We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRSHE:2026:118 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8823

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:118
Datum uitspraak: 08-07-2026
Datum publicatie: 08-07-2026
Zaaknummer(s): H2025/8823
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klaagster klaagt over de handelwijze van verweerster, gz-psycholoog, nadat haar dochter een suïcidevoornemen heeft geuit. Het college acht klaagster grotendeels niet‑ontvankelijk in haar klacht tegen de gz‑psycholoog, omdat haar 16‑jarige dochter zelf klachtgerechtigd is. Voor het niet delen van informatie met haar is zij wel ontvankelijk maar wordt de klacht ongegrond verklaard. Volgens het college was er geen sprake van een acute suïcidesituatie die het doorbreken van het beroepsgeheim zou kunnen rechtvaardigen.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 8 juli 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klaagster,
gemachtigde: [C] te [B],

tegen

[D],
gz-psycholoog,
destijds werkzaam in [E],
verweerster,
gemachtigde: M.M.A. Janssen, werkzaam in Arnhem.


1. De zaak in het kort
1.1   Patiënte (dochter van klaagster) is bekend met gedragsproblematiek en suïcidale uitingen 
binnen een complexe gezinssituatie. Verweerster is haar behandelend gz-psycholoog. Op enig moment 
heeft patiënte een overdosis genomen. Volgens klaagster had verweerster haar en de school van 
patiënte moeten informeren over haar suïcidevoornemen en passend moeten ingrijpen.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat klaagster deels kennelijk niet-ontvankelijk is in haar 
klacht en dat de klacht voor het overige ongegrond is. Hierna licht het college toe hoe het tot 
deze beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 29 juli 2025;
-  de brief van 19 augustus 2025 van de secretaris aan klaagster;
-  het aanvullende klaagschrift, ontvangen op 11 september 2025;
-  het verweerschrift, per e-mail ontvangen op 7 januari 2026 en per post ontvangen op 13 januari 
2026.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.


2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Patiënte (dochter van klaagster) is bekend met gedragsproblematiek en suïcidale uitingen 
binnen een complexe gezinssituatie. Verweerster is haar behandelend gz-psycholoog binnen de 
instelling. Patiënte was ten tijde van de behandeling en het indienen van de klacht 16 jaar oud.

3.2   Op 13 mei 2025 heeft patiënte een gesprek met een kinderarts van de instelling. De kinderarts 
schrijft daarover in het medisch dossier [letterlijk weergegeven]:
A/ Gaat slecht, slaapt bijna niet meer, is erg bezig met haar doodwens.
Zeker sinds concert waarnaar ze zo uitkeek voorbij is. Heeft nu niks meer om naar uit te kijken en 
zomer vindt ze moeilijker dan winter. Zegt wel een plan te hebben maar wil dat niet met mij delen.
Had het misschien gisteren al willen doen zodat ze niet de stress voor dit weegmoment zou hebben, 
maar toch niet gedaan.
Vraagt op einde consult wel wat er op de SEH zou gebeurd zijn als ze het wel vanmorgen ingenomen 
had (wil dus blijkbaar nog iets innemen.) Schrikt wel van feit dat er dan
misschien haar maag “leeggepompt” zou worden.

3.3  De kinderarts stuurt verweerster diezelfde dag om 11:58 uur de volgende e-mail (zoals 
opgenomen in het verweerschrift):
Even een korte update over [naam patiënte] vanuit mijn kant. Ik heb haar net vanmorgen gezien. 
[informatie over het consult bij kinderarts] Verder had ze toch weer geautomutileerd en is er nog 
een actieve doodswens, met ook een plan, maar het plan wil ze verder niet delen. Wat was de 
uitkomst en reactie op het adviesgesprek vorige week?

3.4  Verweerster beantwoordt de e-mail van de kinderarts diezelfde dag om 13:55 uur als volgt:
Bedankt voor je terugkoppeling. Goed om te horen dat haar gewicht momenteel stabiel en gezond is, 
en dat de afspraken verder kunnen worden afgebouwd.
[Naam patiënte] en haar moeder gaan akkoord met het behandelplan. Zij hebben echter nog bedenktijd 
gekregen om te beslissen of ze de behandeling willen voortzetten bij [naam instelling] of dat de 
voorkeur uitgaat naar [naam andere instelling], die op dit moment ook al de thuisbegeleiding 
verzorg.
Vanuit ons is er in ieder geval aandacht voor de suïcidaliteit. Op korte termijn stellen we samen 
met [naam patiënte] en moeder een signaleringsplan op.


3.5   Op 14 mei 2026 vindt een schoolgesprek plaats tussen patiënte, klaagster, de teamleider op 
school, verweerster, de zorgcoördinator en de systeemtherapeut. Op 15 mei 2025 vindt er nog een 
gesprek plaats tussen patiënte en verweerster.

3.6   Op vrijdag 16 mei 2025 neemt patiënte een overdosis medicijnen in en brengt zij diepe 
snijwonden aan in haar bovenbenen. Zij wordt hierna vrijwillig opgenomen op de psychiatrische 
afdeling voor jeugdigen van een andere instelling.

4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1  Klaagster verwijt de gz-psycholoog dat zij:
a) essentiële informatie over suïcidaliteit van patiënte niet heeft gedeeld met klaagster en de 
school van patiënte;
b) heeft nagelaten een passende en tijdige interventie te doen, na het bekend worden van concrete 
suïcidale uitingen van patiënte.

4.2  Verweerster heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te
verklaren en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel 
inhoudelijk gaat beoordelen, heeft verweerster het college verzocht de klacht ongegrond te 
verklaren.

4.3   Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1   De gemachtigde van klaagster is de vader van klaagster en de grootvader van patiënte. Hij 
heeft aanvankelijk zelf namens patiënte een klacht ingediend. Desgevraagd heeft hij echter 
meegedeeld dat hij alleen optreedt als de gemachtigde van zijn dochter en heeft hij een door haar 
ondertekende machtiging overgelegd.

5.2   Verweerster heeft naar voren gebracht dat klaagster niet-ontvankelijk is in de klacht, omdat 
niet klaagster maar patiënte klachtgerechtigd is.

5.3   Het college oordeelt ter zake als volgt. Vanaf 16 jaar beslist een minderjarige in principe 
zelfstandig over medische behandeling en heeft hij/zij zelfstandig het recht om een tuchtklacht in 
te dienen tegen een zorgverlener. Een ouder is daartoe dan niet (meer) bevoegd, tenzij de 
minderjarige ermee instemt dat de ouder de klacht namens de minderjarige indient. Daarvan is in dit 
geval niet gebleken.
Klaagster is daarom niet-ontvankelijk in klachtonderdeel twee, inhoudende dat verweerster heeft 
nagelaten een passende en tijdige interventie te doen.
5.4   Klaagster is evenmin ontvankelijk in klachtonderdeel 1 dat erop ziet dat verweerster 
essentiële informatie niet met de school van patiënte heeft gedeeld. Indien hierover al geklaagd 
kan worden, kan alleen patiënte dat doen. Klaagster is hierbij geen rechtstreeks belanghebbende.
Dat is anders voor zover klachtonderdeel 1 erop ziet dat verweerster essentiële 
informatie niet met klaagster, als moeder van patiënte, heeft gedeeld. Dat betreft een eigen belang 
van klaagster en klaagster kan in zoverre in dit klachtonderdeel worden ontvangen. Het college zal 
dit aspect van dit klachtonderdeel daarom inhoudelijk beoordelen.

Inhoudelijke beoordeling
5.5   Het criterium voor de beoordeling is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar 
verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende 
gz-psycholoog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor verweerster geldende 
beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.6   Als het gaat om jongeren vanaf 16 jaar heeft de zorgverlener een beroepsgeheim. De 
zorgverlener mag in beginsel zonder toestemming van de jongere geen informatie met de ouders delen. 
Hierop zijn echter uitzonderingen mogelijk.

5.7   Blijkens de Richtlijn Suïcidaliteit van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie zijn er 
situaties waarbij een ander belang, in geval van suïcidaliteit doorgaans het voorkomen van 
overlijden van de patiënt, prevaleert boven het belang van geheimhouding. Dan is er sprake van een 
conflict van plichten. Om succesvol het beroepsgeheim te kunnen doorbreken met een beroep op een 
conflict van plichten moet aan de volgende voorwaarden voldaan zijn:
-  het is niet mogelijk toestemming van de patiënt te vragen dan wel te krijgen;
-  de zorgverlener komt in gewetensnood als hij zijn beroepsgeheim niet doorbreekt;
-  zwijgen levert een aanzienlijk risico op ernstige schade op;
-  doorbreking van het beroepsgeheim kan deze schade (vrijwel zeker) voorkomen;
-  het beroepsgeheim wordt zo min mogelijk geschonden.
Alleen bij concrete aanwijzingen dat een patiënt daadwerkelijk over zou gaan tot zelfdoding kan er 
in juridische zin sprake zijn van een rechtvaardiging voor het doorbreken van het beroepsgeheim 
vanwege een conflict van plichten. Er moet dus sprake zijn van een acute situatie.

5.8   Verweerster heeft betwist dat sprake was van een conflict van plichten en een acute situatie 
en zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Op 13 mei 2025 ontving zij een e-mail van de 
kinderarts. Over de notitie van de kinderarts in het dossier van die dag (zie hierboven onder 3.2) 
beschikte zij niet. Naar aanleiding van deze e-mail heeft zij overlegd met de
regie-behandelaar (psychiater) en de systeemtherapeut. Zij kwamen gezamenlijk tot de conclusie dat 
geen sprake was van nieuwe informatie. De automutilatie, de actieve doodswens en het bestaan van 
een plan waren al eerder bekend. Volgens verweerster was klaagster hiervan ook al voor 13 mei 2025 
op de hoogte. De inhoud van de e-mail van de kinderarts duidde ook niet op urgentie. Verweerster 
heeft de in deze mail gestelde vraag diezelfde dag beantwoord en daarop ontving zij geen verdere 
reactie van de kinderarts, waaruit urgentie zou kunnen worden afgeleid.
Tijdens het schoolgesprek, die dag erna op 14 mei 2025, maakte patiënte een ontspannen, blije 
indruk en was zij in staat nieuwe veiligheidsafspraken te maken. Ook tijdens het gesprek op 15 mei 
2025 waren er geen signalen die erop zouden duiden dat patiënte een suïcideplan zou uitvoeren maar 
maakte ze een goede indruk en was ze goed in staat tot zelfreflectie ten aanzien van het consult 
met de kinderarts.

5.9   Het college is van oordeel dat, zo al sprake zou zijn (geweest) van een conflict van 
plichten, verweerster met vorenstaande voldoende heeft onderbouwd dat geen sprake was van een acute 
situatie die had kunnen rechtvaardigen dat zij informatie over patiënte met klaagster zou hebben 
gedeeld. Daarmee komt het college ook niet toe aan de vraag of verweerster – indien wel sprake zou 
zijn geweest van een acute situatie – informatie daarover met klaagster had moeten delen.
Dit aspect van klachtonderdeel 1 is daarom kennelijk ongegrond.


Slotsom
5.10  Het college komt tot het oordeel dat klaagster deels niet-ontvankelijk is in de klacht en dat 
de klacht voor het overige ongegrond is.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in een deel van klachtonderdeel 1 en in 
klachtonderdeel 2;
-  verklaart de klacht voor het overige kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door R.A. Steenbergen, voorzitter, M.J.E. Lemmens en
E.H. Muste, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.G. Nijenkamp, secretaris, en in het openbaar 
uitgesproken op 8 juli 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.