ECLI:NL:TGZRSHE:2026:125 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9214
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:125 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 15-07-2026 |
| Datum publicatie: | 15-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/9214 |
| Onderwerp: | Grensoverschrijdend gedrag |
| Beslissingen: | Gegrond, doorhaling inschrijving register |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een psychiater. Gegrond. De psychiater wordt verweten dat hij na afloop van een behandelrelatie uit eigen beweging contact heeft gezocht met een voormalig patiënte (klaagster), met haar een persoonlijke en vervolgens seksuele relatie is aangegaan en haar heeft verzocht dit contact geheim te houden. Het college oordeelt dat de psychiater ernstig tekort is geschoten in de zorgvuldigheid die van hem als hulpverlener mocht worden verwacht. Gezien de aard, duur en intensiteit van de eerdere behandelrelatie, de ernstige en langdurige psychiatrische problematiek van klaagster en haar kwetsbare positie, had de psychiater zich moeten onthouden van niet-professioneel contact. De psychiater heeft de afhankelijkheidsrelatie en de ongelijkwaardige positie onvoldoende onderkend en zijn eigen behoeften laten prevaleren boven die van klaagster. Het college rekent de psychiater bovendien aan dat hij onvoldoende inzicht en diepgaande reflectie heeft getoond op de achtergronden van zijn handelen en het risico op herhaling. Gelet op de aard, ernst, duur en omvang van het grensoverschrijdende gedrag legt het college de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register op. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 15 juli 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
gemachtigde: [C], wonende in [B],
tegen
[D],
psychiater,
(destijds) werkzaam in [B], verweerder, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. D. Schut-Wolfs, werkzaam in Amsterdam.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster verwijt de psychiater, kort en zakelijk weergegeven, persoonlijk
en seksueel
grensoverschrijdend gedrag. Ook verwijt klaagster de psychiater dat hij haar over
hun contact
geheimhouding heeft opgelegd.
1.2 De psychiater verzoekt om klaagster niet-ontvankelijk te verklaren in haar klacht
en, als het
college de zaak wel inhoudelijk beoordeelt en de klacht (gedeeltelijk) gegrond acht,
bij het
opleggen van een eventuele maatregel rekening te houden met de omstandigheden, waaronder
met zijn
reflecties.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat klaagster ontvankelijk is in haar klacht
en dat de
klacht in al haar onderdelen gegrond is. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 6 november 2025;
- het verweerschrift met bijlagen, per e-mail ontvangen op 22 januari 2026 en per
post ontvangen op 23 januari 2026;
- de nadere bijlage, ontvangen van de gemachtigde van de psychiater op 10 april
2026;
- de brief met nadere bijlagen, ontvangen van de gemachtigde van klaagster op 6
mei 2026.
2.2 Partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college
met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 22 mei 2026. Klaagster is daarbij
verschenen,
bijgestaan door haar gemachtigde, tevens haar broer, en vergezeld door haar ouders,
tevens haar
mentoren. De psychiater is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.
Partijen en hun
gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klaagster en haar gemachtigde
hebben
ieder spreekaantekeningen voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster is in april 2014 in behandeling gekomen bij de instelling waar de
psychiater als
kinder- en jeugdpsychiater werkte. Klaagster was toen 17 jaar oud. In de periode
april 2014 tot december 2015 was de psychiater de regiebehandelaar van klaagster.
3.2 De psychiater schreef in zijn terugkoppeling aan klaagsters huisarts op 28 juli
2015 onder
meer:
“Reden van opname:
Aanleiding tot opname TS waarbij [klaagster] een overdosis medicatie (dexamfetamine)
heeft ingenomen. (…)
Psychiatrisch onderzoek:
Magere 18-jarige jonge vrouw, met veel automutilatielittekens op beide armen, die
wanhopig
en gespannen imponeert. (…)
Suïcidaliteit is aanwezig, doch een concreet plan wordt niet benoemd. (…)
Multiconditionele samenvattende conclusie:
[Klaagster] is een 17,7 jarige disharmonisch gemiddeld intelligent (VIQ=91, PIQ=106)
jonge vrouw
met kenmerken van aandachttekortstoornis met hyperactiviteit: overwegend onoplettende
type. Ze
heeft binnen de systemische constellatie en sociale contacten met leeftijdsgenoten
van jongsafaan
emotionele beschikbaarheid van belangrijke hechtingsfiguren gemist en beschadigende
ervaringen
binnen en buiten het gezin opgedaan (onveilige gehechtheid en psychotraumata), waardoor
er
scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling is ontstaan en er kenmerken van een
borderline
persoonlijkheidsstoornis zichtbaar zijn. Als risicofactor kan (…) het beperkte ziektebesef
van
[klaagster] en de ambivalentie van [klaagster] ten opzichte van behandeling gezien
worden, (…).”
3.3 Van januari 2016 tot oktober 2017 was klaagster intern opgenomen op een andere
afdeling
binnen de instelling. De psychiater verwees klaagster daar naartoe. In zijn brief
van 20 april 2017
aan [naam instelling] schreef de psychiater onder meer:
“Probleemomschrijving:
Momenteel is patiënte opgenomen op de [afdeling instelling] in verband met een gestagneerde
behandeling. Zij is niet goed in staat om gevoel te verbaliseren, heeft een chronisch
suïcidaal
patroon ontwikkeld en is ambivalent voor behandeling van haar klachten. Vanuit haar
behandeling
binnen het centrum kinder- en jeugdpsychiatrie werd de volgende diagnostische overweging
gebruikt
in 2015:
Diagnostische overwegingen
De ernstige problemen, die [klaagster] op dit moment in haar adolescentie ervaart
zijn terug te
voeren op de vele en ernstige negatieve ervaringen die ze gedurende haar gehele
levensloop vanaf
haar vroege jeugd in relaties met belangrijke hechtingsfiguren en later (middelbare
school)
leeftijdsgenoten heeft ervaren. (…) Bij [klaagster] heeft door het ontbreken van
voldoende
emotionele basisveiligheid de kernovertuiging post gevat, dat ze alles alleen moet
doen, dat ze
anderen geen steun kan vragen. Omdat een kind/mens de illusie van controle wil over
een situatie,
heeft ze een ‘interne kritische stem’ ontwikkeld, waarmee ze zichzelf de schuld
geeft van deze
ervaren tekorten en zichzelf als minderwaardig beschouwt (en zodoende alles alleen
moet doen, dat
ze anderen geen steun kan vragen, dat ze anderen snel belast, dat ze naar anderen
tekort schiet,
dat anderen haar niet de moeite waard zullen vinden). De pestervaringen en beschadigende
relationele ervaringen op de middelbare school hebben deze negatieve kernovertuiging
nog eens extra
versterkt. (…) De beschadigende ervaringen hebben echter geleid tot een ambivalent
gehechtheidspatroon, waarbij ze een diffuse identiteit heeft opgebouwd (negatief
zelfbeeld, leeg
gevoel, sterke depressieve en angstgevoelens) en inadequate coping (somatiseren,
zichzelf de schuld
geven, vermijden, geen sociale steun zoeken, piekeren, doemdenken, doodsgedachten,
automutilatie)
heeft ontwikkeld om met externe en snel opgeroepen interne stress om te gaan. Al
met al kan
gesproken worden over een scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling, waarbij
kenmerken van een
borderline persoonlijkheidsstoornis aanwezig zijn. (…)
Al met al kan er zodoende gesteld worden, dat ze van jongsafaan aan de kenmerken
voldoet
van een aandachttekortstoornis (…).”
3.4 In deze periode had de psychiater nog ongeveer vier keer per jaar contact met
klaagster,
vanuit zijn rol als zorgcoördinator. Naar aanleiding van zo’n contact, op
11 mei 2017, heeft de psychiater in de voortgangsrapportage genoteerd:
“Bespreking voortgang rondom aanmeldingen: tevens kort stilgestaan bij haar levensverhaal,
waarbij
og ook benoemd heeft dat het contact met de leerkracht als grensoverschrijdend verklaard
kan
worden. Zo had [klaagster] dit zelf echter nog niet gezien. EMDR protocol rondom
deze leerkracht
wel benoemd. (…)”
3.5 Van oktober 2017 tot juli 2018 is klaagster na verwijzing door de psychiater
intern behandeld
binnen een andere instelling. Klaagster en de psychiater hadden in deze periode nog
zo’n twee tot drie keer contact, de psychiater vanuit zijn rol als zorgcoördinator.
3.6 Eind mei 2018 hadden klaagster en de psychiater een afsluitend gesprek vanwege
het aanstaande
vertrek van de psychiater naar een andere instelling. Klaagster heeft de psychiater
toen een kaart
gegeven om hem te bedanken voor de verleende zorg.
3.7 De psychiater heeft rond 15 september 2019 via Facebook contact gezocht met
klaagster.
Klaagster vroeg vervolgens “Mag ik je trouwens toevoegen?”, waarop de psychiater
reageerde “No
problem [emoticon duimpje omhoog] Zit meer dan een jaar tussen dus mag wel”. In
een van die eerste
contacten liet klaagster weten “Thanks! Met mij gaat het momenteel moeilijk, kort
geleden begonnen
aan een alternatieve behandeling waardoor je fysiek en mentaal in een grote disbalans
komt dus
alles ligt een beetje overhoop (…)”. Klaagster en de psychiater hadden ook contact
via Instagram en
Whatsapp. Er werden veelvuldig berichten uitgewisseld. Soms kwam daarbij het behandeltraject
van
klaagster en hoe zij zich voelde ter sprake. Klaagster liet de psychiater weten:
“Jij bent een van
de weinige bij wie ik niet het idee heb dat je tegen me praat puur om te testen
hoe mn hoofd werkt
ofzo”. Op 28 december 2019 berichtte klaagster bijvoorbeeld aan de psychiater: “Ik
kan sinds juli
niet meer huilen, ben veel zenuwachtig, slecht slapen, trillen, soms keihard lachen
om iets stoms
zoals een plant ofzo”. Veelal hadden de berichten een andersoortig (dat wil zeggen:
niet op de
behandeling betrekking hebbend) persoonlijk karakter.
3.8 Op enig moment heeft de psychiater klaagster verzocht om over te stappen naar
Snapchat en
Telegram en de contacten via die platformen te laten verlopen.
3.9 In de periode december 2019 tot oktober 2022 was naast persoonlijk contact ook
meermalen
sprake van seksueel contact.
3.10 De psychiater, die destijds getrouwd was, heeft klaagster verzocht om het contact
geheim te
houden.
3.11 Op 3 oktober 2022 hadden klaagster en de psychiater het volgende Whatsapp contact:
“Durf je dan wel alles tegen me te zeggen?” [klaagster]
“Als je belooft dat alles tussen jou en mij blijft, Sure” [de psychiater]
(…)
“Maar mag ik ook niet aan 1 iemand kwijt waar ik nu doorheen ga? Is echt niet gezond
om
dit allemaal in je eentje te voelen” [klaagster]
(…)
“Nee kan wel, maar liever niet mijn naam (en beroep) noemen” [de psychiater]
“Ben inmiddels opleider psychiatrie dus kan vreemd over komen“ [de psychiater]
3.12 In oktober 2022 heeft klaagster het persoonlijke en seksuele contact met de
psychiater
verbroken.
3.13 In november 2022 is de psychiater teruggekeerd naar de instelling waar klaagster
nog steeds
in behandeling was (en is), in een andere functie. Er is geen betrokkenheid bij
het nog lopende
behandeltraject van klaagster.
3.14 De psychiater heeft na het verbreken van het contact door klaagster nog berichten
gestuurd
naar klaagster. Bijvoorbeeld op 2 februari 2023, waarop klaagster reageerde met
“Laat me met rust
[voornaam psychiater]”. Op 19 oktober 2023 berichtte de psychiater klaagster via
Whatsapp: “Hey
[voornaam klaagster], vroeg me af hoe het met je ging?”. Op 3 mei 2025 liet de psychiater
tot slot
aan klaagster weten: “Ik vind het jammer hoe het gelopen is. Zal rekening houden
met jou en bv niet
naar bepaalde concerten gaan en uit je buurt blijven. Het ga je goed [voornaam klaagster]”.
4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Klaagster verwijt de psychiater dat hij:
a. gezien de aard en intensiteit van de behandelingen en de kenmerken van de relatie
zich niet aan
een redelijke afkoelingsperiode zoals bedoeld in de KNMG-gedragscode voor artsen
heeft gehouden;
b. uit eigen beweging contact heeft gezocht met een voormalig patiënt (klaagster)
en een seksuele
relatie met haar is aangegaan. Door zijn professionele voorkennis en kennis over
haar voortdurende
behandeling had hij kunnen weten dat het contact ongelijkwaardig en afhankelijk
zou zijn op het
gebied van leeftijd, (sociaal-emotionele-) maturiteit en de kwetsbare psychische
toestand van zijn
voormalig patiënt;
c. ondanks dat hij kennis had over haar situatie en voortdurende problematiek,
haar geheimhouding
heeft opgelegd over de relatie. Dit belette klaagster gedurende bijna 3 jaar open
en eerlijk te
zijn over wat zich afspeelde in haar leven en hoe ze zich (daardoor) voelde, zowel
tegenover
familie en vrienden als psychische behandelaars.
4.2 De psychiater heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren
en de
klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht
wel inhoudelijk
beoordeelt, heeft de psychiater het college verzocht, voor zover het college de
klacht
(gedeeltelijk) gegrond acht, bij het opleggen van een eventuele maatregel rekening
te houden met de
omstandigheden, waaronder met zijn reflecties.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Is klaagster ontvankelijk in haar klacht?
5.1 De psychiater heeft twee redenen aangevoerd die er volgens hem toe zouden moeten
leiden dat
het college klaagster niet-ontvankelijk verklaart in haar klacht. Het college volgt
de psychiater
niet en licht dat hierna toe.
5.2 De psychiater heeft als eerste reden aangevoerd dat voor zover de klacht uitsluitend
namens
de broer van klaagster zou zijn ingediend, sprake is van niet-ontvankelijkheid vanwege
het
ontbreken van een relatie als bedoeld in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder
a, van de Wet BIG.
Er is het college echter op geen enkele wijze gebleken dat de klacht uitsluitend
door of voor de
broer van klaagster zou zijn ingediend. Zowel klaagster alsook haar mentoren hebben
het
klaagschrift ondertekend. Daarmee geven zij er blijk van dat zij een klacht tegen
de psychiater
wensen in te dienen. Daarvan is het college ook op de mondelinge behandeling voldoende
gebleken.
5.3 De psychiater heeft als tweede reden aangevoerd dat er niet getoetst kan worden
aan de eerste
tuchtnorm zoals neergelegd in artikel 47 Wet BIG, omdat het verweten handelen ziet
op privégedrag
na de beëindiging van de behandelrelatie en waarbij een ruime afkoelingsperiode
in acht is genomen.
Het college is van oordeel dat de psychiater daarmee miskent dat de verantwoordelijkheid
van de
psychiater als zorgverlener niet eindigt met het einde van de behandelrelatie en
dat onder meer
juist de vraag of er een voldoende ruime afkoelingsperiode in acht is genomen, behoort
te kunnen
worden getoetst door de tuchtrechter. Het college deelt - gegeven de behandelrelatie
die heeft
bestaan tussen de psychiater en klaagster, als regiebehandelaar en daarna nog enkele
jaren als
zorgcoördinator - niet de opvatting van de psychiater dat het in deze gaat om een
privéaangelegenheid die geen verband houdt met zorgverlening, en om die reden niet
onder het bereik
van de eerste tuchtnorm zou vallen. Naar het oordeel van het college valt het verweten
handelen wel
degelijk onder het bereik van de eerste tuchtnorm. Bovendien valt handelen in de
privésfeer van een
BIG-geregistreerde onder de tweede tuchtnorm (enig ander dan onder de eerste tuchtnorm
bedoeld
handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt),
als dit
handelen voldoende weerslag heeft op het belang van de individuele gezondheidszorg.
Dat laatste is
aan de orde als sprake is van
(i) zeer ernstig verwijtbaar handelen in flagrante strijd met de algemene zorgplicht,
(ii) handelen
dat de waarden van het beroep in de kern raakt en (iii) handelen dat het vertrouwen
in het handelen
van een arts wezenlijk aantast. Hoewel de psychiater dat niet toelicht, volgt uit
zijn standpunt
(randnummer 9 en 10 van het verweerschrift) dat de psychiater meent dat aan deze
voorwaarden niet
is voldaan. Het college deelt dat niet met de psychiater, zoals verderop in deze
uitspraak zal
worden toegelicht. Zij is van oordeel dat het verweten handelen ook onder het bereik
van de tweede
tuchtnorm getoetst kan worden.
5.4 Het college ziet dus geen reden om klaagster niet-ontvankelijk te verklaren
in de klacht en
zal de klacht daarom verder inhoudelijk bespreken.
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.5 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. In deze
procedure staat
centraal het optreden van de psychiater, die na zijn betrokkenheid als regiebehandelaar
en later
zorgcoördinator, circa 16 maanden na het afsluitende gesprek contact heeft gezocht
met een
ex-patiënt (klaagster) en vervolgens een persoonlijke en nadien seksuele relatie
is aangegaan met
haar. In de kern is daarmee aan de orde of de psychiater heeft gehandeld als een
goed hulpverlener
in de zin van artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze bepaling schrijft
voor dat een
hulpverlener bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht neemt
en daarbij in
overeenstemming handelt met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende
uit de voor de
hulpverleners geldende standaarden. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met
de voor de
psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden ten tijde
van het
klachtwaardig geachte handelen.
5.6 Bij de beantwoording van deze vraag moet onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds
het
aangaan van een niet-professionele relatie tijdens de behandelrelatie of direct
aansluitend
daaraan, wat uitdrukkelijk niet is toegestaan, en anderzijds het aangaan van een
niet-professionele
relatie in de periode daarna. Het aangaan van een niet-professionele relatie na
beëindiging van een
behandelrelatie is niet per definitie verboden. Wel moet de psychiater daarbij alle
zorgvuldigheid
in acht nemen die als professioneel psychiater van hem mag worden verwacht.
5.7 Deze zorgvuldigheid houdt in het algemeen in, dat een psychiater:
- terughoudendheid betracht bij het aangaan van een niet-professionele relatie met
een ex-patiënt
na beëindiging van de behandelrelatie;
- na beëindiging van de behandelrelatie een afkoelings- of reflectieperiode van
aanmerkelijke duur
in acht neemt, waarvan de duur mede wordt bepaald door de aard, duur en intensiteit
van de
voorgaande behandelrelatie;
- zich ervan vergewist dat de voorgaande professionele relatie geen onevenredige
betekenis meer
heeft.
5.8 Deze normen vinden hun basis in vaste tuchtrechtspraak en uit de voor de beroepsgroep
geldende standaarden. Het college noemt in dit verband de
KNMG-Gedragscode voor artsen, kernregel 4: “Als arts ga je respectvol om met je
patiënt en neem je
professionele grenzen in acht. Je onthoudt je van ongewenst, grensoverschrijdend
en ontwrichtend
gedrag”. Het college noemt in dit verband ook de Beroepscode voor psychiaters. In
artikel II.14
daarvan staat dat de psychiater zich rekenschap geeft van het feit dat na de formele
beëindiging
van de professionele relatie er nog steeds sprake kan zijn van belangentegenstellingen
of een
ongelijke machtsverhouding tussen hem en de betrokkene en dat derhalve zijn professionele
verantwoordelijkheid ten opzichte van de betrokkenen niet zonder meer ophoudt te
bestaan. In
artikel II.15 daarvan is bepaald dat de psychiater niet verder doordringt in de
privésfeer van de
patiënt dan noodzakelijk is voor de hulpverlening en zich onthoudt van contacten
van seksuele aard en andere vormen van grensoverschrijdend gedrag. Het college noemt
ook de brochure ‘Het mag niet, het mag nooit’ van de
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Tot slot noemt het college het Protocol Seksueel
grensoverschrijdend gedrag in de zorg [instelling] van de instelling waar verweerder
werkte (en
weer werkt) (hierna: het instellingsprotocol), artikel 2.5., waarin wordt gesproken
van een
afkoelingsperiode van zes maanden.
5.9 Omdat in een zorgrelatie een patiënt altijd afhankelijk is van de zorgverlener
vanwege diens
kennis en kunde en de geboden medische hulp, is er ook altijd sprake van een ongelijke
verhouding.
Daarom is een persoonlijke en seksuele relatie nooit toegestaan tussen zorgverlener
en patiënt
tijdens de behandelrelatie. De ongelijke verhouding
en afhankelijkheidsrelatie houden niet direct op te bestaan met de beëindiging van
de behandel-
en/of zorgrelatie. Om die reden moet een afkoelings- of reflectieperiode van aanmerkelijke
duur in
acht worden genomen. Deze periode is bedoeld om afstand te creëren, om de ongelijke
verhouding van
de zorgrelatie op te heffen, indien en voor zover dat mogelijk is. In dat verband
moeten eventueel
genoemde termijnen, zoals in het instellingsprotocol, benaderd worden als een richtlijn
en niet als
een harde termijn die altijd en in alle gevallen kan worden toegepast. Het gaat
om de
achterliggende gedachte en het behoort tot de verantwoordelijkheid van de zorgverlener
om zich
ervan te vergewissen dat daaraan recht is gedaan, gelet op alle omstandigheden.
Waar het om gaat,
is of de uit de behandelrelatie voortvloeiende afhankelijkheid daadwerkelijk is
verdwenen, het
daarin gevestigde vertrouwen niet langer relationeel bepalend is, en geen sprake
meer is van
doorwerking van de therapeutische dynamiek. Van een zorgverlener mag worden verlangd
dat hij zich
onthoudt van gedragingen die voortbouwen op de tijdens de behandeling ontstane afhankelijkheid
of
het daarin gevestigde vertrouwen.
Hoe het college tegen de klacht aankijkt tegen de achtergrond van deze criteria
5.10 Het college zal hierna de klachtonderdelen vanwege hun onderlinge samenhang
gezamenlijk
bespreken.
5.11 Dat de psychiater uit eigen beweging contact heeft gezocht met een ex-patiënt
en een
persoonlijke en nadien seksuele relatie met haar is aangegaan, staat vast. Klaagster
was op dat
moment 22 jaar oud, de psychiater 13 jaar ouder. Ook staat vast dat de psychiater
klaagster heeft
verzocht deze relatie geheim te houden. Ook staat de totale duur van de persoonlijke
en nadien
seksuele contacten vast: 3 jaar. Het college acht dit een substantiële duur.
5.12 De psychiater stelt zich daarbij op het standpunt dat hij ‘de afkoelingsperiode’
ruim in acht
heeft genomen. Hij verwijst daarbij naar artikel 2.5. van het instellingsprotocol
zoals dat geldt
binnen de instelling waar de psychiater werkzaam was (en weer is). In dat protocol
is opgenomen dat
medewerkers zich moeten houden aan een afkoelingsperiode van
6 maanden. De psychiater wijst erop dat er 16 maanden waren verstreken sinds het
afsluitende
gesprek met klaagster, toen hij contact met klaagster zocht. De psychiater erkent dat
de KNMG geen vaste afkoelingsperiode hanteert, maar een passende afkoelingsperiode,
afhankelijk
van de aard en intensiteit van de zorgrelatie. Hij heeft vervolgens aangevoerd dat
hij tot december
2015 een regelmatige zorgrelatie had met klaagster, dat het contact in de jaren
daarna veel minder
frequent is geweest en niet meer kon worden aangemerkt als een intensieve behandelrelatie.
De
psychiater heeft destijds gemeend dat gezien het instellingsprotocol en het feit
dat 16 maanden
sinds het laatste afsluitende contact waren verstreken, de formeel ongelijkwaardige
verhouding
voldoende was afgezwakt. Hij stelt zich achteraf te realiseren dat hij deze afweging
veel heeft
gebaseerd op het instellingsprotocol en het tijdsverloop.
5.13 Het college is van oordeel dat de psychiater daarmee in ernstige mate tekort
is geschoten in
de zorgvuldigheid die van hem als zorgverlener mocht worden verwacht. Dat oordeel
baseert het
college op de volgende feiten en omstandigheden. Met het enkel afzetten van de in
het
instellingsprotocol genoemde afkoelingsperiode van 6 maanden tegen het tijdsverloop
van 16 maanden
sinds het afsluitende contact en door vervolgens te concluderen dat ‘de formeel
ongelijkwaardige
verhouding’ voldoende was afgezwakt, heeft de psychiater het wezenskenmerk van de
afkoelingsperiode
en de in dat kader op hem rustende zorgplicht, in zorgelijke mate miskend. Bij klaagster
was
namelijk sprake van ernstige en langdurige psychiatrische problematiek, waarvan
de psychiater op de
hoogte was. Het college acht daarbij van belang dat een rode draad in die problematiek
werd gevormd
door ‘vele en ernstige negatieve ervaringen met belangrijke hechtingsfiguren’. Ook
was de
psychiater uit de behandelrelatie bekend met een voorval van grensoverschrijdend
gedrag van een
leerkracht. De psychiater behoorde zonder meer te weten dat dergelijk ernstige en
langdurige
problematiek niet in 16 maanden zou zijn opgelost. De psychiater heeft zich daar
destijds op geen
enkele wijze, althans volstrekt onvoldoende, rekenschap van gegeven. Op het moment
dat de
psychiater op zijn initiatief contact zocht met klaagster, was klaagster ook nog
steeds in
behandeling.
5.14 In zijn verweerschrift heeft de psychiater naar voren gebracht dat uit het geschetste
beeld
van de medische situatie in het klaagschrift een ernstiger en kwetsbaarder beeld
naar voren komt
van klaagster dan hij heeft ervaren tijdens de behandelperiode. Het college acht
die uitlating na
kennisname van het medisch dossier van klaagster zoals overgelegd, onbegrijpelijk
en daarom
zorgelijk. Enkele door de psychiater, al in 2015 en 2017, genoteerde bevindingen,
heeft het college
in hoofdstuk 3 van deze uitspraak opgenomen. Deze door de psychiater zelf genoteerde
bevindingen
geven blijk van ernstige en langdurige psychiatrische problematiek en daarmee van
een zeer
kwetsbare jonge vrouw. Onder deze omstandigheden bracht de op de psychiater rustende
verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor de hulpverleners geldende standaarden,
mee dat de
psychiater zich had moeten onthouden van het opzoeken van niet-professioneel contact
met klaagster.
De psychiater heeft zich geen, althans volstrekt onvoldoende, rekenschap gegeven
van de negatieve
weerslag die deze niet-professionele relatie kon hebben op klaagster. Gezien alle
omstandigheden
had de psychiater duidelijk moeten zijn dat van een gelijkwaardig contact, in dit
geval ook na 16
maanden, nog absoluut geen sprake kon zijn. Hij heeft zijn eigen gevoelens en behoeften
laten prevaleren boven die van klaagster. Dat blijkt ook uit het feit dat de psychiater,
zoals hij heeft erkend, klaagster heeft verzocht het contact geheim te houden.
Slotsom
5.15 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de psychiater niet heeft gehandeld
zoals het van een
goed hulpverlener mag worden verwacht. Dat kan hem tuchtrechtelijk worden aangerekend.
De klacht is
in alle onderdelen gegrond.
Maatregel
5.16 In het algemeen geldt dat bij (seksueel) grensoverschrijdend handelen in beginsel
ten minste
een (on)voorwaardelijke schorsing van de inschrijving in het BIG-register past.
Het college ziet in
dit geval aanleiding om verweerder de zwaardere maatregel van doorhaling van de
inschrijving in het
BIG-register op te leggen. Hierna zal het college uitleggen waarom het dat in dit
geval een
passende maatregel acht.
5.17 Het college neemt allereerst de aard, omvang en duur van het grensoverschrijdend
handelen
mee. De psychiater heeft gedurende een substantiële tijd grensoverschrijdend gehandeld
door het op
zijn initiatief aangaan van een persoonlijke en nadien op zijn initiatief aangaan
van ook een
seksuele relatie met klaagster, een kwetsbare jonge vrouw met ernstige en langdurige
psychiatrische
problematiek waarvan verweerder gezien zijn eerdere rol als regiebehandelaar en
zorgcoördinator
wist, en door het opleggen van geheimhouding aan haar over hun contacten.
5.18 Het college heeft op de mondelinge behandeling aan de psychiater gevraagd hoe
hij er nu op
terugkijkt. De psychiater heeft daarop geantwoord dat hij laakbaar heeft gehandeld.
Hij vindt
achteraf dat hij onvoldoende rekening heeft gehouden met de situatie van klaagster.
Gevraagd naar
waarom hij contact heeft opgenomen met klaagster, antwoordde de psychiater dat het
destijds met hem
niet goed ging, hij een kaartje van klaagster, dat zij hem bij zijn afscheid had
gegeven, terugvond
en haar wilde bedanken. Het contact dat hij daarna met klaagster had, ervaarde hij
als prettig. De
psychiater heeft verklaard dat er tijdens het contact verschillende momenten zijn
geweest waarop
hij had kunnen reflecteren, maar dat niet heeft gedaan. Behoudens een door de psychiater
genoemd
contact met de KNMG begin 2020 vanwege bij hem opgekomen twijfels, heeft de psychiater
geen stappen
ondernomen om zijn handelen te (laten) toetsen, noch heeft hij toen professionele
hulp gezocht. De
psychiater verklaarde dat hij zichzelf heeft voorgehouden dat beiden het prettig
vonden. Het
college constateert dat ook de psychiater er blijk van geeft dat er verschillende
momenten zijn
geweest waarop hij zich had kunnen, en volgens het college moeten, realiseren dat
hij het contact
met klaagster moest stoppen. Dat heeft de psychiater echter telkens niet gedaan.
5.19 Het is het college ook niet duidelijk geworden, ondanks vragen daarover, of
de psychiater
achteraf voldoende heeft onderzocht en/of nog onderzoekt, wat er toe heeft geleid
dat hij in deze situatie terecht is gekomen. Dit opdat wordt voorkomen dat de psychiater
nog een keer in een dergelijke situatie terecht komt. Hij heeft weliswaar verklaard
dat hij de hulp van een coach heeft ingeroepen en zich onder behandeling heeft gesteld
van een psychotherapeut, maar heeft geen stukken van deze behandelaren overgelegd
noch concreet inzicht verschaft in doel, vorm en voortgang van de behandeling. Het
college kan dan ook niet beoordelen of de ingeroepen hulp
adequaat is en bij zal dragen aan het voorkomen van herhaling.
5.20 Het college is alles bij elkaar van oordeel dat de psychiater, ook op de mondelinge
behandeling, onvoldoende blijk heeft gegeven van inzicht in de achtergronden van
zijn gedrag. Ook
heeft de psychiater onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom hij de mogelijkheid
andere keuzes te
maken en/of de hulp van collega’s in te roepen niet heeft benut. Het college is
er daarom niet van
overtuigd dat de psychiater zich in voldoende mate rekenschap geeft van de rol van
zijn eigen
behoeften en van wat in een dergelijke situatie van een professioneel handelend
psychiater mag
worden verwacht. Tegen deze achtergrond acht het college het risico op herhaling
niet
verwaarloosbaar. Dat klemt temeer nu de psychiater werkt met een kwetsbare doelgroep
(kinderen en
jeugdigen met een psychische kwetsbaarheid). Tegen de achtergrond van het voorgaande
acht het
college het feit dat verweerder enige reflectie heeft getoond, niet voldoende en
niet overtuigend.
5.21 Het baart het college ook zorgen dat de psychiater bij herhaling heeft gezegd
dat hij de
relatie en de vorm waarin dit plaatsvond, destijds als wederzijds heeft ervaren.
Daarmee geeft hij
er blijk van de ongelijke positie gedurende de tijd van de contacten in het geheel
niet te hebben
onderkend. Ook lijkt de reflectie van nu veelal ‘extern’ ingegeven. Daarmee bedoelt
het college dat
de psychiater niet op basis van zijn eigen interne kompas tot de conclusie is gekomen
dat geen
sprake was van een gelijkwaardig contact, maar zich daarvan, zo leidt het college
uit verklaringen
van de psychiater af, bewust is geworden door externe factoren zoals dat wat hij
van klaagster
heeft gehoord en door het verhoor bij de politie.
5.22 Kortom, de psychiater heeft met zijn handelen de voor hem geldende beroepsnormen
in ernstige
mate geschonden. Gelet op de aard, omvang, ernst en duur en de ontoelaatbaarheid
daarvan en het
gebrek aan gebleken overtuigende en voldoende diepgaande reflectie daarover, is
doorhaling van de
inschrijving in het BIG-register in dit geval de passende maatregel.
Publicatie
5.23 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets van deze zaak kunnen leren met betrekking
tot het
voor het werkveld belangrijke thema veilige zorgrelatie. Een veilige zorgrelatie
gaat over het
voorkomen van en het omgaan met grensoverschrijdend gedrag door zorgverleners jegens
een patiënt,
door middel van bewustwording, preventie en interventie. De publicatie zal plaatsvinden
zonder
vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in alle onderdelen gegrond;
- bepaalt dat de inschrijvingen van de psychiater als psychiater en arts in het
BIG-register
worden doorgehaald dan wel ontzegt de psychiater, voor het geval hij op het moment
van
onherroepelijk worden van deze beslissing niet is ingeschreven in het BIG-register,
het recht om
wederom in dit register te worden ingeschreven;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Medisch Contact en De psychiater.
Deze beslissing is gegeven door I. Boekhorst, voorzitter, E.C. Zandman, lid-jurist,
R.J.M. Lardinois, C.M. Sonnenberg en A.C.M. Kleinsman, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door G.J.
Stoepker, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 15 juli 2026.