ECLI:NL:TGZRSHE:2026:116 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8121
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:116 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-07-2026 |
| Datum publicatie: | 08-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8121 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Gegrond, geen maatregel |
| Inhoudsindicatie: | Klager is een jaar in behandeling bij een gz‑psycholoog voor sociale angst. De behandeling wordt beëindigd nadat hij seksuele gevoelens tijdens de behandeling ervaart. Hij dient 13 klachten in over onder andere geheimhouding, informatievoorziening, regie, dossier, overdracht en beëindiging. Het tuchtcollege verklaart12 van de 13 klachtonderdelen ongegrond. Alleen het onderdeel over het onbeveiligd mailen van vertrouwelijke gegevens is gegrond, maar rechtvaardigt geen maatregel. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 8 juli 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
tegen
[C],
gz-psycholoog, werkzaam in [B],
verweerster,
gemachtigde mr. M.J. de Groot, werkzaam in Hilversum.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager is gedurende een periode van in totaal een jaar in behandeling geweest
bij verweerster
voor sociale angstklachten. Verweerster heeft de behandeling beëindigd omdat klager
(seksuele)
gevoelens voor haar kreeg. Klager is onder meer ontevreden over de behandeling en
de (wijze van)
beëindiging van de behandeling.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat van de 13 klachtonderdelen die klager heeft
aangevoerd,
12 onderdelen ongegrond zijn. Eén klachtonderdeel is gegrond, maar het college legt
in verband
daarmee geen maatregel aan verweerster op. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen (1 t/m 18), ontvangen op 3 maart 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen (1 en 2), ontvangen op 15 mei 2025;
- de brief van 16 juni 2025 van de secretaris aan klager;
- de stukken van klager met de titel ‘Aanvullingen en wijzigingen klacht’ met de
bijlagen
(19 t/m 33), ontvangen op 27 juni 2025;
- de brief van 2 juli 2025 van klager met de bijlage 35, ontvangen op 3 juli 2025;
- de brief van 3 juli 2025 van klager met de bijlagen (aantal 2, ongenummerd),
ontvangen op 4 juli
2025;
- de brief van 7 juli 2025 van klager met de bijlagen 34, 36 en 37, ontvangen op
8 juli 2025;
- de USB-stick, ontvangen van klager op 8 juli 2025;
- de brief van 18 juli 2025 met één bijlage van klager, ontvangen op 21 juli 2025;
- de brief van 22 juli 2025 van de secretaris aan klager;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 29 juli 2025;
- de brief met aanvulling op verweerschrift van gemachtigde van verweerster, ontvangen
op 17
september 2025;
- de brief van 22 september 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerster;
- de brief van 22 september 2025, ontvangen van de gemachtigde van verweerster;
- de stukken van klager, ontvangen op 19 november 2025 (bijlage 39, loggegevens
en transcripties);
- de USB-stick van klager met 12 geluidsfragmenten, ontvangen op 19 november 2025.
- de brief van 26 november 2025 van de secretaris aan klager.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 13 mei 2026. De partijen zijn
verschenen.
Verweerster werd bijgestaan door haar gemachtigde. De partijen en verweersters gemachtigde
hebben
hun standpunten mondeling toegelicht. Klager en verweersters gemachtigde hebben
een pleitnotitie
voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager is vanaf het voorjaar van 2023 tot eind oktober 2023 en van eind maart
2024 tot eind
september 2024 in behandeling geweest bij verweerster. Hij was aangemeld bij de
GGZ-instelling waar
zij werkzaam is (hierna: de GGZ-instelling), vanwege sociale angstklachten, waarvoor
hij ook al
eerder was behandeld. Het ging nu echter weer slechter met hem. De intakegesprekken
vonden op 3 en
10 maart 2023 plaats en op 17 maart 2023 vond een adviesgesprek plaats tussen klager,
verweerster
en een collega van haar (psychiater).
3.2 Na de intake startte op 21 april 2023 de behandeling. Daarbij zijn de behandeldoelen
opgesteld, die leidden tot het (eerste) behandelplan van 5 juni 2023. Als onderdeel
van zijn
behandeling heeft klager een tijdlang deelgenomen aan een SFT-groep (schematherapie),
die begeleid
werd door twee collega’s van verweerster. Van 20 oktober 2023 tot en met
25 maart 2024 heeft een collega-behandelaar de werkzaamheden van verweerster waargenomen,
omdat zij
in die periode met verlof was.
3.3 Op 6 september 2024 deelde klager aan het einde van de sessie aan verweerster
mee dat hij al
langer tijdens sessies (seksuele) gevoelens had voor verweerster. Verweerster besprak
dit in de
sessie daarna, op 13 september 2024 met klager en vervolgens op
27 september 2024 in een driegesprek waarbij een collega van verweerster aanwezig
was. Verweerster
deelde in het laatste gesprek mee dat zij de behandeling wilde overdragen omdat
zij niet goed meer
in staat was de behandeling voort te zetten. Kort daarna stuurde klager 18 e-mails
naar haar en
vervolgens een bosje bloemen met een brief. Verweerster schrok van de inhoud van
de e-mails en
heeft direct stappen ondernomen door contact op te nemen met de psychiater en de
crisisdienst.
3.4 De behandeling van klager is voortgezet door een collega van verweerster. Vervolgens
diende
hij de huidige klacht tegen haar in.
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klager verwijt verweerster:
1. schending van het medisch beroepsgeheim;
2. het geven van onvoldoende informatie over de behandeling;
3. onvoldoende regievoering;
4. onvoldoende zorg voor kwaliteit en onvoldoende handelen volgens professionele
standaarden;
5. onvolledig bijhouden van het medisch dossier en creëren van een data-lek;
6. niet tijdig verstrekken van een afschrift van het medisch dossier;
7. niet zorgen voor adequate overdracht van de behandeling;
8. onzorgvuldigheid in de elektronische communicatie;
9. blootstelling aan een negatieve ervaring en onzorgvuldige beëindiging van de
behandelrelatie;
10. onzorgvuldig handelen door het negeren van haar eigen diagnose;
11. ten onrechte niet terugverwijzen naar de huisarts;
12. niet regelen van overbrugging in mei 2023 tijdens verweersters vakantie;
13. valsheid in geschrifte.
Tevens verzoekt klager om een kostenveroordeling.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. Nadere omschrijving van de klachtonderdelen en de overwegingen van het college
5.1 Met het oog op de leesbaarheid van deze beslissing is hieronder steeds per
klachtonderdeel
weergegeven wat de standpunten van partijen zijn (eerst het standpunt van klager,
daarna dat van
verweerster) en vervolgens hoe het college oordeelt. Daarbij merkt het college op
dat het betoog
van klager omvangrijk is en hij per klacht ook diverse subklachten formuleert. Het
college zal
hierna een zakelijke en een samengevatte weergave geven van hoe het college zijn
klacht begrijpt.
De criteria voor de beoordeling
5.2 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende gz-psycholoog. Bij de beoordeling
wordt
rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd
genoeg voor een
tuchtrechtelijk verwijt.
Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn voor
hun eigen handelen.
Klachtonderdeel 1) schending van het medisch beroepsgeheim
5.3 Klager stelt dat verweerster haar beroepsgeheim heeft geschonden door (in
strijd met de
behandelovereenkomst waarin staat dat alleen hij en verweerster toegang hebben tot
zijn dossier)
zonder zijn toestemming aan administratief medewerkers van de GGZ-instelling toegang
te geven in
zijn dossier, zodat zij inzage in dat dossier hadden. Dit betreft onder andere het
dossierdeel
waarin zijn vragenlijsten en de bijbehorende uitslagen stonden. Verweerster had
eind september
2024, toen klager in een crisis verkeerde, ook niet tegen de dienstdoende GGZ-crisisdienst
mogen
zeggen dat hij verliefd op haar was, omdat daartoe geen noodzaak bestond.
5.4 Verweerster voert aan dat zij niemand toegang of inzage in klagers medisch dossier
heeft
gegeven. Wel heeft zij, in reactie op klagers verzoeken om hem afschrift van zijn
dossier te
verstrekken, twee administratief medewerkers verzocht dat afschrift aan klager te
verstrekken. Dat
vormt geen schending van het beroepsgeheim, ook omdat die medewerkers een eigen
(contractueel
vastgelegde) geheimhoudingsplicht hebben. Verweerster erkent aan de bedoelde crisisdienst
te hebben
gezegd dat klager seksuele gevoelens jegens haar had geuit. Dat was relevante informatie
voor de
crisisdienst, aldus verweerster. Daarin lag de oorzaak van de beëindigde behandelrelatie
en klager
had in het weekend na die beëindiging vele mails aan haar gestuurd welke van zodanige
inhoud waren
dat het noodzakelijk en relevant was om hierover informatie te verschaffen aan de
crisisdienst.
5.5 Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is. Een behandelaar
is niet
verplicht om een verzoek om afschrift van een medisch dossier zelf uit te voeren.
Zij mocht de
verzoeken van klager ter uitvoering doorspelen aan de administratieve medewerkers.
Daarmee is de
geheimhoudingsplicht van verweerster niet geschonden, ook gelet op de eigen geheimhoudingsplicht
van die administratieve medewerkers. Dat in de behandelovereenkomst met klager was
opgenomen dat
alleen hij en zijn behandelaar toegang hebben tot de bedoelde vragenlijsten en de
uitslagen
daarvan, leidt niet tot een ander oordeel. Die bepaling moet in redelijkheid zo
worden uitgelegd,
dat de betrokkenheid van (tot geheimhouding verplichte) administratieve medewerkers
bij een
afschriftverzoek, daardoor niet wordt uitgesloten. Dat de administratieve medewerkers
anderszins
inzage hebben gehad in het dossier is niet gebleken. Het college is verder van oordeel
dat het voor
de crisisdienst die klager eind september 2024 zag (in verband met zijn crisis,
onder meer ter
beoordeling van suïcidegevaar), relevante informatie was dat klagers behandelrelatie
met
verweerster kort tevoren was geëindigd naar aanleiding van zijn geuite (seksuele)
gevoelens.
Daarbij is van belang dat die beëindiging kennelijk de aanleiding vormde voor klager
om daarna zijn
vele (ongeveer 18), heftige en emotionele mails aan verweerster te sturen, waaruit
volgt dat de
gemoedstoestand van klager zorgelijk was. Ook is van belang dat klagers crisis zich
zeer kort
daarna voordeed. Ook het geven van de bedoelde informatie aan de crisisdienst leidt
daarom niet tot
gegrondheid van dit klachtonderdeel.
Klachtonderdeel 2) onvoldoende informatie over de behandeling
5.6 Volgens klager heeft verweerster hem onvoldoende voorgelicht over zijn individuele
behandeling en zijn groepsbehandeling en was er daarom geen sprake van informed
consent. Ook heeft
verweerster naar zijn zeggen geen psycho-educatie gegeven over de diagnose ‘vermijdende
persoonlijkheidsstoornis’. Zij heeft haar informatieplicht niet ingevuld doordat
zij niet naar
websites verwees en niet heeft meegedeeld dat zij regiebehandelaar was en wat dat
inhoudt. Ook
ontbreekt informatie over haar werkervaring, hoewel klager daarom heeft verzocht.
5.7 Verweerster stelt klager voldoende te hebben voorgelicht. Zij licht uitgebreid
toe wat zij
wanneer met hem heeft besproken. Zij noemt in dat verband (kort weergegeven):
• de drie intakegesprekken die met klager zijn gevoerd voor aanvang van zijn behandeling
• wat daarbij is besproken: de behandelopties- en doelen en het (uiteindelijke)
behandelplan, de
tijd en oefening die nodig is om bij klager gedragspatronen te veranderen, klagers
sociale-angststoornis en vermijdende persoonlijkheidsstoornis, de daarvoor geldende
criteria, de
koppeling van die criteria aan klagers eigen voorbeelden en de herkenbaarheid van
een en ander voor
klager;
• het ook bij de intake besproken regiebehandelaarschap van verweerster;
• haar verwijzing voor algemene informatie over de GGZ-instelling naar de website
van die
instelling, zoals gebruikelijk is;
• het vermelden in de behandelovereenkomst dat verweerster klagers coördinerend
regiebehandelaar
is en, naast haar psychiater-collega, indicerend regiebehandelaar.
Verder voert verweerster aan dat de verzoeken per e-mail over haar werkervaring
dateren van na de
behandeling en dat deze haar niet hebben bereikt.
5.8 Het college oordeelt als volgt. Tegenover de door verweerster gegeven toelichting
over hoe en
op welke punten zij klager heeft voorgelicht, heeft klager niet voldoende onderbouwd
dat
verweerster in haar voorlichtende taak is tekortgeschoten en hij heeft daartoe ook
niet andere of
nadere feiten naar voren gebracht. Ook uit klagers medisch dossier volgt die onderbouwing
niet.
Integendeel: daarin is de behandelovereenkomst van klager opgenomen (de oorspronkelijke
en de drie
achtereenvolgens opgemaakte aangepaste behandelplannen) en in die overeenkomst staan
de door
verweerster aangehaalde gegevens. Ook overigens geeft de inhoud van die overeenkomst
steun aan het
verweer van verweerster. Van het ontbreken van informed consent blijkt dan ook niet.
Wat betreft de
vraag of verweerster klager zelf naar de website van de GGZ-instelling heeft verwezen
(dus los van
de verwijzing daarnaar in de behandelovereenkomst), hebben partijen tegenovergestelde
lezingen. Het
woord van de een staat hier tegenover het woord van de ander. Het college kan bij
die stand van
zaken niet vaststellen wie hier gelijk heeft. Dat brengt mee dat niet kan worden
uitgegaan van het
gelijk van klager. Zijn bezwaar dat verweerster ten onrechte in het behandelplan
schreef dat hem
bepaalde (algemene) praktijkinformatie was verstrekt, is daarmee zonder grond, nu
die informatie
was vermeld op de website van de GGZ-instelling en het behandelplan zelf een verwijzing
naar die
website bevat. Daarmee heeft verweerster voldoende aan haar informatieverplichting
gedaan. Verweerster
heeft gesteld dat de verzoeken om informatie over haar werkervaring haar niet hebben
bereikt en
klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit anders is. Om die reden gaat het verwijt
dat dit
anders is niet op. Op grond van al het voorgaande is dit klachtonderdeel ongegrond.
Klachtonderdeel 3) geen regie
5.9 Klager voert aan dat verweerster niet heeft overlegd met de groepsbehandelaren
en niet heeft
toegezien op uitvoering van het behandelplan. De groepsbehandelaren konden dat plan
ook niet
inzien.
5.10 Verweerster stelt dat zij de groepsbehandelaren wel heeft geïnformeerd en meerdere
malen met
hen heeft overlegd, ook mondeling. Ook konden die behandelaren gedurende de gehele
behandeling in
het dossier volgen wat de actuele behandeldoelen en belangrijke thema’s in de behandeling
waren.
Zij koppelden hun bevindingen met klager aan verweerster terug.
5.11 Het college oordeelt als volgt. Ook hier geldt dat klager, tegenover het gemotiveerde
verweer
van verweerster, niet voldoende heeft onderbouwd dat verweerster op het punt van
regievoering over
klagers behandeling is tekortgeschoten. Daarbij is het medisch dossier van klager
van belang,
waarin verweerster vanaf 10 maart 2023 tot aan het einde van haar behandeling van
klager (buiten de
perioden waarin zij verlof had), op regelmatige basis verslag heeft gedaan van haar
behandelverrichtingen. Uit die verslagen komt het beeld naar voren van een behandeling
die op
consistente wijze recht doet aan het behandelplan. Ook blijkt daaruit dat dat plan
en de voortgang
ervan regelmatig onderwerp van gesprek zijn geweest tussen verweerster en klager.
Wat de
groepsbehandelaars betreft, ziet het college geen reden te twijfelen aan de verklaring
van
verweerster over hoe zij – mede door haar toedoen – in de behandeling van klager
zijn betrokken.
Ook uit het medisch dossier volgt dat de groepsbehandelaars schriftelijk terugkoppelden
door hun
bevindingen op te nemen in dat dossier. Het college leidt hieruit af dat zij ook
inzage hadden in
de terugkoppeling van verweerster over hoe de sessies met klager verliepen. Daarom
is ook in dat
opzicht niet van een tekortschietende regievoering sprake.
Klachtonderdeel 4) onvoldoende zorg voor kwaliteit, onvoldoende handelen volgens professionele
standaarden
5.12 Volgens klager handelde verweerster niet volgens meerdere protocollen. In
zijn klaagschrift
noemt hij in dat verband het kwaliteitsstatuut van de GGZ-instelling, het Landelijk
Kwaliteitsstatuut GGZ 2020, de Landelijke Samenwerkingsafspraken tussen huisarts,
generalistische
basis GGZ en gespecialiseerde GGZ, de Zorgstandaard Persoonlijkheidsstoornissen
en de Zorgstandaard
voor Psychotherapie. Zo stond in zijn dossier niet vermeld of omtrent zijn behandeling
een
multidisciplinair overleg is gevoerd en of verweerster volgens richtlijnen werkte
en vervulde
verweerster de dubbelrol van uitvoerend behandelaar en regiebehandelaar. Ook stuurde
zij geen
verslagen naar de huisarts en legde zij niet gemotiveerd vast waarom ze daarvan
afweek. Voor het overige voert klager
hier een aantal bezwaren aan die hij ook in het kader van zijn andere klachtonderdelen
heeft
aangevoerd. Die bezwaren komen elders in deze beslissing aan de orde.
5.13 Verweerster betwist de stellingen van klager en verwijst naar het medisch dossier
en haar
toelichting op het verloop van de behandeling.
5.14 Wat betreft de (ontbrekende) vermelding in het dossier van multidisciplinair
overleg, is het
college van oordeel dat daarin geen gegronde klacht is gelegen. Uit het behandelplan
en de overige
inhoud van het medisch dossier blijkt dat de behandeling van klager door verweerster
een
monodisciplinaire setting had, waarbij verweerster mede-indicerend regiebehandelaar
was en er
incidenteel ook collega’s van verweerster betrokken waren. Dat was het geval wanneer
verweerster de
behandeling van klager inbracht in multidisciplinair overleg, en wanneer zij overlegde
met de
psycholoog/behandelinhoudelijk manager van de GGZ-instelling, waarvan zij telkens
in het dossier
verslag heeft gedaan. Ook was van die betrokkenheid sprake wanneer zij contact had
met de
begeleiders van klagers groepstherapie, hoewel die overlegmomenten niet afzonderlijk
in het dossier
zijn verslagen. Dat maakt niet dat wat het dossier vermeldt over het door verweerster
gevoerde
overleg onjuist is. Klagers stelling dat het dossier niets vermeldt over richtlijnen
is feitelijk
onjuist: het dossier, met name het behandelplan, bevat een verwijzing daarnaar.
Zonder nadere
toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom het samenvallen van verweersters
hoedanigheid als uitvoerend behandelaar en die als regiebehandelaar, een tuchtrechtelijk
verwijtbare omstandigheid is. Terugkoppeling aan de huisarts was niet nodig/vereist
omdat sprake
was van een doorlopend traject dat ook nog na betrokkenheid van verweerster werd
voortgezet. Er was
daarom geen reden de huisarts op de hoogte te stellen. Ook dit klachtonderdeel is
daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 5) onvolledig bijhouden van het medisch dossier, creëren data-lek
5.15 Klager stelt dat verweerster het medisch dossier slordig heeft bijgehouden.
Volgens hem
ontbraken veel gegevens, zoals het gespreksverslag van 3 maart 2023 (dat is verwijderd)
en zijn er
gegevens verwijderd. Ook is verweerster verantwoordelijk voor een datalek omdat
in klagers dossier
stukken zitten die niets met klager te maken hebben: een ingevulde vragenlijst van
3 september 2024
en een groepsverslag van 10 september 2024. Klager kwam daarachter toen hij eind
september 2024 een
afschrift van zijn dossier ontving. Het verwijt aan verweerster is hier dat zij
voorafgaand aan de
verstrekking van dat afschrift die stukken niet uit klagers dossier heeft verwijderd.
5.16 Verweerster bestrijdt dat het dossier slordig is bijgehouden en stelt dat zij
daaruit niets
heeft verwijderd. Zij heeft niet de stukken in het dossier opgenomen die klager
noemt in het kader
van het datalek en zij was bij het verstrekken van het bedoelde afschrift van het
medisch dossier
niet betrokken, ook omdat zij toen al niet meer klagers behandelaar was.
5.17 Het college stelt het volgende voorop. Bij de tuchtrechtelijke beoordeling van
de stelling
over het bijhouden van het medisch dossier, is niet de vraag of elk van de verrichtingen
van
verweerster in het kader van klagers behandeling daarin volledig zijn beschreven.
Wel is de vraag
of hetgeen verweerster daarin heeft opgenomen, in zijn totaliteit en in onderling
verband bezien
een voldoende verslaglegging is van het verloop van die behandeling. Ook wanneer
in de
verslaglegging bepaalde informatie niet afzonderlijk is opgenomen, hoewel daar wel
aanleiding toe
bestond, kan mogelijkerwijs toch aan die toets voldaan zijn. In dat geval moet worden
bezien of die
informatie zo zwaarwegend is dat die zonder meer afzonderlijk in het dossier opgenomen
had moeten.
Het college is van oordeel, na beoordeling van klagers dossier als geheel, dat de
wijze waarop
verweerster dat dossier heeft vormgegeven, deze toets doorstaat: de inhoud en het
verloop van
klagers behandeling komt daar voldoende in tot uiting. Dat van het gesprek dat verweerster
met
klager had op 3 maart 2023, geen verslag in het dossier zit, leidt niet tot een
ander oordeel. Daartoe is van
belang dat dit het eerste intakegesprek was dat klager voerde en dat hetgeen toen
is besproken
verder is besproken in het tweede intakegesprek op 10 maart 2023, waarvan zich wel
een verslag in
het dossier bevindt en waarvan de uitkomst bovendien is weergegeven in het behandelplan.
Ook het feit dat zich in het dossier geen verslagen bevinden van verweersters contacten
met de
begeleiders van klagers groepstherapie, leidt niet tot een ander oordeel. Hoewel
dergelijke
verslagen de werkwijze van verweerster inzichtelijker hadden gemaakt, ligt in het
ontbreken ervan
geen tuchtrechtelijk verwijt. De inhoud van die contacten en de betekenis ervan
voor verweersters
behandeling van klager zijn immers (naar het college bij gebreke van tegenaanwijzingen
aanneemt)
meegenomen in de behandeling, zoals blijkt uit de verslagen van verweerster. Het
verwijt omtrent de
dossieropbouw door verweerster is daarom ongegrond. Datzelfde geldt ten aanzien
van het verwijt
omtrent het datalek. Dat verwijt is ongegrond omdat, gelet op de stellingen van
verweerster, niet
vaststaat dat zij degene is geweest die de bedoelde stukken in klagers dossier heeft
gevoegd. Ook
was zij niet betrokken bij de verstrekking van een afschrift van klagers dossier
(waar die stukken
bij zaten) aan klager. Die verstrekking vond immers plaats nadat verweerster was
gestopt als
behandelaar van klager. Dat voorafgaand aan die afgifte de bedoelde stukken niet
uit het dossier
zijn verwijderd, kan verweerster daarom niet worden verweten. Ook dit klachtonderdeel
is daarom
ongegrond.
Klachtonderdeel 6) niet tijdig verstrekken van een afschrift van het medisch dossier
5.18 Klager voert aan dat verweerster heeft verzuimd om, zoals (van de AVG) had
gemoeten, hem
binnen een maand na zijn verzoek afschrift te verstrekken van bepaalde stukken uit
zijn dossier.
Hij had de opvolgende behandelaar daarom op 11 oktober 2024 verzocht (die antwoordde
het verzoek
aan verweerster door te leiden), waarna klager verweerster een aantal malen een
herinnering
stuurde. Geruime tijd na die herinneringen en na die maandtermijn ontving hij een
aantal van de
gevraagde stukken van de opvolgende behandelaar en van een andere medewerker van
de GGZ-instelling.
5.19 Verweerster betwist dat zij bij de verzochte afgifte betrokken was.
5.20 Het college overweegt als volgt. Het bedoelde verzoek van klager en de genoemde
herinneringen
zijn alle gedaan nadat verweerster haar rol als (regie)behandelaar van klager op
27 september 2024
had beëindigd. De opvolgende behandelaar had de rol van regiebehandelaar overgenomen
en was daarom
verantwoordelijk voor beantwoording van het verzoek. Omtrent de wijze en het tijdstip
waarop op dat
verzoek is gereageerd, treft verweerster daarom geen verwijt. Dit klachtonderdeel
is ongegrond.
Klachtonderdeel 7) niet zorgen voor adequate overdracht van de behandeling
5.21 Klager stelt dat verweerster belangrijke stukken niet (tijdig) in het dossier
heeft geplaatst
en belangrijke behandelafspraken niet heeft overgedragen, zowel bij de overdracht
aan de
behandelaar die haar tijdens haar verlof verving, alsook bij de overdracht aan haar
opvolgende
behandelaar, eind september/oktober 2024. In het eerste geval betrof het naar zijn
zeggen het
tweede, aangepaste, behandelplan en de ingevulde Schema Mode Inventory-vragenlijst,
die nog niet in
klagers dossier zaten. In het tweede geval betrof het naar zijn zeggen de informatie
dat hij
stoelenoefeningen zou doen en de op 9 augustus 2024 door verweerster met klager
gemaakte afspraak
dat hij vaker de boodschap zou krijgen dat hij vrij was te delen wat hij voelde.
5.22 Verweerster voert concreet aan dat bij die beide gelegenheden een ‘warme’ overdracht
plaatsvond, te weten een persoonlijke overdracht aan haar vervanger, waarbij zij
adequaat heeft
overgedragen.
5.23 Het college oordeelt als volgt. Hetgeen verweerster aanvoert wordt ondersteund
door het
medisch dossier, waarin staat dat op 20 oktober 2023 een warme overdracht plaatsvond
met haar
tijdelijke vervanger, in aanwezigheid van klager en waarin gedetailleerd is weergegeven
wat toen is
besproken. Het college leest ook nog het volgende in het dossier. Op 27 september
2024 is door
verweerster, klager en de opvolgende behandelaar besproken hoe klagers behandeling
verder diende
plaats te vinden. Ook daarbij staat gedetailleerd beschreven wat toen is besproken.
Dat de door
klager omschreven informatie niet als zodanig in de bedoelde dossierpassages is
benoemd, maakt dat
niet anders. Ook dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 8) onzorgvuldigheid in de elektronische communicatie
5.24 Klager stelt dat verweerster vragenlijsten en zijn antwoorden onbeveiligd
digitaal naar
klager heeft gestuurd, wat in strijd is met de privacy-eisen die voor het verzenden
van dergelijke
vertrouwelijke gegevens gelden.
5.25 Verweerster voert aan dat zij normaliter dergelijke gegevens op een beveiligde
wijze
verzendt, conform de daarvoor geldende eisen, die ook binnen de GGZ-instelling van
kracht zijn.
5.26 Het college leidt uit de door klager overgelegde e-mailwisseling af dat verweerster
op
1 juli 2024 per gewone (onbeveiligde) mail de uitkomsten aan klager heeft verstuurd
van door hem
ingevulde vragenlijsten. Daarnaar ter zitting gevraagd heeft verweerster erkend
dat die verzending
vertrouwelijke gegevens betreft, die beveiligd hadden moeten worden verzonden. Zij
betreurt dat zij
door die onbeveiligde verzending de hier geldende regel heeft geschonden.
5.27 Het vertrouwelijke karakter van gegevens die betrekking hebben op de behandeling
van een
cliënt, brengt mee dat die gegevens op beveiligde wijze dienen te worden verzonden.
De e-mail die
verweerster op 1 juli 2024 aan klager heeft verzonden voldoet niet aan die eis.
Die e-mail bevat de
uitkomsten van de vragenlijst die klager had ingevuld. Daarom is dit klachtonderdeel
gegrond. Van
andere vertrouwelijke gegevens die verweerster onbeveiligd aan klager heeft verzonden,
is niet
gebleken. Voor zover dergelijke gegevens door administratieve medewerkers van de
GGZ-instelling
onbeveiligd aan klager zijn verzonden, kan daarvan niet aan verweerster een verwijt
worden gemaakt.
Klachtonderdeel 9) negatieve ervaring/onzorgvuldige beëindiging van de behandelrelatie
5.28 Klager voert aan dat verweerster afspraken over toe te passen VERS-technieken
niet nakwam en
zich kribbig heeft gedragen. Ook handelde zij inconsistent door te noteren dat ze
het als een
gegeven heeft beschouwd dat klager zijn gevoelens uit, terwijl haar diagnose was
dat hij deze
inhoudt vanwege zijn angst om te veel te zijn. Verder verzon zij dat klager een
straffende kant
heeft. Verweerster had in haar uitspraken rekening moeten houden met haar eigen
diagnose over
klager en haar aanmoediging van klager om alles te bespreken. Zij moet hebben geweten
dat klager
verliefdheidsgevoelens voor haar kon hebben. Die gevoelens stonden een professionele
relatie niet
in de weg omdat klager wist dat deze een bijproduct waren van de therapie. Zij had
andere motieven
om de behandelrelatie te beëindigen, namelijk dat klager steeds meer de regie nam
en vragen stelde
over zijn rechten en plichten en zijn dossier had opgevraagd.
5.29 Verweerster stelt zich niet in dit beeld te herkennen en verwijst naar het medisch
dossier.
Zij heeft wel degelijk aspecten van de VERS-technieken ingezet. Oefeningen en technieken
zijn
daarbij verweven in de sessies met klager.
Zij heeft de behandeling in overleg en zorgvuldig beëindigd, op grond van de op
6 september 2024
door klager jegens haar geuite (seksuele) gevoelens en op grond van het feit dat
hij er in het
vervolggesprek op 13 september 2024 geen blijk van gaf haar moeite met die (door
haar als
grensoverschrijdend ervaren) uitingen te begrijpen. Daardoor kon zij, aldus verweerster,
haar rol
als behandelaar niet langer op de juiste wijze vormgeven. Zij heeft dat (in aanwezigheid
van haar
opvolger) op 27 september 2024 aan klager meegedeeld. Over de kwestie en de juiste
aanpak daarvan,
heeft zij multidisciplinair overleg gevoerd.
5.30 Het college oordeelt als volgt. Waar verweerster stelt wel de genoemde VERS-technieken
te
hebben betrokken in haar behandeling heeft klager niets aangevoerd waaruit blijkt
dat dit niet het
geval is. Daarmee is dat deelverwijt ongegrond. Wat verweerster in het medisch dossier
schreef over
het inhouden van zijn gevoelens door klager, moet als een diagnostische waarneming
worden gezien.
Wat zij schreef over het uiten van zijn gevoelens, moet worden gezien als toelichting
op de door hem ingezette gedragsverandering. Ook daarin ligt daarom
geen terecht verwijt. De stellingen omtrent verweersters kribbigheid en de door
haar verzonnen
straffende kant van klager zijn niet concreet genoeg om tot een gegronde klacht
te kunnen leiden.
Wat hij bijvoorbeeld bedoelt met straffende kant heeft klager onvoldoende uitgelegd.
Daarbij is van
belang dat verweerster zowel in haar verweerschrift maar ook tijdens de behandeling
duidelijk heeft
laten blijken dat zij rekening houdt met de emoties van klager en de wisselingen
daarin.
Verweerster heeft naar het oordeel van het college voldoende onderbouwd (conform
wat daarover in
het medisch dossier is vermeld) op welke grond zij de behandelrelatie heeft beëindigd
én dat zij
dat op zorgvuldige wijze heeft gedaan. Daarbij is ook van belang dat zij dit voornemen
ook heeft
besproken met haar team. Van een verhulde andere beëindigingsreden, zoals klager
stelt, is niet
gebleken. Niet kan aan verweerster worden verweten dat zij, hoewel zij klager in
zijn behandeling
heeft gestimuleerd zich te uiten over zijn gevoelens, de door hem geuite (seksuele)
gevoelens als
grensoverschrijdend heeft ervaren en na het gesprek van 13 september 2024 heeft
besloten de
behandeling van klager te stoppen. De wijze waarop dergelijke uitingen worden ervaren,
hangt immers
af van de persoon tot wie die uitingen zijn gericht. Wanneer deze voor de ontvanger
zodanig worden
ervaren dat deze een goede behandelrelatie in de weg staan, is het – juist ook in
het belang van de
cliënt – goed om die relatie niet voort te zetten. Verweerster heeft daarin naar
het oordeel van
het college zorgvuldig gehandeld door eerst met klager zijn uitingen te bespreken
en daarna met de
collega (die de behandelrelatie heeft voortgezet) en klager samen. Daarna was nog
een gesprek
gepland dat door de crisis van klager niet is doorgegaan. Ook dit klachtonderdeel
is daarom in zijn
geheel ongegrond.
Klachtonderdeel 10) onzorgvuldig handelen
5.31 Klager verwijt verweerster dat zij onzorgvuldig is geweest door, hoewel haar
diagnose was dat
klager zijn gevoelens niet kon uiten, in het beëindigingsgesprek op
27 september 2024 tegen hem te zeggen dat klager te overweldigend was geweest. Hij
is daardoor na
dat gesprek in een diepe crisis beland. Ook stelt klager dat verweerster vijf maanden
heeft gewacht
met de evaluatie van de groepsbehandeling. Dat droeg bij aan de teleurstelling van
klager die
zorgde dat hij vroegtijdig met die groepsbehandeling stopte en dat leidde tot een
vertrouwensbreuk
met verweerster.
5.32 Verweerster voert aan dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen voor klager.
In het
gesprek van 27 september 2024 heeft zij klager uitgelegd waarom zij zijn behandeling
niet kon
voortzetten. Zij heeft hem in dat verband gezegd dat zij door zijn uitingen onvoldoende
rust in de
gesprekken met klager had en dat zij aan zichzelf moest denken, wat klager echter
niet begreep. Met
betrekking tot de groepsbehandeling stelt verweerster dat zij, toen zij begin 2024
van haar verlof
terugkeerde, met klager de mogelijkheid heeft besproken de groepsbehandeling met
de
groepsbegeleiders te bespreken. Haar bleek dat klager zijn onvrede over een groepsbegeleider
al
zelf met die begeleider had besproken, wat helpend was geweest. Zij kreeg de indruk
dat de
groepsbehandeling ook in het voorjaar van 2024 helpend was voor klager en dat hij
die
in de zomer wilde voortzetten. Van onvrede bij klager over de groepsbehandeling
is verweerster toen niet gebleken. Het is geen gebruik binnen deze
GGZ-instelling om groepsevaluaties te plannen of groepsbegeleiders te laten aansluiten
bij
evaluaties van de individuele behandeling. Toen klager aan verweerster meldde per
direct met de
groepsbehandeling te stoppen, heeft zij het hoe en waarom daarvan met klager besproken.
Ook heeft
zij er toen op aangestuurd dat hij met de groep in contact zou treden, om daarvan
‘in verbinding’
afscheid te kunnen nemen.
5.33 Het college heeft al geoordeeld dat verweerster op juiste gronden heeft besloten
haar
behandeling van klager te stoppen. Die beslissing en die gronden diende zij, vanzelfsprekend,
aan
klager mee te delen, zoals zij heeft gedaan op 27 september 2024. Het college kan
niet vaststellen
dat verweerster in de wijze waarop zij op die dag aan klager duidelijkheid heeft
verschaft over
haar beslissing, de belangen van klager zodanig heeft veronachtzaamd, dat haar daarvan
een
tuchtrechtelijk verwijt treft. Wat de kwestie van de groepsbehandeling aangaat,
hecht het college
waarde aan de toelichting die verweerster op dat punt heeft gegeven. Tegenover die
toelichting
heeft klager niet voldoende gesteld om de slotsom te rechtvaardigen dat verweerster
tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld omtrent (de evaluatie van) die groepsbehandeling.
Klachtonderdeel 11) ten onrechte niet terugverwezen naar de huisarts
5.34 Klager stelt dat verweerster ten onrechte heeft nagelaten hem na haar beëindiging
van zijn
behandeling terug te verwijzen naar zijn huisarts, met het advies hem te verwijzen
naar een
crisisinstelling.
5.35 Verweerster voert aan dat dit verwijt onterecht is, omdat klager zijn behandeling
voortzette
bij een opvolgende behandelaar. Voor een terugverwijzing naar zijn huisarts was
daarom geen grond.
5.36 Het college is van oordeel dat dit klachtonderdeel faalt. De reden daarvan is
dat klagers
behandeling niet eindigde, maar binnen de GGZ-instelling doorliep. Dat verweerster
als behandelaar
van klager werd opgevolgd door een collega, doet in dit verband niet ter zake. Ook
het door klager
gestelde advies (dat verweerster volgens hem aan zijn huisarts had moeten geven)
tot verwijzing
naar een crisisinstelling, leidt niet tot gegrondheid van de klacht, omdat bij de
crisis waarin
klager het weekend na 27 september 2024 raakte, de dienstdoende crisisdienst is
ingeschakeld. Ook
dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel 12) geen overbrugging geregeld in mei 2023
5.37 Klager stelt dat verweerster ten onrechte heeft nagelaten overbrugging te
regelen voor de
periode (van meer dan een week) waarin zij in mei 2023 met vakantie was. Een dergelijke
overbrugging is wel uitgangspunt binnen de GGZ-instelling.
5.38 Verweerster voert aan dat zij al tijdens de intakegesprekken in maart 2023 heeft
vermeld dat zij in mei van dat jaar afwezig zou zijn wegens vakantie en dat klager
dat niet als
bezwaarlijk zag.
5.39 Het college oordeelt over dit klachtonderdeel als volgt. Hoewel in beginsel
voor een
voorziene afwezigheid van een behandelaar vervanging dient te worden geregeld, levert
het
achterwege blijven daarvan in dit geval geen tuchtrechtelijk relevant verwijt op.
Daarvoor is de
reden dat de (korte) vakantie van verweerster in mei 2023 plaatsvond kort na de
intake van klager
en dat zijn behandeling toen nog maar net was begonnen en de behandeldoelen en het
behandelplan
toen nog moesten worden opgesteld (leidend tot het behandelplan van 5 juni 2023).
Ook is van belang
dat verweerster destijds terecht heeft ingeschat dat zich in haar meivakantie geen
aanleiding
voordeed een vervangende behandelaar in te schakelen. Pas nu wordt dit punt door
klager opgeworpen.
Klachtonderdeel 13) valsheid in geschrifte.
5.40 Klager voert aan dat de gespreksverslagen die verweerster maakte van 30 augustus
2024 en 2
september 2024 onderwerpen bevatten die niet op die data zijn besproken en dat die
verslagen niet
de waarheid weerspiegelen. Ook heeft zij volgens hem met opzet de data van zijn
behandelplannen
gewijzigd en heeft zij op diverse dagen zijn medisch dossier gewijzigd, omdat uit
de door hem
opgevraagde logbestanden blijkt dat verweerster toen toegang tot het dossier had
en omdat in het
logjournaal staat ‘decursus gewijzigd’.
5.41 Verweerster ontkent enig stuk te hebben vervalst. Het is mogelijk dat er in
het
gespreksverslag van 30 augustus 2024 iets staat wat op 2 september 2024 is besproken,
maar dat is
dan per ongeluk gebeurd. Dat kan verklaard worden doordat gespreksverslagen soms
pas enige dagen na
het gesprek worden opgemaakt. Die verslagen bevatten geen woordelijk verslag van
wat is besproken,
maar een zakelijke weergave daarvan. Omdat op een uitdraai van behandelplannen via
het systeem van
de GGZ-instelling geen datum van die plannen staat vermeld, heeft verweerster de
(juiste) datum
alsnog met de hand vermeld. Dat zijn ook de data waarop de behandelplannen zijn
opgesteld en
besproken met klager. Zij heeft, ter ordening van het dossier en mede naar aanleiding
van de
interne klacht die klager bij de GGZ-instelling had ingediend, meermalen in zijn
medisch dossier
gekeken. Daarbij heeft zij niets inhoudelijks verwijderd of gewijzigd, maar uitsluitend
zaken
(chronologisch) geordend en stukken ingezien met als doel de stukken te ordenen
en te checken op
volledigheid aan de hand van haar handgeschreven aantekeningen. Alles met als doel
het juist
zorgvuldig en volledig te doen.
5.42 Het college overweegt als volgt. Het verwijt van klager aan verweerster houdt
in de kern in
dat zij met opzet onjuiste gegevens in zijn medisch dossier heeft vermeld. Klager
heeft echter niet
voldoende aangetoond dat de wijzigingen waarop hij doelt, onjuiste gegevens betreffen
én dat
verweerster die onjuiste gegevens willens en wetens in het dossier heeft opgenomen.
De kwestie van
de twee bedoelde gesprekverslagen betreft, gezien de toelichting van verweerster,
een vergissing.
Bovendien heeft die kwestie geen inhoudelijk gewicht omdat klager er blijk van heeft
gegeven heel
goed te weten welke zaken op 30 augustus 2024 en welke zaken op 3 september 2024
zijn besproken.
Met haar toelichting dat die verslagen een zakelijke weergave bevatten van wat is
besproken
tijdens die sessies, heeft verweerster voldoende de stelling van klager ontzenuwd
dat de inhoud van die verslagen niet met het besprokene overeenkomt.
Dat bepaalde passages wellicht per ongeluk bij de verkeerde sessie zijn
opgenomen is onvoldoende om van valsheid in geschrifte te spreken. Met haar toelichting
op de
datering van klagers behandelplannen heeft verweerster voldoende klagers stelling
ontzenuwd dat zij
die data valselijk heeft gewijzigd.
Tegenover de toelichting van verweerster over haar inzagemomenten in klagers medisch
dossier, heeft
klager niet voldoende onderbouwd dat verweerster op de desbetreffende dagen zaken
in zijn dossier
heeft vervalst of bewust heeft verwijderd. De vermelding in het logjournaal ‘decursus
gewijzigd’,
is daartoe onvoldoende, nu verweerster heeft toegelicht dat die wijzigingen bestonden
in het
(chronologisch) ordenen van het dossier. Het college kan ook geen reden bedenken
waarom verweerster
dit zou hebben gedaan. Dat maakt klager ook niet concreet. Ook dit klachtonderdeel
is ongegrond.
Samenvatting
5.43 Uit vorenstaande volgt dat klachtonderdeel 8 gegrond is en dat alle andere
klachtonderdelen
ongegrond zijn.
Het college legt verweerster geen maatregel op
5.44 Het college is van oordeel dat klachtonderdeel 8 weliswaar gegrond is, maar
van onvoldoende
gewicht is om een maatregel te rechtvaardigen. Daartoe overweegt het college als
volgt. Het gaat om
een enkele foutieve handelwijze. Niet is gebleken dat verweerster nog bij andere
gelegenheden dan
op 1 juli 2024 onbeveiligd vertrouwelijke gegevens aan klager heeft verzonden. Bovendien
heeft
verweerster aangevoerd de regel van beveiligde verzending van vertrouwelijke gegevens
te kennen en
toe te passen en heeft zij haar spijt betuigd dat zij die regel in dit geval heeft
veronachtzaamd.
Ook is er eerder nimmer een tuchtrechtelijke maatregel aan verweerster opgelegd.
Slotsom
5.45 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel 8 gegrond is, dat de
andere
klachtonderdelen ongegrond zijn en dat aan verweerster geen maatregel wordt opgelegd.
Kostenveroordeling
5.46 Klager heeft verzocht verweerster te veroordelen in de kosten die hij heeft
gemaakt in deze
procedure. Een kostenveroordeling is mogelijk als het college de klacht (gedeeltelijk)
gegrond
verklaart en aan de zorgverlener een maatregel oplegt. Daarvan is hier geen sprake.
Daarom moet het
verzoek worden afgewezen.
5. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel 8 gegrond;
- verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;
- bepaalt dat aan verweerster geen maatregel wordt opgelegd;
- wijst af het verzoek van klager om een kostenveroordeling van verweerster.
Deze beslissing is gegeven door R.A. Steenbergen, voorzitter, Ch. Schollen-den Besten,
lid-jurist,
T. Koetsier, E.H. Muste en M.J.E. Lemmens, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
T.G. Nijenkamp, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 8 juli 2026.