We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRSHE:2026:117 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8379

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:117
Datum uitspraak: 08-07-2026
Datum publicatie: 08-07-2026
Zaaknummer(s): H2025/8379
Onderwerp: Overige klachten
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klager, tbs‑patiënt, verwijt zijn behandelcoördinator (gz‑psycholoog) dat zij in haar advies aan justitie over hem bevooroordeeld was, dat zij onjuiste informatie gaf, zijn privacy schond en hem heeft bedreigd. Het college oordeelt dat de gz-psycholoog handelde volgens de professionele normen en er geen sprake is van – of bewijs voor bevooroordeeldheid, onjuiste informatie, privacy‑schending of een dreigement. Klacht ongegrond.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 8 juli 2026 op de klacht van:

[A],
verblijvende te [B],
klager,
gemachtigde: mr. J. Rump, werkzaam in Zwolle,

tegen

[C],
gz-psycholoog,
(destijds) werkzaam in [B],
verweerster.

1. De zaak in het kort
1.1   Klager verblijft in een tbs-kliniek op een afdeling voor langgeplaatsten. Verweerster is 
sinds juni 2024 zijn behandelcoördinator. Klager maakt verweerster een aantal verwijten, onder meer 
dat zij een bevooroordeelde mening over hem heeft en een dreigement jegens hem heeft geuit.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift, ontvangen op 11 april 2025;
-  het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 28 mei 2025;
-  het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 16 september 2025.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1  Klager heeft een LFPZ-status (Langdurige Forensisch Psychiatrische Zorg) en verblijft i
n de LFPZ-voorziening van de instelling waar verweerster werkzaam is. Verweerster is sinds juni 
2024 de behandelcoördinator van het team dat klager behandelt.

3.2   Klager heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van 16 februari 2024 tot voortzetting van 
zijn plaatsing in de LFPZ-voorziening van de instelling. Ten behoeve van de in dat kader te houden 
RSJ-zitting (Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming) is verweerster gevraagd 
informatie over klager te verstrekken. Verweerster heeft de gevraagde informatie op 2 december 2024 
verstrekt.

4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1  Klager verwijt verweerster:
a) dat zij een bevooroordeelde mening over hem heeft;
b) dat zij misleidende en onjuiste informatie over hem heeft verstrekt;
c) dat zij zijn privacyrechten heeft geschonden;
d) dat zij een dreigement tegen hem heeft geuit.

4.2  Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.


5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1   De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende gz-psycholoog. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor verweerster geldende beroepsnormen en andere professionele 
standaarden. Zorgverleners zijn alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor hun eigen handelen.

5.2  Het college oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en licht 
dat hierna toe.

klachtonderdeel a) bevooroordeelde mening
5.3   Klager verwijt verweerster dat zij zich niet aan hem heeft voorgesteld toen zij zijn 
behandelcoördinator werd. Tevens verwijt hij haar dat zij, zonder hem te spreken, schriftelijke 
informatie over hem heeft gegeven. Dat betrof informatie ten behoeve van de RSJ-zitting op 10 
december 2024 betreffende de plaatsing op de afdeling voor langgeplaatsten, informatie die klager 
zelf pas na de zitting ontving. Verweerster heeft daarin volgens klager klakkeloos overgenomen wat 
haar collega’s schreven.

5.4   Verweerster voert als verweer dat zij geen noodzaak zag zich voor te stellen omdat klager 
haar al kende. Verweerster was immers al een bekend gezicht op de afdeling. Zij was
eerst coach van - en later waarnemer van de behandelcoördinator, totdat zijzelf behandelcoördinator 
werd.
Verder voert zij als verweer dat zij de informatie in haar brief van 2 december 2024 niet alleen 
heeft gebaseerd op de dossierinformatie die eerdere professionals hadden opgesteld maar ook op haar 
eigen waarnemingen. Zo heeft zij klager op 23 september 2024 uitvoerig gesproken.

5.5   Het college overweegt als volgt. Verweerster was al langer betrokken bij klager. Omdat klager 
haar al kende was het niet nodig dat verweerster zich, toen zij zijn behandelcoördinator werd, aan 
hem voorstelde.
Verder overweegt het college het volgende. Verweerster was als gz-psycholoog bevoegd tot het geven 
van de ten behoeve van de RSJ-zitting gevraagde informatie. Haar informatie was niet alleen 
gebaseerd op informatie van andere professionals maar ook op haar eigen waarnemingen, onder meer 
verkregen tijdens het gesprek met klager op 23 september 2024.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.


klachtonderdeel b) misleidende en onjuiste informatieverstrekking
5.6   Klager verwijt verweerster dat ze ontkent dat zij hem onjuist heeft voorgelicht door te 
vertellen dat een bewoner niet alleen voor aangetekende post maar voor elk poststuk moet tekenen.

5.7  Verweerster voert als verweer dat ze geen zeggenschap/bevoegdheid heeft over de procedure over 
de uitreiking van de post.

5.8  Het college overweegt als volgt.
De procedure over de uitreiking van de post behoort niet tot de professionele deskundigheid van 
klaagster. Indien zij daarover verkeerde informatie zou hebben gegeven, kan haar dat niet 
tuchtrechtelijk worden verweten.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.


klachtonderdeel c) schenden van privacyrecht
5.9   Klager stelt dat door telefoonverkeer de privacy wordt geschonden. Wanneer een cliënt wil 
telefoneren met iemand uit zijn netwerk, moet dat weliswaar met medeweten van de instelling, maar 
het personeel belt zelf met dat netwerklid en spreekt dan over de cliënt. Verweerster heeft volgens 
klager gezegd dat zo’n schending van privacy niet erg is.
Verder stelt klager dat verweerster contact over het mediamiddelenbeleid met de advocaat van klager 
heeft opgenomen, zonder klager hierover eerst in te lichten.

5.10  Verweerster voert als verweer dat zij de privacy van klager niet heeft geschonden. Zij was 
niet bij telefoonverkeer betrokken noch bij afspraken over – of het naleven van de afspraken over 
het telefoonverkeer.
Omdat zij verzet verwachtte van klager als er uitvoering zou worden gegeven aan het 
mediamiddelenbeleid (de instelling had besloten strakker de regel na te leven dat een cliënt 
bepaalde mediamiddelen niet op zijn kamer mag hebben), heeft zij besloten contact op te nemen met 
de raadsvrouw van klager en haar gevraagd mee te denken over de uitvoering daarvan in het belang 
van de samenwerking met klager.

5.11  Het college overweegt als volgt. Voor tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is vereist dat 
verweerster een persoonlijk verwijt treft. Klager stelt echter niets (concreets) waaruit zou kunnen 
blijken dat verweerster de privacy van klager in verband met of tijdens telefoonverkeer heeft 
geschonden. Alleen al daarom is dit aspect van het klachtonderdeel ongegrond. Met betrekking tot de 
mail aan de advocaat van klager, overweegt het college als volgt. Vooruitlopende op een aanzegging 
van de directie dat klager bepaalde mediamiddelen op zijn kamer (een eigen televisie en twee 
printers) zou moeten inleveren (waar dat tot dan toe gedoogd werd), heeft verweerster per e-mail 
contact gezocht met de advocaat van klager en daarin het mediamiddelenbeleid toegelicht. Dit met 
het verzoek om mee te denken over hoe een en ander zou kunnen worden uitgevoerd om de zeer broze 
samenwerking met klager niet verder te verslechteren. Zij verwachtte namelijk veel verzet van 
klager hiertegen. Het college is van oordeel dat verweerster met die handelwijze in het belang van 
klager heeft gehandeld. Dat zij klager niet vooraf over deze mail heeft geïnformeerd, acht het 
college begrijpelijk en daarmee niet verwijtbaar, temeer nu de mail ertoe heeft geleid dat over het 
mediamiddelenbeleid op 6 januari 2025 een driegesprek (tussen klager, zijn advocaat en verweerster) 
heeft plaatsgevonden.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

klachtonderdeel d) dreigement.
5.12  Klager stelt dat verweerster in het gesprek op 6 januari 2025 heeft gedreigd dat als hij geen 
gevolg gaf aan de opdracht om zijn tv en printers in te leveren, er een ploeg medewerkers van de 
inrichting naar zijn cel zou komen om deze op te halen. Dit terwijl klager de tv al in de vorige 
inrichting bezat en hij de pc en de printers met toestemming van de instelling had aangeschaft.

5.13  Verweerster voert het volgende verweer. Zij stelt dat de afgelopen jaren het beleid rondom 
het bezit van mediamiddelen is aangescherpt binnen de instelling. Al langere tijd waren de 
mediamiddelen waarom het gaat niet meer toegestaan maar werd dit kennelijk gedoogd. Eind 2024 werd 
verweerster pas bekend dat aan het gedogen een einde kwam. Op 6 januari 2025 is een driegesprek 
tussen klager, zijn advocaat en verweerster gevoerd. Verweerster heeft klager daarin gevraagd wat 
hij zou doen als de directie zou besluiten de mediamiddelen weg te halen. Klager deelde toen mee 
dat hij de tv en de printers niet zou inleveren en te zullen vechten als hiervan sprake zou zijn. 
Verweerster heeft hem toen meegedeeld dat zij zijn visie voor zou leggen aan de directie en dat het 
besluit van de directie gevolgd zou worden. Zij betwist enig dreigement naar klager te hebben 
geuit. Zij verwijst naar haar gespreksnotitie.


5.14  Het college overweegt als volgt. In gevallen waarin de lezingen van partijen over de 
feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het 
meest aannemelijk is, kan een verwijt dat is gebaseerd op de lezing van de klagende partij niet 
gegrond worden bevonden. Dat brengt mee dat niet kan worden vastgesteld of verweerster een 
dreigement heeft geuit. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klager 
minder geloof verdient dan dat van de verweerder, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel of 
een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, eerst moet worden vastgesteld welke 
feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan het college dus, ook als aan het 
woord van klager en van verweerster evenveel geloof wordt gehecht, hier niet vaststellen.
Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is. Uit de gespreksnotitie van verweerster kan 
dit ook niet worden opgemaakt.
Dit klachtonderdeel is daarom kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.15  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond 
zijn.

5. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door R.A. Steenbergen, voorzitter, M.J.E. Lemmens en
T. Koetsier, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.G. Nijenkamp, secretaris, en in het openbaar 
uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 8 juli 2026.