We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRSHE:2026:123 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/9271

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:123
Datum uitspraak: 08-07-2026
Datum publicatie: 08-07-2026
Zaaknummer(s): H2025/9271
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen huisarts. Geen sprake van onvoldoende zorgverlening aan klagers dochter. Na optreden alarmsignalen is de dochter doorverwezen naar het ziekenhuis.  Van structureel weigeren verstrekking medisch dossier van de dochter is ook geen sprake. De huisarts had het dossier overgedragen aan de nieuwe huisarts en kon dit daarom niet verstrekken.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 8 juli 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B], klager,

tegen

[C],
huisarts,
werkzaam in [B],
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. D. Benamari, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   De dochter van klager, geboren in 2014, (hierna: de dochter) is in februari en maart 2016 
driemaal gezien door de huisarts. Na verwijzing door de huisarts tijdens het laatste consult is in 
het ziekenhuis de werkdiagnose ‘acute lymfatische leukemie’ gesteld. Volgens klager heeft de 
huisarts onvoldoende zorg verleend aan de dochter en ten onrechte geen afschrift van het dossier 
van de dochter verstrekt (in 2025).

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 19 november 2025;
-  de aanvullende klaagschriften (2), ontvangen op 27 november 2025;
-  het verweerschrift met de bijlage, ontvangen per e-mail op 21 januari 2026 en ontvangen per post 
op 22 januari 2026.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek).
Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1  De (minderjarige) dochter was als patiënte verbonden aan de huisartsenpraktijk waar verweerder 
werkzaam is.

3.2   Verweerder heeft de dochter op 11 februari 2016 gezien. Verweerder noteerde in haar dossier 
(alle citaten voor zover van belang en ongecorrigeerd weergegeven):
“    S Ziek geworden , koorts , spugen , eet niet , S drinkt wel , hoesten, plast
O warm, , matig ziek , Pulm VAg , KNO keel rood E Acute infectie bovenste luchtwegen
P Veel drinken en pcm.”

3.3  Op 17 maart 2016 zag verweerder de dochter wederom en noteerde:
“    S Koorts 2-3 dg hoesten loopneus, eet niet , loopoor S rechts
O Pulm VAG , KNO TV li gb , re oud bloed E Acute infectie bovenste luchtwegen
P PCM , neusgtt , goed drinken”.

3.4   De volgende dag, 18 maart 2016, vond een controleafspraak plaats. Verweerder beoordeelde de 
toestand van de dochter en stuurde haar, na overleg met de dienstdoende kinderarts in het 
ziekenhuis, door naar het ziekenhuis. Het dossier vermeldt:
“    E Idiopathische trombocytopenische purpura (ITP) S Meer uitslag armen , benen , nek
O T38 , armen /benen petechieen, keel E petechieen/ITP
P Overlag [naam kinderarts] ; mag naar afdeling (…)”.

3.5   In het ziekenhuis werd de werkdiagnose acute lymfatische leukemie gesteld. De dochter werd 
overgeplaatst naar een kinderziekenhuis.

3.6   In juli 2018 is de dochter ingeschreven bij een andere huisarts. Verweerder heeft haar 
medisch dossier overgedragen aan de nieuwe huisarts.

3.7   Klager heeft op 17 oktober 2025 (per e-mail en bij brief) verzocht om verstrekking van het 
medisch dossier van de dochter over de periode januari 2016 t/m november 2017. De assistente van 
verweerder heeft klager op 20 oktober 2025 laten weten dat het dossier dient te worden opgevraagd 
bij de nieuwe huisarts. Ook heeft zij laten weten dat als patiënten zich uitschrijven,
het gehele medisch dossier wordt doorgestuurd aan de nieuwe huisarts.

3.8  Op 17 november 2025 verzocht klager opnieuw om een afschrift van het medisch dossier:
“(…) Op 17 oktober 2025 heb ik u schriftelijk en per e-mail verzocht om een afschrift van het 
volledige medisch dossier van mijn dochter [naam dochter].

Tot op heden heb ik hier geen inhoudelijke reactie op ontvangen, anders dan de mededeling dat ik 
mij tot de nieuwe huisarts zou moeten wenden. Zoals ik in mijn eerdere bericht heb aangegeven bent 
u als voormalig huisarts op grond van artikel 7 :454 BW (WGBO) wettelijk verplicht het dossier 
minimaal 20 jaar te bewaren en desgevraagd rechtstreeks te
verstrekken. (…)”

Verweerder heeft hierop het volgende geantwoord:
“ (…) Het volledige medisch dossier van uw dochter [naam dochter] is op 27-07-2018
overgegaan naar (…). Daarbij is het volledige dossier, dus ook het deel vanaf haar geboorte tot aan 
27/7/18 toen zij bij ons patiënt was, meegegaan. Hiervoor moet u zich dus, betreffende uw verzoek, 
toch echt wenden tot de [naam nieuwe huisartsenpraktijk]. “

4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1  Klager verwijt de huisarts dat hij:
a) onvoldoende medische zorg heeft verleend aan de dochter van klager in 2016;
b) structureel heeft geweigerd om het medisch dossier te verstrekken, in 2025.

Verder is klager van mening dat de dossiervoering gebrekkig is en geeft hij aan dat niet de 
huisarts de dochter heeft ingestuurd naar het ziekenhuis, maar dat klager zijn dochter zelf bij de 
Spoedeisende Hulp (SEH) heeft aangemeld.
4.2  De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2  Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdeel a) onvoldoende medische zorg verleend aan de dochter van klager
5.3   Het college oordeelt dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Uit het medisch dossier is 
gebleken dat er in totaal drie contactmomenten hebben plaatsgevonden, namelijk op 11 februari, 17 
maart en 18 maart 2016. Het college ziet in het dossier geen aanknopingspunten om tot de conclusie 
te komen dat verweerder onvoldoende medische zorg heeft verleend aan de dochter. Op 11 februari en 
17 maart waren de klachten niet zodanig dat een doorverwijzing of enige andere behandeling was 
aangewezen. Op 18 maart, toen sprake bleek te zijn van alarmsignalen - te weten toename van de 
huiduitslag op de armen, benen en nek van de dochter in combinatie met koorts - heeft verweerder 
contact gezocht met de dienstdoende kinderarts en de dochter doorverwezen naar het ziekenhuis. Die 
doorverwijzing heeft verweerder ook in het medisch dossier vermeld. Het college kan uit de 
dossieraantekeningen niet opmaken dat klager de dochter zelf zou hebben aangemeld bij de SEH, zoals 
klager stelt.

Klachtonderdeel b) structureel geweigerd om het medisch dossier te verstrekken
5.4   Klager heeft het dossier van de dochter opgevraagd in oktober en november 2025. Klager 
refereert hierbij aan WGBO artikel 7:454 BW en stelt dat verweerder een kopie van het dossier zou 
moeten bewaren. Het college is van oordeel dat deze aanname van klager niet juist is. Bij 
overdracht van het dossier naar een nieuwe huisarts gaat, op grond van de NHG-Leidraad 
dossieroverdracht, namelijk ook de bewaartermijn over naar de nieuwe huisarts. Door de overdracht 
van de dochter naar een nieuwe huisarts is de behandelrelatie met verweerder vervallen. Daarmee 
wordt de juridische grondslag voor de toegang tot het medisch dossier ook geacht vervallen te zijn. 
Ook volgens de KNMG handreiking ‘Overdracht patiëntendossier bij verandering van huisarts’, mocht 
verweerder het dossier niet meer bewaren en derhalve had hij niet de mogelijkheid tot het 
verstrekken daarvan aan klager. Ook dit klachtonderdeel is daarmee ongegrond.

5.5   Klager geeft in het aanvullende klaagschrift aan dat de dossiervoering door verweerder 
volgens klager gebrekkig is. Hoewel de dossiervoering door de huisarts summier is, biedt de inhoud 
van het dossier voldoende inzicht in de beoordeling en de afwegingen van verweerder. Het college 
heeft niet kunnen vaststellen dat er contacten hebben plaatsgevonden die niet zijn geregistreerd in 
het dossier en klager heeft dit verder ook niet onderbouwd of aangetoond met stukken. Daarom is ook 
op het punt van de dossiervoering niet sprake van een gegronde klacht.

Slotsom
5.6  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door R.A. Steenbergen, voorzitter, T.A.W. Linssen en
J.G.E. Smeets, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Karatepe, secretaris, en in het openbaar 
uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 8 juli 2026.