ECLI:NL:TGZRSHE:2026:130 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7425
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:130 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-07-2026 |
| Datum publicatie: | 22-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7425 |
| Onderwerp: | Onvoldoende informatie |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Huisarts heeft klager eenmalig op consult gezien in de Penitentiaire Inrichting wegens knieklachten. De huisarts heeft klager verwezen naar de fysiotherapeut. Klacht over nalatig handelen, te weten onvoldoende informatie over de behandeling, risico’s en eventuele andere mogelijkheden, en ten onrechte geen verwijzing naar het ziekenhuis, kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 22 juli 2026 op de klacht van:
[A],
ten tijde van de indiening van het klaagschrift verblijvende in de penitentiaire
inrichting te
[B],
klager,
gemachtigde: mr. S. van Gijn, werkzaam in Amsterdam
tegen
[C],
huisarts,
werkzaam in [B],
verweerder, hierna ook: huisarts,
gemachtigde: mr. D. Benamari, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 De huisarts heeft klager eenmalig op consult gezien in de Penitentiaire Inrichting
(PI) in
[B] wegens knieklachten. De huisarts heeft klager naar aanleiding van dat consult
verwezen naar de
fysiotherapeut. Klager verwijt de huisarts nalatig handelen, eruit bestaande dat
de huisarts hem
onvoldoende informatie over de behandeling, de risico’s en eventuele andere mogelijkheden
heeft
verstrekt en dat hij hem niet naar het ziekenhuis heeft verwezen. De huisarts heeft
verweer gevoerd
tegen de klacht.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de
klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot
deze
beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 18 juli 2024;
- het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 8 augustus 2024;
- het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 9 augustus 2024;
- de brief van 2 september 2024 van de secretaris aan klager;
- de brief van klager, ontvangen op 10 september 2024;
- de brief van 1 oktober 2024 van de secretaris aan klager;
- de brief van klager, ontvangen op 8 oktober 2024;
- het verweerschrift ontvangen op 14 november 2024;
- de twee producties, ontvangen van de gemachtigde van verweerder op 18 december
2024;
- de productie, ontvangen van de gemachtigde van verweerder op 19 december 2024;
- de brief van 29 april 2025, ontvangen van de gemachtigde van verweerder op 30
april 2025;
- de brief van 14 mei 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van klager;
- de e-mail van 26 mei 2025 van de gemachtigde van klager;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 26 november 2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Klager heeft op 28 oktober 2021 zijn rechterknie gebroken (tibiaplateaufractuur)
en is in
verband daarmee in het ziekenhuis opgenomen, waaruit hij op 9 november 2021 is ontslagen.
In het
ziekenhuis voerde men een conservatief beleid (onbelast mobiliseren voor 6 weken).
3.2 Op 18 februari 2022 is klager in het ziekenhuis geweest voor controle van de
knie en
doorverwezen voor het maken van een MRI. Onbekend is of die MRI gemaakt is en of
daarna een
behandeling heeft plaatsgevonden.
3.3 Klager verbleef in mei 2024 in de PI in [B], waar verweerder voor enkele dagdelen
per week
als huisarts werkzaam is. De huisarts heeft klager op 27 mei 2024 op consult gezien
en onder meer
in het medisch dossier genoteerd (alle citaten zijn letterlijk weergegeven):
“S (…) Begin 2022 rechter knie gebroken + voorste kruisband af. Kan knie niet
goed
buigen
O Forse speling voorste kruisband E Kruisband letsel
P Beoordeling FT, stabiliserende oefeningen”
3.4 Klager is op 3 juni 2024 bij de fysiotherapeut geweest. Die heeft de medische
dienst van de
PI op 4 juni 2024 bericht:
“Knie gisteren onderzocht, maar uit onderzoek blijkt dat flexie inderdaad beperkt
is t.o.v. links
maar niet zodanig dat hij niet zou kunnen lopen.
De heer is ervan overtuigd dat hij geopereerd zou moeten worden en gaf aan al oefeningen
gedaan te
hebben (eerde fysio gehad?), maar dat hij toch regelmatig door de knie zakt (2 x p.m.)
en hij kan zijn knie niet maximaal buigen (dit laatste klopt maar dit is niet direct
een indicatie voor operatie). Schuiflade ventraal is negatief. Lachmann test: g.b. M.i.
zou de oefentherapie/stabilisatie hem wel kunnen helpen maar opboksen tegen wat de
heer wil kan ik niet. Dat was gisteren ook de vraag van de heer aan mij of ik dat
voor hem kon regelen. Ik
heb de heer aangegeven dat ik dat niet kan en dat het belangrijk is dat hij oefeningen
gaat doen
maar dat is dus niet wat de heer wil.”
3.5 Op 12 juni 2024 is klager bij een collega van de huisarts op consult geweest.
De collega
noteerde onder meer in het dossier:
“(…) Voorste kruisbandletsel wordt behandeld met FT oefeningen. Dhr moet dus zijn
oefeningen doen. Indien verder vragen: naar de FT.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klager verwijt de huisarts:
1. het geven van onvoldoende informatie over de behandeling, de risico’s en eventuele
andere
mogelijkheden;
2. dat hij klager ten onrechte niet heeft doorverwezen naar het ziekenhuis;
3. nalatig handelen.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Het
college gaat
hierna voor zover nodig nader in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Verder
geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn voor hun
eigen handelen.
Beoordeling
5.2 Het college zal de klachtonderdelen vanwege hun onderlinge samenhang gezamenlijk
behandelen.
Hierbij neemt het college de juistheid van hetgeen in het medisch dossier is genoteerd
tot
uitgangspunt. Klager heeft immers geen feiten of omstandigheden aangevoerd op basis
waarvan kan of
moet worden aangenomen dat de informatie van het medisch dossier onjuist is. Uit
het medisch
dossier blijkt dat de huisarts klager op 27 mei 2024 heeft gezien. Voor zover de
klacht betrekking
heeft op dit consult overweegt het college het volgende.
5.3 Het college is van oordeel dat de huisarts, gelet op de al lange tijd bestaande
knieklachten
van klager en de aard daarvan, op 27 mei 2024 terecht heeft besloten om klager naar
de
fysiotherapeut te verwijzen. Op dat moment hoefde de huisarts geen nadere informatie
over de behandeling, de risico’s en eventuele andere mogelijkheden aan klager te verstrekken.
Het was immers aan de fysiotherapeut om te bezien of en zo ja welke behandeling nodig was.
Klager heeft overigens niet toegelicht wat voor informatie hij, gegeven het feit dat
hij naar de fysiotherapeut werd verwezen, tijdens het consult van de huisarts had
willen hebben, maar niet
gekregen heeft. Er bestond vanwege de voorgeschiedenis en de aard van de klachten,
zoals op 27 mei
2024 gepresenteerd, bovendien geen aanleiding voor een verwijzing naar het ziekenhuis.
De huisarts
heeft op deze punten niet nalatig en dus niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
Voor zover
klager de huisarts ander nalatig handelen verwijt, heeft hij dat niet geconcretiseerd
en kan het
college dat ook niet vaststellen.
5.4 Klager stelt, zo begrijpt het college, dat hij ook na 27 mei 2024 bij herhaling
om een
consult bij verweerder heeft gevraagd, maar dat hij niet is opgeroepen. Hoewel op
verzoek van
klager een mondeling vooronderzoek heeft plaatsgevonden, is klager daar niet verschenen
en heeft
hij die stelling ook niet verder toegelicht. Uit het dossier blijkt in ieder geval,
zoals de
huisarts ook betoogt, dat klager alleen op 27 mei 2024 door de huisarts is gezien.
Over dat consult
heeft het college hiervoor geoordeeld. Als het al zo zou zijn dat klager ook na
27 mei 2024 nog
herhaaldelijk om een consult heeft gevraagd, maar daarvoor niet is opgeroepen, dan
geldt dat zonder
nadere toelichting - die niet is gegeven - niet valt in te zien dat de huisarts
hiervoor
verantwoordelijk is.
Slotsom
5.5 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht
kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door N.J.H. Lafghani, voorzitter, J.G.E. Smeets en
N.B. van der Maas, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door N.A.M. Sinjorgo, secretaris,
en in
het openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 22
juli 2026.