ECLI:NL:TGZRSHE:2026:131 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9389
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:131 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-07-2026 |
| Datum publicatie: | 22-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/9389 |
| Onderwerp: | Grensoverschrijdend gedrag |
| Beslissingen: | Gegrond, doorhaling inschrijving register |
| Inhoudsindicatie: | Klacht van IGJ over huisarts over langdurig, structureel en ernstig seksueel grensoverschrijdend gedrag jegens patiënte tijdens behandelrelatie van 25 jaar. Huisarts erkent dat tussen hem en de 22 jaar jongere - kwetsbare - patiënte een vriendschappelijke relatie is ontstaan, die is overgegaan in een ruim drie jaar durende seksuele relatie. De huisarts heeft met deze relatie de professionele grenzen ernstig overschreden. Hij heeft zich door de bijzondere kwetsbaarheid van patiënte niet laten weerhouden. Hij was zich bewust van de ongeoorloofdheid van deze relatie, maar heeft de relatie jarenlang laten voortduren en steeds intensiever laten worden, totdat hij zelfs bewust heeft afgezien van anticonceptie en patiënte zwanger van hem is geworden. De huisarts heeft de behandelrelatie laten voortbestaan, totdat patiënte vijf jaar na het einde van de relatie zelf naar een andere huisarts is overgestapt. Het college beschouwt de handelwijze van de huisarts als bijzonder kwalijk. De kans op herhaling lijkt klein, nu de huisarts de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en zijn praktijk inmiddels heeft beëindigd. Ondanks dat hij stelt dat hij niet meer als arts werkzaam wil zijn, heeft de huisarts zich echter niet uit het BIG-register laten uitschrijven. De door de huisarts aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om met een lichtere maatregel dan de maatregel van doorhaling te volstaan. Het college ziet verder aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening de bevoegdheid van de huisarts te schorsen om de aan de inschrijving in het register verbonden bevoegdheden uit te oefenen en om de huisarts, voor het geval hij op het moment van onherroepelijk worden van deze beslissing niet is ingeschreven in het BIG-register, het recht te ontzeggen om opnieuw in het BIG-register te worden ingeschreven. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 22 juli 2026 op de klacht van:
INSPECTIE GEZONDHEIDSZORG EN JEUGD,
gevestigd te Utrecht,
klaagster, hierna ook: de Inspectie,
vertegenwoordigd door H. Karels, F.C.J. Neefjes en mr. J. de Groot.
tegen
[A],
huisarts,
destijds werkzaam in [B], verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. D. Schut-Wolfs, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 De huisarts heeft jarenlang een seksuele relatie gehad met een kwetsbare patiënte
uit zijn
praktijk. Na het beëindigen van de seksuele relatie heeft de behandelrelatie nog
vijf jaar
voortgeduurd, totdat de patiënte zelf naar een andere huisarts is gegaan. De inspectie
verwijt de
huisarts dat hij zich tijdens de behandelrelatie langdurig, structureel en ernstig
seksueel
grensoverschrijdend heeft gedragen jegens de patiënte, dat hij verder is doorgedrongen
in haar
privésfeer dan voor de hulpverlening noodzakelijk is en dat hij de behandelrelatie
niet heeft
beëindigd toen hij gevoelens voor de patiënte ontwikkelde. De huisarts heeft de
aan de klacht ten
grondslag liggende feiten erkend.
1.2 Het college verklaart de klacht gegrond en is van oordeel dat niet kan worden
volstaan met
oplegging van een minder verstrekkende maatregel dan de maatregel van doorhaling.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 9 december 2025;
- de brief van de Inspectie met de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, ontvangen
op 18
december 2025;
- het verweerschrift met bijlagen, per e-mail ontvangen op 8 januari 2026 en per
post
ontvangen op 9 januari 2026.
2.2 Partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college
met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 29 mei 2026. Partijen zijn verschenen.
Zij
werden bijgestaan door hun gemachtigden. Partijen en hun gemachtigden hebben hun
standpunten
mondeling toegelicht. De Inspectie heeft een pleitnotitie voorgelezen en aan het
college en de
andere partij overhandigd.
3. De feiten
3.1 De huisarts heeft van 2000 tot en met 2024 een behandelrelatie gehad met de
patiënte. In
aanvang was sprake van een reguliere arts-patiënt relatie. De huisarts was ervan
op de hoogte dat
de patiënte een autismespectrumstoornis heeft en in het verleden seksueel was misbruikt.
Zij woonde
bij aanvang van de relatie in een 24-uurs woonvoorziening. De patiënte is 22 jaar
jonger dan de
huisarts.
3.2 Omstreeks 2013 is de aard van de relatie tussen de huisarts en de patiënte veranderd.
De
huisarts heeft de patiënte zijn privételefoonnummer gegeven. De patiënte bezocht
de huisarts buiten
kantooruren in de praktijk en de huisarts bezocht de patiënte regelmatig ’s avonds
thuis. Zij zagen
elkaar één of twee keer per week en hadden veelvuldig contact via WhatsApp. Ook
ondernamen zij
samen sociale activiteiten, zoals het bezoeken van een beurs of zij gingen een dagje
uit.
3.3 De relatie tussen de huisarts en de patiënte leidde vanaf 2016 tot seksueel
contact. Toen de
patiënte last had van een schimmelinfectie heeft de huisarts, in het kader van behandeling
van de
infectie, de vagina van de patiënte ingesmeerd met zalf. Daarbij ging hij net zo
lang door totdat
de patiënte een orgasme kreeg. Daarna ging het seksuele contact steeds iets verder,
van samen
douchen tot volledige geslachtsgemeenschap. Dit vond plaats in de praktijk en bij
de patiënte
thuis. In de periode 2016 tot en met 2019 was er sprake van structureel seksueel
contact tussen
beiden, enkele keren per week.
3.4 In de zomer van 2019 is de patiënte zwanger geraakt van de huisarts. De zwangerschap
eindigde
in een miskraam.
3.5 Het seksuele contact tussen de huisarts en de patiënte stopte in 2019 toen de
patiënte een
relatie kreeg met een ander.
3.6 De behandelrelatie eindigde in 2024, nadat de patiënte zich liet inschrijven
bij een andere
huisartsenpraktijk.
3.7 De patiënte heeft in de zomer van 2024 aangifte gedaan tegen de huisarts.
3.8 De huisarts is op ….. door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf
van 15 maanden
voor het plegen van ontucht met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp/zorg heeft
toevertrouwd,
meermalen gepleegd in de periode van 1 juni 2016 tot en met 31 juli 2019. De rechtbank
heeft met
betrekking tot de ernst van het feit onder meer overwogen: “(…)
Verdachte is op geraffineerde wijze te werk gegaan om de ontuchtige handelingen
te kunnen plegen.
Hij gaf zijn privénummer aan [slachtoffer], sprak op enig moment alleen nog af in
de avonduren met
haar in zijn praktijk, ging bij haar op bezoek als de woonbegeleiding afwezig was
en zei tegen haar
dat het tussen hen moest blijven. Verdachte was zich bewust van de strafwaardigheid
van zijn
handelen en heeft geprobeerd dit verborgen te houden.
Tussen verdachte en [slachtoffer] bestond een arts-patiënt relatie. Om die reden
kon er geen sprake
zijn van een volledig gelijkwaardige relatie. Daarmee heeft een zekere mate van
afhankelijkheid een
rol gespeeld binnen deze relatie en bij het verrichten van de seksuele handelingen.
Dat verdachte
op een dergelijke ernstige wijze misbruik heeft gemaakt van deze afhankelijkheidsrelatie,
rekent de
rechtbank de verdachte zwaar aan. Temeer daar verdachte op de hoogte was van de
autismespectrumstoornis en kwetsbaarheid van [slachtoffer] en het gegeven dat zij
eerder
slachtoffer is geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Hij heeft vanuit
zijn positie als
huisarts het slachtoffer doen geloven dat zij moest leren om de seksuele handelingen
die hij haar
liet ondergaan, lekker te vinden. De rechtbank gaat bij dit oordeel uit van de betrouwbaarheid
van
de verklaring van [slachtoffer], die tevens op essentiële punten wordt ondersteund
en bevestigd
door de verklaring van verdachte.
(…)
Verdachte heeft zich door zo te handelen in het geheel geen rekenschap gegeven van
de (labiele)
toestand van [slachtoffer], waarvoor zij juist hulp bij hem zocht. Verdachte heeft
zich als
hulp/zorgverlener zeer onprofessioneel gedragen en misbruik gemaakt van zijn positie,
zelfs nadat
de woonbegeleiders van [slachtoffer] naar aanleiding van de avondbezoeken van verdachte
in haar
woning een arts verstandelijke gehandicapten hadden ingeschakeld om een gesprek
met verdachte aan
te gaan. Verdachte heeft hem toen niet de waarheid verteld, om te voorkomen dat
de relatie zou
eindigen, zo heeft hij ter zitting verklaard.
Verdachte heeft door zijn handelwijze niet alleen misbruik gemaakt van het vertrouwen
van
[slachtoffer], die zich aan zijn professionele zorg en hulp had toevertrouwd, maar
tevens een
ernstige inbreuk gemaakt op zowel haar lichamelijke als geestelijke integriteit.
De relatie tussen
hulp/zorgverlener en de aan zijn zorg toevertrouwde persoon schept voor de hulp/zorgverlener
een
bijzondere verantwoordelijkheid. Verdachte had zich daarvan rekenschap moeten geven
en daarnaar
moeten gedragen.
(…)”
3.9 De huisarts heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Het hoger beroep
is gericht tegen
de hoogte van de aan de huisarts opgelegde gevangenisstraf.
3.10 De huisarts heeft zijn werkzaamheden als huisarts en zijn registratie als SCEN-arts
beëindigd
en hij heeft per 1 januari 2026 zijn praktijk overgedragen. Wel stond de huisarts
ten tijde van de
mondelinge behandeling van deze zaak nog als arts ingeschreven in het BIG-register.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 De Inspectie verwijt de huisarts dat hij:
a) zich tijdens de behandelrelatie langdurig, structureel en ernstig seksueel grensoverschrijdend
heeft gedragen jegens patiënte;
b) verder is doorgedrongen in de privésfeer dan voor de hulpverlening noodzakelijk
is;
c) de behandelrelatie niet heeft beëindigd voordat hij gevoelens voor patiënte ontwikkelde.
4.2 De huisarts heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de klacht. Hij erkent
dat hij de
voor hem geldende beroepsnormen heeft overtreden en dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. De huisarts heeft het college verzocht een maatregel op te leggen die
recht doet aan de
ernst van het handelen, maar die tevens rekening houdt met de door hem naar voren
gebrachte
omstandigheden.
4.3 Het college gaat hierna voor zover nodig nader in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Klacht
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Het college stelt vast dat de huisarts de juistheid van de door de Inspectie geformuleerde
klachtonderdelen en de feitelijke gedragingen die daaraan ten grondslag liggen heeft
erkend. Ook
heeft hij erkend dat hij de voor hem geldende beroepsnormen heeft overtreden en
dat hij
tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht is in alle onderdelen gegrond.
De huisarts
heeft niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot
mag worden
verwacht. Binnen een behandelrelatie bevindt de patiënt zich in een afhankelijke
positie ten
opzichte van de zorgverlener. Daarom kan een intieme relatie niet aan de orde zijn.
Het is aan de
zorgverlener om de grenzen van de behandelrelatie te bewaken. Het college ziet zich
voor de vraag
geplaatst welke maatregel, rekening houdend met de omstandigheden van dit geval,
moet worden
opgelegd. Die vraag wordt hierna beantwoord.
Maatregel
5.2 Volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
zijn
gedragingen zoals die aan de huisarts worden verweten zodanig in strijd met wat
van een integere en
betrouwbare zorgverlener mag worden verwacht, dat in beginsel ten minste een schorsing
van de
inschrijving van de aangeklaagde in het BIG-register passend en geboden is. Voor
de keuze van dat
uitgangspunt is redengevend dat de maatregel voldoende preventieve werking moet
hebben om herhaling te voorkomen. Verzachtende omstandigheden kunnen worden meegewogen,
maar die behoren niet voorop te staan. Daarbij kan de schorsing voorwaardelijk zijn,
bijvoorbeeld wanneer de beklaagde zorgverlener heeft getoond zich bewust te zijn van
het verkeerde van zijn of haar gedragingen, en bereid is zo nodig een behandeling
te ondergaan om
herhaling te voorkomen. Een (onvoorwaardelijke) schorsing kan echter ook onvoldoende
zijn,
bijvoorbeeld wanneer de betrokken zorgverlener het norm-overschrijdende en schadelijke
karakter van
zijn of haar gedragingen niet inziet en een reële kans op herhaling aanwezig moet
worden geacht.
Hierbij kunnen de ernst en duur van de norm-overschrijdende gedragingen eveneens
relevant zijn. In
dat geval is een doorhaling van de inschrijving in het BIG-register passend en geboden
(zie onder
meer de uitspraken van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, gepubliceerd
als
ECLI:NL:TGZCTG:2024:107, ECLI:NL:TGZCTG:2025:101, ECLI:NL:TGZCTG:2026:101, en
ECLI:NL:TGZCTG:2025:217).
5.3 Het college ziet zich, gelet op enerzijds de aard, ernst en duur van de normovertredingen
en
anderzijds de door de huisarts aangevoerde omstandigheden, gesteld voor de vraag
of in deze zaak
kan worden volstaan met oplegging van minder dan de zwaarste maatregel. Het college
is van oordeel
dat dit niet het geval is en licht dat als volgt toe.
5.4 De huisarts heeft de professionele grenzen ernstig overschreden door een langdurige
affectieve en seksuele relatie met de patiënte aan te gaan. De huisarts was op de
hoogte van de
bijzondere kwetsbaarheid – en daardoor nog verdergaande afhankelijkheid dan de afhankelijkheid
die
de arts-patiënt relatie sowieso al met zich brengt – van de patiënte, maar hij heeft
zich daardoor
op geen enkel moment laten weerhouden. Ondanks het feit dat de huisarts zich bewust
was van de
ongeoorloofdheid van deze relatie met de patiënte – hij heeft niet voor niets bij
haar aangedrongen
op geheimhouding – heeft hij de relatie jarenlang laten voortduren en steeds intensiever
laten
worden, totdat hij zelfs bewust heeft afgezien van anticonceptie en de patiënte
zwanger van hem is
geworden. Dat hij nimmer zonder de toestemming van patiënte heeft gehandeld en haar
nimmer kwaad
heeft willen doen, zoals de huisarts ook ter gelegenheid van de mondelinge behandeling
heeft
benadrukt, doet aan de ernst van het voorgaande niet af.
5.5 Zowel tijdens als na afloop van de affectieve en seksuele relatie met de patiënte
heeft de
huisarts de behandelrelatie laten voortbestaan, totdat de patiënte vijf jaar na
het einde van de
relatie zelf naar een andere huisarts is overgestapt. Desgevraagd heeft de huisarts
tijdens de
mondelinge behandeling verklaard dat hij de patiënte tijdens het bestaan van de
relatie twee keer
heeft voorgesteld dat zij naar een andere huisarts zou gaan, maar daarop niet heeft
aangedrongen,
omdat de patiënte tegen hem zei dat zij dat niet wilde.
5.6 Het college beschouwt de handelwijze van de huisarts, alles overziende, als
bijzonder
kwalijk. De huisarts heeft weliswaar verklaard dat het voor hem voelde alsof hij
een gelijkwaardige
relatie had met de patiënte, maar feit is dat dat niet het geval was en dat de huisarts
desondanks
de relatie is aangegaan, de behandelrelatie niet heeft beëindigd en deze situatie
jarenlang heeft laten voortduren zonder op enig moment alsnog een einde hieraan te
maken.
Dat de huisarts niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd heeft gekregen,
doet daaraan
niet af. Gelet op het feit dat de huisarts de pensioengerechtigde leeftijd heeft
bereikt en zijn
praktijk inmiddels ook heeft beëindigd, lijkt de kans op herhaling inderdaad, zoals
de huisarts
heeft betoogd, klein. Anderzijds is niet goed te begrijpen waarom de huisarts, als
hij
daadwerkelijk niet meer als arts werkzaam wil zijn, zich niet uit het BIG-register
heeft laten
uitschrijven. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard
dat een collega,
die hem bijstaat, hem heeft geadviseerd om de inschrijving te handhaven tot na de
uitspraak in deze
zaak. Waarom de huisarts dit advies heeft opgevolgd, terwijl hij verklaart niet
meer als arts
werkzaam te willen zijn, is evenwel niet duidelijk geworden.
5.7 De huisarts heeft ook aangevoerd dat bij de beoordeling van de op te leggen
maatregel
rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat hij in de loop der tijd verder
op zijn
handelen heeft gereflecteerd, dat hij inmiddels heel goed weet hoe fout het is wat
hij heeft gedaan
en dat hij zich ook bewust is geworden van de ongelijkwaardigheid van de relatie
die hij met de
patiënte had. Ook als het college ervan uitgaat dat de huisarts in de loop der tijd
verder heeft
gereflecteerd op zijn handelen en de gevolgen daarvan, dan is dat gelet op de aard
en ernst van
zijn gedragingen onvoldoende om met een lichtere maatregel dan de maatregel van
doorhaling te
volstaan. Dit wordt niet anders als het college rekening houdt met de omstandigheid
dat de huisarts
therapie heeft gevolgd. Gevraagd naar de door hem gevolgde therapie heeft de huisarts
slechts
verklaard dat de psychologische begeleiding eind 2025 is gestopt en dat hij nu nog
bijstand krijgt
van de hiervoor al genoemde collega. Wat de therapie hem gebracht heeft en wat de
bijstand van zijn
collega inhoudt, is niet duidelijk geworden. Ten slotte kan ook de omstandigheid
dat de huisarts
inmiddels is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden,
niet tot het
oordeel leiden dat met een lichtere maatregel dan een doorhaling kan worden volstaan.
Nog los van
het feit dat deze gevangenisstraf niet onherroepelijk is, geldt dat een gevangenisstraf
niet eraan
in de weg staat dat de huisarts voor en na de tenuitvoerlegging daarvan (weer) als
huisarts
werkzaam kan zijn.
5.8 De conclusie van het voorgaande is dat hetgeen de huisarts heeft aangevoerd
niet opweegt
tegen de ernst van de feiten. De ernst daarvan maakt dat het college het onwenselijk
acht dat de
huisarts zijn beroep nog kan uitoefenen. Hiervoor is al aan de orde geweest dat
de huisarts heeft
verklaard dat hij zijn beroep niet meer wenst uit te oefenen, maar het college acht
het, voor het
geval de huisarts van gedachten verandert, noodzakelijk dat wordt gewaarborgd dat
de huisarts niet
meer als zodanig werkzaam kan zijn. Daarom kan niet worden volstaan met oplegging
van een andere
maatregel dan doorhaling. Daarbij ziet het college aanleiding, nu de huisarts ten
tijde van de
mondelinge behandeling bij het college nog stond ingeschreven in het BIG-register,
om op de voet
van lid 9 van artikel 48 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
bij wijze van
voorlopige voorziening de bevoegdheid van de huisarts te schorsen om de aan de inschrijving
in het
register verbonden bevoegdheden uit te oefenen zolang deze beslissing niet onherroepelijk
is dan wel in beroep is vernietigd. Uit de wet volgt dat deze schorsing onmiddellijk
van kracht wordt totdat de beslissing tot doorhaling van de inschrijving onherroepelijk
is geworden dan wel in beroep is vernietigd. Daarom hoeft het college dat in het dictum
van deze beslissing niet afzonderlijk te bepalen. Tot slot ziet het college, voor
het geval de huisarts op het moment van
onherroepelijk worden van deze beslissing niet meer is ingeschreven in het BIG-register,
aanleiding
om de huisarts het recht te ontzeggen om opnieuw in het BIG-register te worden ingeschreven.
Publicatie
5.9 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets kunnen leren van deze zaak. De publicatie
zal
plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare
gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- beveelt de doorhaling van de inschrijving van de huisarts in het BIG-register;
- schorst bij wijze van voorlopige voorziening de bevoegdheid van de huisarts om
de aan de
inschrijving in het register verbonden bevoegdheden uit te oefenen;
- ontzegt de huisarts, voor het geval hij op het moment van onherroepelijk worden
van deze
beslissing niet is ingeschreven in het BIG-register, het recht om opnieuw in het
BIG-register te
worden ingeschreven;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door N.J.H. Lafghani, voorzitter, C.M.H.M. van Lent, lid-jurist,
J.G.E. Smeets, N.B. van der Maas en E. Jansen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door
N.A.M. Sinjorgo, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 22 juli 2026.