ECLI:NL:TGZRSHE:2026:121 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2026/9650
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:121 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-07-2026 |
| Datum publicatie: | 08-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2026/9650 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen orthopedisch chirurg. Voorzittersbeslissing. Kennelijk niet-ontvankelijk. Klaagster heeft de tuchtklacht gebruikt als instrument in een conflict met het ziekenhuis en de arts waarbij zij aandrong op een schadevergoeding door de verzekeraar en aangaf de klacht te willen intrekken indien aan haar voorwaarden zou worden voldaan. Daarnaast diende klaagster meerdere (inhoudelijk grotendeels gelijkluidende) klachten in tegen dezelfde arts en bleef zij via deze weg contact zoeken, ondanks opgelegde contactbeperkingen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Voorzittersbeslissing van 8 juli 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen:
[C],
orthopedisch chirurg,
werkzaam in [B],
verweerder, hierna ook: de orthopedisch chirurg,
gemachtigde mr. S. Muntinga werkzaam in Utrecht.
1. De klacht
1.1 Klaagster verwijt verweerder dat hij onbekwaam was om klaagsters verzoek om
aanvulling in
haar dossier te effectueren, maar dit desondanks wel heeft gedaan. Dit zou volgens
klaagster
verstrekkende gevolgen hebben gehad voor de medische behandelingen van klaagster
binnen en buiten
het ziekenhuis. Daarnaast zou het ook invloed hebben op andere procedures die klaagster
is gestart
om het volgens haar gedane onrecht recht te zetten en de aanvullingen te laten rectificeren
zodat
de zorgverlening aan haar wel goed en veilig kan zijn. Volgens klaagster was verweerder
onbekwaam
omdat hij als orthopeed weinig kennis had. Ook al had de Raad van Bestuur toestemming
aan hem
gevraagd; verweerder had moeten aangeven dat hij niet de behandelend arts was die
kon besluiten
over het effectueren van de aanvullingen.
1.2 De voorzitter is van oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is in
haar klacht
wegens misbruik van recht. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen
aan de partijen
te stellen en dat duidelijk is dat klaagster niet in haar klacht kan worden ontvangen.
Hierna licht
de voorzitter toe hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
1.3 Klaagster heeft meerdere tuchtklachten ingediend tegen verweerder. In de zaak
H2022/4425 is
reeds een onherroepelijke uitspraak gedaan. In de zaak onder kenmerk H2025/8427
is hoger beroep
ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege. In laatstgenoemde zaak heeft klaagster
geklaagd over
verweerder en aan deze klacht hetzelfde samenstel van omstandigheden ten grondslag
gelegd als in
deze zaak aan de orde. Wel heeft klaagster haar klacht anders geformuleerd.
2. De procedure
De procedure blijkt uit:
1. Het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 24 februari 2026;
2. Het aanvullend klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 10 maart 2026;
3. De brief van 27 maart 2026 van de secretaris aan klaagster;
4. De brief van 30 maart 2026 met bijlagen, ontvangen van klaagster;
5. Het verweerschrift met bijlage, ontvangen op 15 mei 2026.
3. De feiten
3.1 Klaagster werd tot 4 april 2022 behandeld door verweerder in verband met knieklachten.
3.2 Klaagster verzocht het ziekenhuis waar verweerder werkt om aanvulling van
haar medisch
dossier. Klaagster heeft vele e-mails verstuurd aan het ziekenhuis met de boodschap
dat essentiële
informatie over haar medische geschiedenis ontbrak in haar dossier. Naar aanleiding
daarvan heeft
de Raad van Bestuur van het ziekenhuis op 8 februari 2023 een brief opgesteld en
deze aan klaagster
toegestuurd (alle citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“(…) De voorzitter van de KOC en ondergetekende hebben talrijke e-mails van u ontvangen.
Wij
begrijpen thans dat u gebruik wilt maken van uw recht op aanvulling van uw patiëntdossier
op grond
van de AVG. Het is de behandelend arts, in casu [naam verweerder], die daarover
een besluit dient
te nemen.
Wij hebben contact gehad met [naam verweerder] en betrokkene heeft ingestemd om de
aanvulling,
zoals door u opgenomen in uw e-mails, op te nemen in uw patiëntdossier.
Dit betreft uitsluitend de volgende tekst:
- Trombosegevoelig: 2 x eerder trombose gehad na immobilisatie;
- acute massale longembolie in 2005 waarvoor opname in het [naam ander ziekenhuis];
- kijkoperatie in 2010 bij de [naam ander ziekenhuis] met kopie operatieverslag/brief
voor het
beschreven letsel;
- CAVE: NSAID's;
- ziekte van Crohn (diagnose 2006, [naam ander ziekenhuis]);
- autonome dysregulatie (diagnose 2018, [naam ziekenhuis]).
Wij zullen dan deze brief laten inscannen in uw patiëntdossier.
Mocht u hiermee niet instemmen dan verzoeken wij u een korte brief aan ons te richten
waarin
puntsgewijs voldoende concreet staat vermeld de informatie die u opgenomen wilt
gezien, onder
toevoeging van eventuele bijlagen bij uw brief.
Dan zal die brief ingescand worden. Wij verzoeken u de brief te dagtekenen en te
ondertekenen. (…)“.
3.3 Nadien is de brief, op verzoek van klaagster, verwijderd uit het dossier. De
Raad van Bestuur
heeft dit per brief op 16 augustus 2024 bericht aan klaagster. Deze brief bevatte
naast de
mededeling dat de brief van 8 februari 2023 weer zou worden verwijderd, ook de aankondiging
van een
contactverbod. Het betreft – voor zover thans van belang - de volgende inhoud:
“(…) Hierbij vragen wij uw aandacht voor het volgende, na bespreking en goedkeuring
van
[verweerder], orthopeed.
(…) Beoordeling handelen van [verweerder]
Het handelen van [verweerder] is meermaals beoordeeld. Deze beoordeling omvatte:
· of uw patiëntdossier alle informatie bevatte;
· of [verweerder] op basis van dit patiëntdossier tot een diagnose en passend
behandeladvies
heeft mogen komen;
· of [verweerder] toereikend onderzoek heeft verricht (anamnese, lichamelijk
onderzoek en
aanvullend beeldonderzoek) en op grond van dit onderzoek de juiste diagnose heeft
gesteld en
daarbij passend behandeladvies heeft gegeven. Dit met in acht nemend van de tweede
bullet.
U heeft hieromtrent een advies van de KOC ontvangen d.d. 19 december 2022, het oordeel
van de Raad
van Bestuur d.d. 29 december 2022 en een uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege
d.d. 21 februari
2024 welke uitspraak onherroepelijk is geworden als gevolg van intrekking uwerzijds
van uw beroep
bij brief d.d. 12 juli 2024 bij het Centraal Tuchtcollege.
Uw klacht is door het Regionaal Tuchtcollege op alle onderdelen (kennelijk) ongegrond
verklaard.
Derhalve zijn deze oordelen leidend.
Verzoek tot correctie patiëntdossier in relatie tot uw Orthopedie
Uw verzoek zal uitsluitend leiden tot het verwijderen van de brief van de Raad van
Bestuur d.d. 8
februari 2023 omdat u daar thans niet meer mee akkoord gaat.
(…) Contactverbod
Bij brief d.d. 25 juni 2024 hebben wij u verzocht zich volstrekt te onthouden van
het benaderen van
[verweerder] in zijn privésfeer dan wel op zijn zakelijk e-mailadres. Dit verzoek
omvatte contact
in alle mogelijke vormen, dus zowel telefonisch, per e-mail, per post of op andere
wijze. Voort is
u verzocht zich te onthouden van benadering van de NOV daar waar het [verweerder]
betreft.
Helaas hebben wij moeten vaststellen, dat u niet aan ons verzoek heeft voldaan.
U heeft meerdere keren per e-mail het secretariaat van de NOV benaderd, voorts heeft
u nadien een
vijftal brieven aan het privéadres van [verweerder] per post toegestuurd en veelvuldig
e-mails naar
het privé e-mailadres van [verweerder] gestuurd.
Zoals hiervoor gemeld, is uw behandelrelatie met [verweerder] geëindigd, [verweerder]
zal niet meer
met u in gesprek gaan op wat voor grondslag dan ook, omdat er sprake is van een
ernstige
vertrouwensbreuk. Wij verzoeken u zich te onthouden van ieder contact in wat voor
vorm dan ook met
[verweerder] zowel zakelijk als privé, bij gebreke waarvan wij ons zullen beraden
omtrent het
treffen van nadere maatregelen. (…)”.
3.4 Klaagster heeft zich beklaagd bij de Geschillencommissie ziekenhuizen. Met betrekking
tot
aanvulling van het medisch dossier werd geoordeeld: “Het is dus niet nodig dat alle
documentatie
over de behandeling van de cliënte in het dossier aanwezig is: alleen die informatie
die relevant
is voor toekomstige medische behandelingen dient daarin aanwezig te zijn”.
3.5 Op 10 april, respectievelijk 12 mei 2025, is aan klaagster een contactverbod
met het
ziekenhuis opgelegd. Op 26 maart 2026 is dit verbod voor onbepaalde tijd verlengd.
Ook is op 26
maart 2026 een toegangsverbod opgelegd voor alle locaties van het ziekenhuis waar
verweerder
werkzaam is.
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klaagster verwijt verweerder dat hij onbekwaam een besluit heeft genomen over
aanvullingen in
het medisch dossier, welke relevant waren voor haar toekomstige behandelingen. Volgens
klaagster
had verweerder als orthopeed te weinig kennis en had dit verzoek door de vakgroepen
interne
geneeskunde, cardiologie, neurologie en MDL afgehandeld moeten worden.
In haar brief van 30 maart 2026 licht klaagster nog toe dat verweerder volgens haar
(letterlijk
geciteerd):
“-onbekwaam heeft gehandeld m.b.t. de argumentatie in geschillenprocedure
(…) "bijwerkingen voor opiaten op mijn ziektebeeld autonome dysregulatie" buiten
mijn allergielijst
te houden terwijl de medische feiten van de mdl arts en huisarts (…) aantoonden
dat het medisch
noodzakelijk was dat dit in mijn allergielijst moest staan. (…)
- onbevoegd heeft gehandeld m.b.t. de argumentatie in geschillenprocedure 210312/227407
"bijwerkingen voor opiaten op mijn ziektebeeld autonome dysregulatie" buiten mijn
allergielijst te
houden. (…)
- Onzorgvuldig heeft gehandeld, aangezien hij tegen de jurist van het [ziekenhuis]
had moeten
zeggen dat hij onbekwaam en onbevoegd was om te beslissen over de aanvulling van
de medische
gegevens (…).”
Verder schrijft klaagster in haar brief van 30 maart 2026 aan het college (tevens
letterlijk
geciteerd):
“Het enige wat kan zorgen voor een onbehandeld laten van deze tuchtklacht is een
minnelijke
oplossing tegen inwisseling van alle procedures tegen [het ziekenhuis]:
- toekenning overgedragen schadeclaim aan [de verzekeraar]
- overname van de allergielijst van het [naam ander ziekenhuis] (…) in het [ziekenhuis],
zodat mijn
Leven beschermt wordt op het moment dat acute medische zorg in mijn woonplaats noodzakelijk
is in
het [ziekenhuis].
o Het [ziekenhuis] blijft dit weigeren door zich te scharen achter het besluit van
de
geschillencommissie ziekenhuizen.
o Vandaar ook het verzoek aan de procureur generaal van de Hoge Raad, aangezien
het [ziekenhuis]
blijft weigeren mijn leven te beschermen o.b.v. onbekwaam, onbevoegd en onzorgvuldig
handelen van
[verweerder]. Voor al het overige is het bij beide partijen wenselijk dat wij niets
met elkaar te maken
hebben”.
4.2 Verweerder heeft verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht
dus niet
inhoudelijk te behandelen. Voor het geval de klacht wel ontvankelijk wordt geacht,
heeft verweerder
verzocht de klacht kennelijk ongegrond te verklaren.
5. Overwegingen
Is klaagster ontvankelijk in haar klacht?
5.1 Verweerder stelt dat klaagster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard
in haar klacht,
omdat zij al eerder heeft geklaagd over de onvolledigheid van het medisch dossier
en de
aanvullingen die klaagster daarop wenst. Artikel 51 van de Wet op de beroepen in
de individuele
gezondheidszorg (Wet BIG) bepaalt dat niemand nogmaals berecht kan worden ter zake
van enig
handelen of nalaten waarover te zijnen aanzien een onherroepelijk geworden tuchtrechtelijke
eindbeslissing is genomen. Dit wordt het ’’ne bis in idem-beginsel’’ genoemd.
Verder is verweerder van mening dat klaagster niet kan worden ontvangen in haar
klacht, omdat zij
misbruik van recht maakt. De klachten die klaagster indient gaan over dezelfde feiten.
Over
dezelfde feiten heeft klaagster ook geklaagd bij de klachtencommissie van het ziekenhuis
en de
Geschillencommissie Ziekenhuizen. Volgens verweerder spreekt klaagster zichzelf
ook tegen. In
tuchtklacht H2025/8427 werd hem verweten dat hij meer had moeten doen dan het inscannen
van de
brief. In de onderhavige procedure verwijt klaagster verweerder echter dat hij niet
bevoegd was om
te beslissen over het inscannen van de brief, omdat hij geen behandelrelatie meer
had met
klaagster. In dit licht kan, volgens verweerder, niet anders dan geconcludeerd worden
dat het
klaagster niet gaat om het toetsen van het handelen van verweerder, maar om het
indienen van zoveel
mogelijk klachten tegen hem.
5.2 De voorzitter overweegt als volgt. Op grond van artikel 3:13, eerste lid, van
het Burgerlijk
Wetboek (hierna: BW) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze niet inroepen
voor zover hij
deze misbruikt. Op grond van het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden
misbruikt door
haar uit te oefenen met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of ingeval men,
in aanmerking
nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat
daardoor wordt
geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Op grond
van artikel 3:15
van het BW vindt artikel 3:13 toepassing buiten het vermogensrecht, voor zover de
aard van de
rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Deze artikelen brengen met zich dat
de bevoegdheid om
een klacht tegen een BIG-geregistreerde zorgverlener in te dienen niet kan worden
ingeroepen voor
zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich daarom tegen
inhoudelijke
behandeling van een tuchtklacht die misbruik van recht behelst en bieden een wettelijke
grondslag
voor niet-ontvankelijkverklaring daarvan.
5.3 De doelen van het tuchtrecht zijn het bewaken en bevorderen van de kwaliteit
van de
individuele gezondheidszorg en de bescherming van de patiënt tegen ondeskundig en
onzorgvuldig
handelen van zorgverleners. Het medisch tuchtrecht is niet bedoeld als instrument
om een zorgverlener
tot een juridische procedure te dwingen of anderszins een zorgverlener te bewegen
tot
handelen dat de klager welgevallig zou zijn.
5.4 De voorzitter is van oordeel dat klaagster in onderhavig geval haar bevoegdheid
om een klacht
in te dienen heeft misbruikt. Daarvoor is in de eerste plaats redengevend dat, hoewel
klaagster
verweerder (en het ziekenhuis en het college) in onderhavige procedure telkenmale
wijst op het door
haar gestelde belang van de juistheid van haar medisch dossier (allergielijst) en
het beschermen
van haar leven, zij óók wijst op de mogelijkheid van een minnelijke regeling tussen
partijen.
Klaagster heeft namelijk in haar brief van 30 maart 2026 opgemerkt dat zij de klacht
zou intrekken
als de allergielijst vanuit het andere ziekenhuis zou worden overgenomen in het
ziekenhuis waar
verweerder werkzaam is zodat haar leven wordt beschermd op het moment dat zij acute
medische zorg
nodig heeft in haar woonplaats, én de schadeclaim door de verzekeraar zou worden
toegekend. Dit
voorstel levert op zichzelf geen misbruik van recht op, want een goede rechtsbedeling
kan verlangen
dat over de individuele zorgverlening afspraken worden gemaakt. De aard en inhoud,
en de wijze
waarop klaagster dat voorstel doet, leveren naar het oordeel van de voorzitter echter
wel misbruik
van recht op. De voorzitter wijst in dit verband met name op het gegeven dat klaagster
herhaaldelijk wijst op de schadeloosstelling die zij meent te moeten ontvangen.
Klaagster wijst
daarbij steeds op het feit dat met betaling de klacht zou worden ingetrokken. Daarnaast
is
redengevend dat klaagster met haar klacht in feite hetzelfde feitencomplex voorlegt
ter beoordeling
en uitsluitend haar klacht anders formuleert en waar zij in eerste instantie verweerder
juist het
verwijt maakte om iets niet op te nemen, maakt zij verweerder nu het verwijt iets
wel te hebben
opgenomen, overigens op verzoek van klaagster zelf. De voorzitter kan verweerder
dan ook volgen dat
het onmogelijk wordt voor verweerder om nog adequaat te reageren op klachten, nog
los van het
gegeven dat men niet twee keer kan klagen over hetzelfde feitencomplex. Gelet op
al deze
omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, kan de voorzitter niet
anders dan
concluderen dat klaagster haar recht om de tuchtklacht in te dienen gebruikt om
anderen te dwingen
om daarover met haar te onderhandelen. Klaagster heeft de tuchtklacht kortom enkel
ingediend als
instrument in het inmiddels voortslepende conflict met verweerder en het ziekenhuis.
5.5 Dat klaagster in onderhavig geval haar bevoegdheid om een klacht in te dienen
heeft misbruikt
blijkt ook uit het navolgende. De geschillen met het ziekenhuis zijn blijkens de
stukken niet naar
klaagsters tevredenheid opgelost. Klaagster heeft zich daarbij echter niet neergelegd
en is, naast
het voeren van diverse procedures bij onder meer de Geschillencommissie, een enorme
hoeveelheid
berichten gaan sturen aan het ziekenhuis en aan diverse zorgverleners. Dat resulteerde
uiteindelijk
in een contactverbod en later – vanwege haar handelen – ook in een toegangsverbod.
Die verboden
hebben klaagster er niet van weerhouden contact over de geschillen te (blijven)
zoeken. Het
indienen van onderhavige tuchtklacht past in dat patroon van het omzeilen van het
contact- en
toegangsverbod. Zoals de voorzitter hiervoor al constateerde heeft klaagster inmiddels
drie
tuchtklachten tegen verweerder ingediend. Klaagster gebruikt weliswaar iedere keer
(iets) andere
bewoordingen, maar de essentie van de klachten is telkens hetzelfde. Door op deze
wijze steeds
opnieuw weer tuchtklachten in te dienen is duidelijk dat klaagster probeert om contact
te houden
met – in ieder geval – verweerder. Door dit handelen maakt klaagster misbruik van recht.
Het tuchtrecht is immers niet bedoeld om onbeperkt ruimte te geven aan klaagster
om haar
onvrede over verweerder telkens opnieuw, in iets andere vorm maar met op hoofdlijnen
dezelfde
klacht, aan de orde te stellen en contact te (blijven) zoeken met de zorgverlener.
5.6 De conclusie van het voorgaande is dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk
is in haar klacht
wegens misbruik van tuchtrecht.
6. De beslissing
De voorzitter:
- verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in haar klacht.
Aldus gedaan op 8 juli 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
in tegenwoordigheid van M. Karatepe, secretaris.