ECLI:NL:TGZRSHE:2026:122 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H20269721
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:122 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-07-2026 |
| Datum publicatie: | 08-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | H20269721 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen huisarts. Geen sprake van onvoldoende zorgverlening aan klagers dochter. Na optreden alarmsignalen is de dochter doorverwezen naar het ziekenhuis. Van structureel weigeren verstrekking medisch dossier van de dochter is ook geen sprake. De huisarts had het dossier overgedragen aan de nieuwe huisarts en kon dit daarom niet verstrekken. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 8 juli 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B], klager,
tegen
[C],
huisarts,
werkzaam in [B],
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. D. Benamari, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 De dochter van klager, geboren in 2014, (hierna: de dochter) is in februari
en maart 2016
driemaal gezien door de huisarts. Na verwijzing door de huisarts tijdens het laatste
consult is in
het ziekenhuis de werkdiagnose ‘acute lymfatische leukemie’ gesteld. Volgens klager
heeft de
huisarts onvoldoende zorg verleend aan de dochter en ten onrechte geen afschrift
van het dossier
van de dochter verstrekt (in 2025).
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 19 november 2025;
- de aanvullende klaagschriften (2), ontvangen op 27 november 2025;
- het verweerschrift met de bijlage, ontvangen per e-mail op 21 januari 2026 en
ontvangen per post
op 22 januari 2026.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek).
Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 De (minderjarige) dochter was als patiënte verbonden aan de huisartsenpraktijk
waar verweerder
werkzaam is.
3.2 Verweerder heeft de dochter op 11 februari 2016 gezien. Verweerder noteerde
in haar dossier
(alle citaten voor zover van belang en ongecorrigeerd weergegeven):
“ S Ziek geworden , koorts , spugen , eet niet , S drinkt wel , hoesten, plast
O warm, , matig ziek , Pulm VAg , KNO keel rood E Acute infectie bovenste luchtwegen
P Veel drinken en pcm.”
3.3 Op 17 maart 2016 zag verweerder de dochter wederom en noteerde:
“ S Koorts 2-3 dg hoesten loopneus, eet niet , loopoor S rechts
O Pulm VAG , KNO TV li gb , re oud bloed E Acute infectie bovenste luchtwegen
P PCM , neusgtt , goed drinken”.
3.4 De volgende dag, 18 maart 2016, vond een controleafspraak plaats. Verweerder
beoordeelde de
toestand van de dochter en stuurde haar, na overleg met de dienstdoende kinderarts
in het
ziekenhuis, door naar het ziekenhuis. Het dossier vermeldt:
“ E Idiopathische trombocytopenische purpura (ITP) S Meer uitslag armen , benen
, nek
O T38 , armen /benen petechieen, keel E petechieen/ITP
P Overlag [naam kinderarts] ; mag naar afdeling (…)”.
3.5 In het ziekenhuis werd de werkdiagnose acute lymfatische leukemie gesteld. De
dochter werd
overgeplaatst naar een kinderziekenhuis.
3.6 In juli 2018 is de dochter ingeschreven bij een andere huisarts. Verweerder
heeft haar
medisch dossier overgedragen aan de nieuwe huisarts.
3.7 Klager heeft op 17 oktober 2025 (per e-mail en bij brief) verzocht om verstrekking
van het
medisch dossier van de dochter over de periode januari 2016 t/m november 2017. De
assistente van
verweerder heeft klager op 20 oktober 2025 laten weten dat het dossier dient te
worden opgevraagd
bij de nieuwe huisarts. Ook heeft zij laten weten dat als patiënten zich uitschrijven,
het gehele medisch dossier wordt doorgestuurd aan de nieuwe huisarts.
3.8 Op 17 november 2025 verzocht klager opnieuw om een afschrift van het medisch
dossier:
“(…) Op 17 oktober 2025 heb ik u schriftelijk en per e-mail verzocht om een afschrift
van het
volledige medisch dossier van mijn dochter [naam dochter].
Tot op heden heb ik hier geen inhoudelijke reactie op ontvangen, anders dan de mededeling
dat ik
mij tot de nieuwe huisarts zou moeten wenden. Zoals ik in mijn eerdere bericht heb
aangegeven bent
u als voormalig huisarts op grond van artikel 7 :454 BW (WGBO) wettelijk verplicht
het dossier
minimaal 20 jaar te bewaren en desgevraagd rechtstreeks te
verstrekken. (…)”
Verweerder heeft hierop het volgende geantwoord:
“ (…) Het volledige medisch dossier van uw dochter [naam dochter] is op 27-07-2018
overgegaan naar (…). Daarbij is het volledige dossier, dus ook het deel vanaf haar
geboorte tot aan
27/7/18 toen zij bij ons patiënt was, meegegaan. Hiervoor moet u zich dus, betreffende
uw verzoek,
toch echt wenden tot de [naam nieuwe huisartsenpraktijk]. “
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klager verwijt de huisarts dat hij:
a) onvoldoende medische zorg heeft verleend aan de dochter van klager in 2016;
b) structureel heeft geweigerd om het medisch dossier te verstrekken, in 2025.
Verder is klager van mening dat de dossiervoering gebrekkig is en geeft hij aan dat
niet de
huisarts de dochter heeft ingestuurd naar het ziekenhuis, maar dat klager zijn dochter
zelf bij de
Spoedeisende Hulp (SEH) heeft aangemeld.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
5.2 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdeel a) onvoldoende medische zorg verleend aan de dochter van klager
5.3 Het college oordeelt dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Uit het medisch
dossier is
gebleken dat er in totaal drie contactmomenten hebben plaatsgevonden, namelijk op
11 februari, 17
maart en 18 maart 2016. Het college ziet in het dossier geen aanknopingspunten om
tot de conclusie
te komen dat verweerder onvoldoende medische zorg heeft verleend aan de dochter.
Op 11 februari en
17 maart waren de klachten niet zodanig dat een doorverwijzing of enige andere behandeling
was
aangewezen. Op 18 maart, toen sprake bleek te zijn van alarmsignalen - te weten
toename van de
huiduitslag op de armen, benen en nek van de dochter in combinatie met koorts -
heeft verweerder
contact gezocht met de dienstdoende kinderarts en de dochter doorverwezen naar het
ziekenhuis. Die
doorverwijzing heeft verweerder ook in het medisch dossier vermeld. Het college
kan uit de
dossieraantekeningen niet opmaken dat klager de dochter zelf zou hebben aangemeld
bij de SEH, zoals
klager stelt.
Klachtonderdeel b) structureel geweigerd om het medisch dossier te verstrekken
5.4 Klager heeft het dossier van de dochter opgevraagd in oktober en november
2025. Klager
refereert hierbij aan WGBO artikel 7:454 BW en stelt dat verweerder een kopie van
het dossier zou
moeten bewaren. Het college is van oordeel dat deze aanname van klager niet juist
is. Bij
overdracht van het dossier naar een nieuwe huisarts gaat, op grond van de NHG-Leidraad
dossieroverdracht, namelijk ook de bewaartermijn over naar de nieuwe huisarts. Door
de overdracht
van de dochter naar een nieuwe huisarts is de behandelrelatie met verweerder vervallen.
Daarmee
wordt de juridische grondslag voor de toegang tot het medisch dossier ook geacht
vervallen te zijn.
Ook volgens de KNMG handreiking ‘Overdracht patiëntendossier bij verandering van
huisarts’, mocht
verweerder het dossier niet meer bewaren en derhalve had hij niet de mogelijkheid
tot het
verstrekken daarvan aan klager. Ook dit klachtonderdeel is daarmee ongegrond.
5.5 Klager geeft in het aanvullende klaagschrift aan dat de dossiervoering door
verweerder
volgens klager gebrekkig is. Hoewel de dossiervoering door de huisarts summier is,
biedt de inhoud
van het dossier voldoende inzicht in de beoordeling en de afwegingen van verweerder.
Het college
heeft niet kunnen vaststellen dat er contacten hebben plaatsgevonden die niet zijn
geregistreerd in
het dossier en klager heeft dit verder ook niet onderbouwd of aangetoond met stukken.
Daarom is ook
op het punt van de dossiervoering niet sprake van een gegronde klacht.
Slotsom
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door R.A. Steenbergen, voorzitter, T.A.W. Linssen en
J.G.E. Smeets, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Karatepe, secretaris, en
in het openbaar
uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 8 juli 2026.