ECLI:NL:TGZRSHE:2026:129 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9186
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:129 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-07-2026 |
| Datum publicatie: | 22-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/9186 |
| Onderwerp: | Onheuse bejegening |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster verwijt huisarts dat hij heeft geweigerd haar zoontje van acht jaar naar de oogarts te verwijzen en dat hij klaagster (in aanwezigheid van haar kinderen) respectloos en intimiderend heeft benaderd en hen zonder reden naar buiten heeft geduwd. De juistheid van het medisch dossier geldt voor het college in beginsel als uitgangspunt voor de beoordeling van een klacht. Klaagster heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen op basis waarvan het college kan concluderen dat hetgeen de huisarts over het consult en de (wijze van) communicatie in het medisch dossier heeft genoteerd, onjuist is. Kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 22 juli 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
gemachtigde: [C], wonende in [B],
tegen
[D],
huisarts
destijds werkzaam in [B], verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. K. Zeylmaker, werkzaam in Leusden.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is voor een consult met haar zoontje van acht jaar bij de huisarts
geweest.
Klaagster verwijt de huisarts dat hij heeft geweigerd haar zoontje naar de oogarts
te verwijzen en
dat hij – kort weergegeven – klaagster (in aanwezigheid van haar kinderen) respectloos
en
intimiderend heeft benaderd en dat de huisarts hen zonder reden naar buiten heeft
geduwd. De
huisarts heeft verweer gevoerd tegen de klacht.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 4 november 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen per e-mail op 9 januari 2026 en
per post ontvangen
op 12 januari 2026.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Klaagster en haar gezin waren patiënt in de praktijk van de huisarts.
Op 26 september 2025 heeft klaagster voor haar zoontje een afspraak voor een consult
bij de
huisarts, omdat hij sinds een dag last had van zijn ogen. De huisarts heeft in het
medisch dossier
van de zoon van klaagster genoteerd dat de klacht bestond uit irritatie van de ogen
met roodheid,
tranen bij langer openhouden, maar dat de zoon gewoon zicht had. De huisarts zag
geen zwelling,
geen roodheid en normaal traanvocht. Verder noteerde de huisarts onder meer (alle
citaten zijn
letterlijk weergegeven):
“aangegeven nu geen tekenen van ontsteking te zien, druppels tegen droge ogen voor
te kunnen
schrijven. Moeder weigert dat, eist dat hij wordt doorverwezen naar een oogarts.
Aangegeven dat
daarvoor geen reden is. Moeder begint te schreeuwen en begint ook over eigen klachten.
(…)”
3.2 In het medisch dossier van klaagster heeft de huisarts diezelfde dag genoteerd:
“heeft
afspraak voor zoon, 1 klacht. 10 minuten te laat. Klachten blijkt niet aanwezig,
wel andere
klachten die ook onderzocht moeten worden volgens moeder. Uitleg dat er nu geen
tijd voor is, toch
onderzocht, aangeboden oogdruppels voor te schrijven maar mw eist verwijzing naar
een oogarts.
Aangegeven dat dit nu niet geindiceerd is, maar mw blijft eisen. Haalt vervolgens
eigen
ziekenhuisdossier tevoorschijn met opmerkingen dat ze helemaal geen buikpijn gehad
zou hebben
volgens de specialisten en wil daar nu verder op ingaan/. Wederom aangegeven hier
nu geen tijd voor
te hebben, mede door wederom te laat komen, en dat ze hiervoor een nieuwe afspraak
mag maken. Mw
weigert dit en eist nu een gesprek hierover. Meermaals aangegeven daar een nieuwe
afspraak voor te
moeten maken echter mw weigert. Mw weigert ook na meermaals vriendelijk vragen de
spreekkamer te
verlaten, pas na 15 maal verzoeken geeft ze daaraan gehoor maar weigert vervolgens
het pand te
verlaten, ook na meermaals daarom verzoeken. Mw geeft aan dat ze verzoek begrijpt
maar dat ze
weigert. Blijft vaker herhalen op een schreeuwende manier dat ze een verwijzing
voor haar kind wil.
Schreeuwt tegen huisarts, tegen assistentes. Weigert het pand te verlaten. Andere
patienten in de
wachtkamer geven aan zich bedreigd te voelen door mevrouw. Hierop wederom verzocht
de wachtkamer en
het pand te verlaten, ondanks dat mw vaker aangeeft dit te zullen doen blijft ze
met haar 3
kinderen in de wachtkamer zitten. Aangegeven dat als ze niet vertrekt De politie
te bellen. Mw
geeft dan aan dat dat maar moet gebeuren. Politie gebeld, sturen een eenheid langs.
5 minuten voor
aankomst besluit mw alsnog het pand te verlaten.”
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts dat hij;
a) klaagster en haar dochter zonder enige reden en zonder toestemming fysiek heeft
aangeraakt en
naar buiten heeft geduwd;
b) heeft geweigerd een redelijke doorverwijzing te geven voor de zoon van klaagster
vanwege
oogklachten;
c) agressief en intimiderend gedrag heeft vertoond in aanwezigheid van de andere
kinderen van
klaagster die daardoor bang werden;
d) respectloos onprofessioneel en onacceptabel gedrag heeft vertoond.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Het
college gaat
hierna voor zover nodig nader in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Klachtonderdeel b) - verwijzing oogarts
5.2 Bij de beoordeling neemt het college tot uitgangspunt dat klaagster bij de
huisarts op
consult kwam in verband met oogklachten van haar zoon. Ook neemt het college bij
de beoordeling tot
uitgangspunt dat de in het medisch dossier genoteerde informatie over de oogklachten
van de zoon
van klaagster juist is. Klaagster heeft namelijk geen feiten of omstandigheden aangedragen
die
nopen tot een ander oordeel. Uit het medisch dossier blijkt dat de huisarts de zoon
heeft
onderzocht, maar dat hij op basis van de gepresenteerde oogklachten en zijn eigen
bevindingen
tijdens het consult (geen zwelling, geen roodheid, normaal traanvocht), geen tekenen
van een
ontsteking zag en reden zag voor een doorverwijzing naar de oogarts. Op basis hiervan
kan niet
worden geoordeeld dat de huisarts de zoon ten onrechte niet naar de oogarts heeft
doorverwezen. Het
dossier bevat ook overigens geen aanwijzing dat de huisarts ten onrechte niet heeft
doorverwezen.
5.3 Klachtonderdeel b) is op grond van het voorgaande kennelijk ongegrond.
Klachtonderdelen a), c) en d) - verloop van het consult
5.4 Deze klachtonderdelen betreffen het verloop van het consult en worden vanwege
de onderlinge
samenhang gezamenlijk beoordeeld. Daarbij stelt het college voorop dat de beoordeling
van verwijten
over het verloop van het consult en de gevoerde communicatie en de wijze waarop
deze communicatie
heeft plaatsgevonden (bejegening) een lastige opgaaf is voor het college. Het college
is daarvan
immers geen getuige is geweest. Om te kunnen beoordelen of een bepaalde gedraging
tuchtrechtelijk
verwijtbaar is, moet eerst (kunnen) worden vastgesteld dat deze gedraging heeft
plaatsgevonden. Als
partijen elkaar daarover tegenspreken, kan het college niet vaststellen wat er feitelijk
is gebeurd. Die situatie doet
zich in deze zaak voor.
5.5 Ook hier geldt dat de juistheid van het medisch dossier voor het college in
beginsel als
uitgangspunt dient voor de beoordeling van een klacht. Klaagster heeft geen feiten
of
omstandigheden aangedragen op basis waarvan het college kan concluderen dat hetgeen
de huisarts
over het verloop van het consult en de (wijze van) communicatie in het medisch dossier
heeft
genoteerd, onjuist is. Klaagster heeft ook deze klachtonderdelen niet toegelicht
of onderbouwd en
op basis van het medisch dossier kan niet worden vastgesteld dat hetgeen klaagster
de huisarts
verwijt, is gebeurd. Het college kan gelet op de inhoud van het medisch dossier
slechts vaststellen
dat het verloop van het consult voor beide partijen erg onaangenaam is geweest,
maar dat is
onvoldoende basis om de huisarts tuchtrechtelijk iets
te verwijten.
5.6 Ook de klachtonderdelen a), c) en d) zijn daarom kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht
kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door N.H.J. Lafghani, voorzitter, N.B. van der Maas en
E. Jansen,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door N.A.M. Sinjorgo, secretaris en in het openbaar
uitgesproken op 22 juli 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.