 4) niet betrekken van de familie bij besluiten die van invloed zijn op de 
mentale en medische gezondheid van patiënte en weigeren een MDO met de familie te organiseren
5.4   Voor zover klager er met deze klachtonderdelen op heeft willen wijzen dat het besluit tot de 
voorgenomen verhuizing is genomen zonder medeweten van de contactpersonen van patiënte, wijst het 
college erop dat zulke beslissingen worden genomen in onderling overleg tussen de betrokken 
medewerkers van de woonzorglocatie. Inherent aan die gang van zaken is dat de contactpersonen aan 
die besluitvorming niet deelnemen. Voor zover klager er met deze klachtonderdelen op heeft willen 
wijzen dat klager na het MDO niet op de hoogte is gesteld van de voorgenomen verhuizing, wijst het 
college erop dat, zoals hiervoor al toegelicht, niet verweerster maar de COG belast was met de 
communicatie met de contactpersonen van patiënte. Van de wijze waarop de contactpersonen van 
patiënte op de hoogte zijn gebracht van de voorgenomen verhuizing, kan daarom aan verweerster geen 
tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Deze klachtonderdelen zijn daarom ongegrond.

Klachtonderdeel 3) nemen van besluiten buiten het MDO om
5.5   Naar oordeel van het college bevat het dossier geen aanwijzing of aanknopingspunt voor het 
oordeel dat verweerster heeft gehandeld buiten het MDO om. Ook de stellingen van klager bevatten 
die niet. Integendeel, uit het dossier blijkt dat verweerster heeft gehandeld in samenspraak met de 
andere betrokken medewerkers binnen de woonzorglocatie. Dit klachtonderdeel heeft klager daarom 
niet onderbouwd, zodat het ongegrond is.

Klachtonderdelen 6) en 10) weigering van verweerster om haar handelen, nalaten en de verhuizing te 
motiveren of daarvoor een valabele reden te geven

5.6   Deze klachtonderdelen zien op de motivering van de voorgenomen verhuizing van patiënte en het 
handelen en nalaten van verweerster in het algemeen. Dit klachtonderdeel is naar het oordeel van 
het college ongegrond. In de periode van april tot en met (begin) juli 2025 is door en tussen 
verschillende medewerkers van de woonzorglocatie overlegd over de voorgenomen verhuizing van 
patiëntie. Reeds ten tijde van het eerste moment dat een verhuizing op tafel kwam te liggen, 
namelijk ten tijde van de rapportage van verweerster van 3 april 2025, heeft verweerster daarvoor 
heldere en navolgbare redenen gegeven. Deze klachtonderdelen zijn daarom ongegrond.

Klachtonderdeel 7) negeren van het verzoek om patiënte te behandelen en om niet langer bij het MDO 
aanwezig te zijn
5.7   Anders dan klager kennelijk meent, is het niet aan hem om de taakverdeling binnen de 
instelling waar patiënte verblijft te organiseren of daarop invloed uit te oefenen. Het is aan de 
woonzorglocatie om een team samen te stellen en een (of meer) regiebehandelaar(s) voor patiënte aan 
te wijzen. Verweerster was GZ-psycholoog van de afdeling van patiënte en onderdeel van dat team. 
Zolang zij is aangewezen als lid van dat team kan verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt worden 
gemaakt van het (mee) behandelen van patiënte. De overwegingen van de woonzorglocatie om 
verweerster in dat team te blijven inzetten zijn overigens naar het oordeel van het college 
navolgbaar. Verweerster is namelijk de enige GZ-psycholoog die is verbonden aan de afdeling van 
patiënte. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Klachtonderdeel 8) misleiden van de familie ten aanzien van haar aanwezigheid bij het overleg met 
de locatiemanager
5.8.  Dit klachtonderdeel gaat over de gang van zaken tijdens het gesprek op 7 juli 2025. Van het 
feit dat verweerster aan het begin van dat gesprek kort aanwezig was, in weerwil van de wens van 
klager, kan haar naar het oordeel van het college geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. 
Verweerster heeft in haar verweerschrift inzichtelijk uitgelegd dat zij tijdens dat gesprek op 
verzoek van de locatiemanager aanwezig was om zo nodig uitleg te geven en dat zij is vertrokken 
toen haar dat is gevraagd. Dat levert naar het oordeel van het college geen overschrijding op van 
de voor verweerster geldende beroepsnormen. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel 9) uitsluitend handelen in het belang van opdrachtgever en niet in het evidente 
belang van patiënte
5.9   Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel niet is onderbouwd, zodat ook dit 
klachtonderdeel ongegrond is. Klager maakt namelijk niet duidelijk uit welk handelen hij afleidt 
dat verweerster uitsluitend heeft gehandeld in het belang van haar opdrachtgever en niet in het 
belang van patiënte. Het college ziet ook overigens geen grond voor het verwijt dat klager 
verweerster maakt, tegen de achtergrond van wat het college hiervoor heeft besproken. Verweerster 
heeft niet onzorgvuldig gehandeld en haar overwegingen waren ingegeven door haar visie op de 
belangen en het welzijn van patiënte.

Slotsom
5.10  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door R.A. Steenbergen, voorzitter, M.J.E. Lemmens en
E.H. Muste, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door G.J. Stoepker, secretaris, en in het
openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 22 juli 2026.