We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRSHE:2026:127 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9081

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:127
Datum uitspraak: 15-07-2026
Datum publicatie: 15-07-2026
Zaaknummer(s): H2025/9081
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klacht tegen psychiater deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond. Klaagster verwijt de psychiater onder meer dat zij zonder toestemming bijzondere persoonsgegevens van klaagster en haar familieleden heeft verwerkt, privacygevoelige en niet-relevante informatie in een psychiatrisch expertiserapport heeft opgenomen, onjuiste en subjectieve interpretaties heeft weergegeven en niet heeft gehandeld overeenkomstig de professionele standaard. Het college oordeelt dat klachten over de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens en de naleving van de AVG niet tot de bevoegdheid van het tuchtcollege behoren, zodat klaagster in die klachtonderdelen niet-ontvankelijk is. Voor het overige oordeelt het college dat de psychiater de relevante informatie mocht betrekken bij haar beoordeling, dat het aan haar deskundigheid is om de relevantie van die informatie vast te stellen en dat het rapport voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Niet is gebleken dat de opgenomen informatie onjuist, subjectief of irrelevant was of dat de psychiater buiten de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening heeft gehandeld.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 15 juli 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,

tegen

[C],
psychiater, werkzaam in [D], verweerster,
gemachtigde: mr. M.J. de Groot, werkzaam in Utrecht.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   Verweerster heeft bij klaagster een medisch specialistisch onderzoek verricht op het gebied 
van de psychiatrie en een rapport daarover uitgebracht. Daarbij heeft verweerster de achtergrond en 
omgeving van klaagster betrokken. Klaagster verwijt verweerster, kort gezegd, dat zij op onjuiste 
wijze (bijzondere) persoonsgegevens heeft verwerkt en heeft gehandeld in strijd met de Algemene 
Verordening Gegevensbescherming (AVG) en dat het rapport van verweerster niet voldoet aan de eisen 
die daaraan mogen worden gesteld. Verweerster is het daarmee niet eens. Zij stelt dat zij niet is 
tekortgeschoten in de zorg die van haar verwacht mocht worden, zodat er geen sprake is van 
tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Verweerster verzoekt het college de klacht als ongegrond af 
te wijzen.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 8 oktober 2025;
- de brief van 24 oktober 2025 van de secretaris aan klaagster;
- het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 19 november 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 19 december 2025;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 10 maart 2026;
- de e-mail van 23 maart 2026 met bijlagen, ontvangen van klaagster;
- het “Informatieblad psychisch belastbaarheidsonderzoek”, ontvangen van klaagster op 10 april 2026;
- de brief van 15 april 2026, ontvangen van de gemachtigde van verweerster.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Verweerster is sinds 2007 als psychiater geregistreerd in het BIG-register. Zij verricht 
(onder andere) in opdracht medisch specialistische onderzoeken en rapporteert daarover.

3.2   In opdracht van een verzekeringsarts heeft verweerster bij klaagster een medisch 
specialistisch onderzoek verricht op het gebied van de psychiatrie. Aanleiding voor dit onderzoek 
was het vaststellen van de belastbaarheid van klaagster voor werk. Het onderzoek vond plaats op 7 
augustus 2025. Verweerster heeft met klaagster een gesprek gevoerd. Tijdens dit gesprek vertelde 
klaagster dat zij zich zorgen maakt over haar zus, die kampt met een psychiatrisch ziektebeeld. 
Nadat verweerster klaagster daarover kort uitleg had gegeven, heeft klaagster verweerster verzocht 
om hetgeen daarover was besproken niet op te nemen in het rapport. Verweerster heeft toegelicht dat 
het bestaan van psychiatrische problematiek bij een familielid/zus relevant kan zijn voor de 
psychiatrische beoordeling en beschouwing met betrekking tot klaagster. Zij zou in het rapport niet 
vermelden van welk ziektebeeld sprake is, maar wel dat sprake is van (ernstige) psychische 
problemen. Het gesprek is daarop voortgezet. Aan het einde van het gesprek heeft verweerster haar 
conclusie met klaagster besproken en een rapport uitgebracht. In haar conclusie heeft verweerster 
de achtergrond en omgeving van klaagster betrokken.

3.3   In het kader van het inzage- en correctierecht is (via tussenkomst van de verzekeringsarts) 
het conceptrapport aan klaagster toegestuurd. Klaagster heeft daarop verzocht om enkele correcties.

3.4   Bij brief van 19 september 2025 heeft de verzekeringsarts klaagster geïnformeerd dat de door 
haar gevraagde correcties, voor zover betrekking hebbend op het deel van het rapport dat afkomstig 
was van verweerster, niet kunnen worden gedaan. Als reden daarvoor is meegedeeld dat verweerster, 
na de rapportage nogmaals zorgvuldig gelezen te hebben, van mening is dat de door klaagster 
gewenste aanpassingen niet kunnen worden weggelaten, omdat die delen nodig zijn om de (medische) 
conclusie te onderbouwen.

3.5   Klaagster heeft bezwaar gemaakt tegen de inhoud van het rapport. Dit bezwaar is behandeld 
conform de klachtenprocedure. Klaagster heeft in dit kader geen toestemming gegeven voor het 
doorzenden van het definitieve (medische) rapport aan de bedrijfsarts, wat overigens ook niet is gebeurd. Klaagster heeft verzocht het rapport volledig te verwijderen uit de administratie en de dossiers. Zij heeft gewezen op artikel 17 van de AVG.

3.6   Bij brief van 30 september 2025 heeft de medisch directeur tevens verzekeringsarts gereageerd 
op het bezwaar van klaagster en gesteld dat het aan de specialist is om te bepalen welke informatie 
relevant is om tot een goed onderbouwde conclusie te komen. Klaagster heeft wel een doorslaggevende 
stem in de mogelijkheid het rapport te delen met derden. Haar weigering daartoe wordt 
gerespecteerd, zo staat in de brief, zodat het rapport niet met derden (zoals de bedrijfsarts) zal 
worden gedeeld. Klaagster is eveneens een formulier toegezonden ter ondertekening van het verzoek 
tot vernietiging van haar medische gegevens.

3.7   Bij brief van 30 september 2025 heeft klaagster aangegeven dat haar bezwaar tegen de 
verwerking en vastlegging van de medische gegevens en het daaruit voortvloeiende verzoek tot 
verwijdering ziet op rectificatie van feitelijk onjuiste informatie en verwijdering van irrelevante 
of disproportionele gegevens. Zij heeft meegedeeld een klacht te hebben ingediend bij de Autoriteit 
Persoonsgegevens.

4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1  Klaagster verwijt verweerster dat zij:
a) bijzondere persoonsgegevens (waaronder die van familieleden) heeft verwerkt zonder wettelijke 
grondslag of toestemming, in strijd met artikel 9 van de AVG;
b) privacygevoelige informatie over familieleden heeft opgenomen die niet relevant zijn voor het 
onderzoeksdoel;
c) geen expliciete toestemming heeft gevraagd of gerespecteerd voor de verwerking van deze 
informatie;
d) onjuiste en subjectieve interpretaties heeft opgenomen in de rapportage;
e) niet heeft voldaan aan de zorgvuldigheidsplicht voor dossiervorming (artikel 7:454 van het 
Burgerlijk Wetboek);
f) niet heeft gehandeld volgens de professionele standaard en de normen van goed hulpverlenerschap 
(artikel 47 van de Wet BIG).

4.2  Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
5.1   Het college begrijpt de klacht in de kern zo dat klaagster enerzijds betoogt dat verweerster 
op onjuiste wijze (bijzondere) persoonsgegevens heeft verwerkt en daarmee heeft gehandeld in strijd 
met de AVG (klachtonderdelen a) en c)) en anderzijds dat het rapport van verweerster niet voldoet 
aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld (klachtonderdelen b), d), e) en f)).

5.2   Wat betreft klachtonderdelen a) en c) overweegt het college dat, zoals de secretaris van het 
college ook aan klaagster heeft gemeld bij brief van 24 oktober 2025, het college niet bevoegd is 
te oordelen over de vermeende onrechtmatige verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens. Daartoe 
is de Autoriteit Persoonsgegevens bevoegd, waar klaagster ook een klacht heeft ingediend. Het 
college zal klaagster in deze klachtonderdelen daarom
niet-ontvankelijk verklaren.

5.3  Het college zal hierna de klachtonderdelen b), d), e) en f) vanwege hun onderlinge samenhang 
gezamenlijk bespreken.

Welke criteria gelden bij de beoordeling van klachtonderdelen b), d), e) en f)?
5.4   De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor verweerster geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen.

5.5  Volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg worden aan 
een deskundigenrapport eisen gesteld, te weten:
1) het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;
2) het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling 
te beantwoorden;
3) in het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de 
conclusies van het rapport steunen;
4) het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en 
de geconsulteerde personen;
5) de rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.


5.6   Klaagster stelt, zoals hiervoor vermeld, dat het rapport van verweerster niet voldoet aan de 
eisen die daaraan mogen worden gesteld. Volgens klaagster heeft verweerster in haar rapport 
passages opgenomen die privacygevoelige informatie bevatten over klaagster en haar familie, zonder 
enige relevantie, noodzaak of toestemming. Verweerster heeft volgens klaagster bovendien informatie 
feitelijk onjuist of subjectief geïnterpreteerd.

5.7   Verweerster betwist het standpunt van klaagster. Volgens haar is klaagster de gelegenheid 
geboden feitelijke onjuistheden in het rapport aan te geven. Het correctierecht geeft geen recht op 
correctie van bevindingen, beschouwing of conclusie. De correcties van klaagster zagen niet op 
onjuiste feiten. Volgens verweerster voldoet haar rapport aan de eisen die daaraan mogen worden 
gesteld.

5.8   Het college stelt vast dat de klacht ziet op de eerste en de derde eis die aan een rapport 
worden gesteld. Namelijk dat het rapport de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust 
dient te vermelden en dat in het rapport op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet wordt op welke gronden de conclusies steunen. Het college komt tot het oordeel dat het rapport van verweerster aan deze eisen voldoet en dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.9   Voor het verrichten van een onderzoek op het gebied van de psychiatrie, de diagnostiek en de 
duiding van eventuele psychiatrische beperkingen is biografische informatie essentieel. Ook de 
wijze waarop de onderzochte vertelt over zijn of haar levensloop en (ernstige) psychiatrische 
problemen in de familie, is relevant. In dat laatste geval dient de psychiater namelijk extra alert 
te zijn op gelijke problemen bij de onderzochte of de invloed van die problemen op de onderzochte. 
Het is aan de psychiater om de relevantie te bepalen van dat wat een onderzochte vertelt en daaruit 
de informatie te destilleren die nodig is voor de beschouwing en conclusie. Dit heeft verweerster, 
zo heeft zij onweersproken gesteld, ook tijdens het gesprek aan klaagster uitgelegd.

5.10  Verweerster heeft in haar rapport telkens uitsluitend relevante feiten, omstandigheden en 
bevindingen opgenomen. Verweerster heeft geen feiten, omstandigheden en bevindingen opgenomen die 
voor de beschouwing en conclusie niet relevant (kunnen) zijn. De informatie over de psychiatrische 
ziekte van de zus van klaagster, over de omstandigheden in het gezin van herkomst van klaagster en 
de eerdere, verbroken relatie van klaagster, is naar het oordeel van het college relevant voor de 
beschouwing en conclusie van verweerster. Klaagster heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat 
verweerster deze (of andere door haar in het rapport opgenomen) feiten, omstandigheden of 
bevindingen onjuist of subjectief heeft geïnterpreteerd. Verweerster heeft zich op geen andere 
informatie gebaseerd dan het gesprek met klaagster en het intakeverslag van de verzekeringsarts. 
Het rapport van verweerster voldoet, kortom, aan de eerste eis die hiervoor in overweging 5.5 is 
vermeld.

5.11  Het rapport voldoet ook aan de derde eis. Verweerster heeft namelijk op inzichtelijke en 
consistente wijze uiteengezet dat en hoe haar conclusies steunen op de door haar genoemde feiten, 
omstandigheden of bevindingen. Daarbij is van belang dat, zou verweerster de door klaagster 
gewraakte informatie hebben weggelaten, haar beschouwing en conclusie niet langer in voldoende mate 
(medisch) zouden zijn verantwoord.

5.12  Dit betekent dat klachtonderdelen b), d), e), en f) kennelijk ongegrond zijn.

Slotsom
5.13  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klaagster niet-ontvankelijk is in de klachtonderdelen 
a) en c) en dat klachtonderdelen b), d), e), en f) kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in klachtonderdelen a) en c);
-  verklaart de klacht voor het overige kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door I. Boekhorst, voorzitter, R.J.M. Lardinois en
C.M. Sonnenberg, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door G.J. Stoepker, secretaris, en in het
openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 15 juli 2026.