ECLI:NL:TGZRSHE:2026:114 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8900
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:114 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-07-2026 |
| Datum publicatie: | 01-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8900 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een MDL-arts. Voorzittersbeslissing. Kennelijk niet-ontvankelijk. Klaagster verwijt de arts dat zij de behandeling van haar ziekte van Crohn ten onrechte heeft beëindigd, onvoldoende heeft meegewerkt aan de voortzetting van de zorg, onvolledige informatie aan de huisarts heeft verstrekt en verzoeken om behandelafspraken heeft genegeerd. De voorzitter oordeelt dat sprake is van misbruik van tuchtrecht. Klaagster heeft de tuchtklacht gebruikt als instrument in een langdurig conflict met het ziekenhuis en de arts, waarbij zij herhaaldelijk aandrong op een schadevergoeding en aangaf de klacht te willen intrekken indien aan haar voorwaarden zou worden voldaan. Daarnaast diende klaagster meerdere, inhoudelijk grotendeels gelijkluidende klachten in tegen dezelfde arts en bleef zij via deze weg contact zoeken ondanks opgelegde contactbeperkingen. Het tuchtrecht is niet bedoeld als middel om onderhandelingen af te dwingen of een geschil met een zorginstelling voort te zetten. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Voorzittersbeslissing van 1 juli 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
laagster,
tegen
[C],
MDL-arts,
werkzaam in [B],
verweerster,
gemachtigde: mr. S.J. Muntinga, werkzaam in Utrecht.
1. De klacht
1.1 Klaagster verwijt verweerster – kort gezegd – dat zij de behandeling van haar
ziekte van
Crohn ten onrechte heeft beëindigd, onvoldoende heeft meegewerkt aan de voortzetting
van de zorg,
onvolledige informatie aan de huisarts heeft verstrekt en onvoldoende gehoor heeft
gegeven aan haar
verzoeken om behandelafspraken.
1.2 De voorzitter is van oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is in
haar klacht
wegens misbruik van recht. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen
aan de partijen
te stellen en dat duidelijk is dat klaagster niet in haar klacht kan worden ontvangen.
Hierna licht
de voorzitter toe hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
1.3 Klaagster heeft tegen verweerster op dit moment vier tuchtklachten ingediend.
Het betreft de
zaken H2025/8900, H2025/9154, H2025/9231 en H2025/9406. Op die klachten heeft de
voorzitter heden
eenzelfde beslissing genomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 8 augustus 2025;
- het aanvullend klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 29 augustus 2025;
- de brief van de secretaris aan klaagster van 2 september 2025;
- de brief met bijlagen, ontvangen van klaagster op 5 september 2025;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 14 oktober 2025;
- de pleitnotitie, ontvangen van klaagster op 30 oktober 2025;
- de brief van de secretaris aan klaagster van 18 november 2025:
- de brief, ontvangen van klaagster op 25 november 2025;
- de brief van de secretaris aan klaagster van 26 november 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Nadat de secretaris de klacht voor behandeling door het college naar raadkamer
had verwezen,
is alsnog besloten om de klacht met een voorzittersbeslissing af te doen.
3. De feiten
3.1 Klaagster heeft sinds 2006 de ziekte van Crohn en is sinds eind 2016 bij verweerster
onder
behandeling. Die zorg was tot eind 2023 naar klaagsters tevredenheid. Dat is eind
2023 veranderd.
Tussen klaagster en de Raad van bestuur van het ziekenhuis waar verweerster werkte
ontstond toen
een geschil. Vanaf november 2024 ontstond ook een geschil tussen klaagster en verweerster,
door de
(zoals klaagster dat omschreef) ruis die ontstond door de afdeling juridische zaken
van het
ziekenhuis.
3.2 Klaagster heeft vervolgens, maar ook later in de procedure die hierna wordt
beschreven, zeer
veel berichten verstuurd aan de Raad van bestuur en de afdeling juridische zaken
van het ziekenhuis
en aan verweerster.
3.3 Klaagster heeft onder meer op 18 december 2024 een brief bezorgd op de MDL-poli,
gericht aan verweerster. Die brief, gedateerd op 3 november 2024, had de titel ‘afscheidsbrief’.
In
die brief schreef klaagster:
“[..] Ik kan echter niet therapietrouw zijn vanwege de ruis die de jurist veroorzaakt
heeft. Niet
bet betrekking tot de medicatie, maar ook niet met betrekking tot de behandelafspraken.
[..]”
Klaagster heeft vervolgens, ondanks contact met de assistent van verweerster, afgezien
van een
geplande afspraak op 10 januari 2025.
3.4 In een brief van 2 januari 2025 heeft de Raad van bestuur van het ziekenhuis
aangegeven dat
berichten van klaagster per e-mail worden geblokkeerd.
3.5 Op 10 februari 2025 is klaagster verwezen naar de MDL-dagbehandeling. Op 4 maart
2025 heeft
klaagster verweerster bericht dat zij gedwongen stopt met haar behandeling vanwege
het geschil met
de Raad van bestuur en de afdeling juridische zaken. Er is vervolgens meerdere keren
contact
gezocht met klaagster, maar men kon haar niet bereiken. Klaagster is niet verschenen
op de
MDL-dagbehandeling.
3.6 In een brief van 10 april 2025 heeft de Raad van bestuur van het ziekenhuis
klaagster een
contactverbod opgelegd over zaken waarover zij reeds antwoord heeft gehad.
3.7 Op 8 mei 2025 heeft verweerster klaagster gebeld om de behandeling te bespreken.
In dat
gesprek is besproken dat voortzetten van de behandeling wenselijk was. Klaagster
was welkom op de
poli van het ziekenhuis van verweerster, maar indien gewenst kon er ook een verwijzing
volgen naar
een ander ziekenhuis. Klaagster gaf aan dat de behandeling kon worden voortgezet,
maar dat het
opgelegde contactverbod haar hinderde. Verweerster heeft daarop de huisarts van
klaagster
geïnformeerd.
3.8 In een brief van 12 mei 2025 heeft de Raad van bestuur van het ziekenhuis het
contactverbod
herhaald en nogmaals bevestigd dat dit contactverbod geen behandelverbod inhoudt.
3.9 Op 8 juni 2025 heeft klaagster bij verweerster aangegeven de behandeling te
willen
voortzetten. Klaagster is vervolgens uitgenodigd voor een afspraak op 24 juni 2025.
Klaagster is op
deze afspraak niet verschenen. Er is een nieuwe afspraak gepland op 19 augustus
2025.
3.10 Op 11 augustus 2025 heeft verweerster klaagster een brief geschreven, waarin
zij terugkomt op
meerdere berichten die klaagster aan verweerster heeft gestuurd in het digitale
portaal van het
ziekenhuis. Verweerster herhaalde het belang van behandeling en wees op de afspraak
op 19 augustus
2025.
3.11 Klaagster is niet verschenen op de afspraak op 19 augustus 2025.
3.12 Op 25 augustus 2025 heeft verweerster klaagster een brief geschreven, waarin
zij opnieuw wees
op het belang van behandeling en de noodzaak om te verschijnen op een afspraak.
Verweerster heeft
erop gewezen dat door het stoppen van medicatie de ziekte van Crohn weer actief
kon worden, hetgeen
kan leiden tot buikklachten, toename van vernauwingen aan de darm, ziekte en noodzaak
tot
(spoed)operatie. Verweerster heeft ook opgemerkt dat de behandeling van klaagster
bij verweerster
zou eindigen als klaagster niet zou verschijnen op een spreekuur en op een afspraak
voor het
toedienen van medicatie. Op 27 augustus 2025 heeft klaagster bericht dat zij de
behandeling wenst
te hervatten. Verweerster heeft op verzoek van klaagster overlegd met de huisarts
van klaagster.
3.13 Verweerster heeft klaagster uitgenodigd voor een afspraak op 16 september 2025.
Op 15 september 2025 heeft de huisarts contact gehad met klaagster en haar aangeraden
op de
afspraak de dag erna te verschijnen.
3.14 Klaagster is op de afspraak op 16 september 2025 verschenen. De afspraak duurde
acht minuten.
Klaagster heeft aangegeven geen behandelgesprek te kunnen voeren in verband met
een verstoorde
behandelrelatie. Ze wilde de behandeling stoppen en heeft een klacht over verweerster
ingediend bij
het college. Klaagster verweet verweerster morfinepreparaten te hebben toegediend
gekregen en dat
verweerster bij de afdeling juridische zaken heeft aangegeven dat klaagster suïcidaal
zou zijn
geweest. Verweerster wilde op de lichamelijke klachten van klaagster ingaan, maar
klaagster brak
het gesprek af en verliet de spreekkamer.
3.15 Klaagster heeft vervolgens enkele berichten gestuurd in het digitale portaal
van het
ziekenhuis. Daarin gaf ze aan dat er geen vertrouwen mogelijk is zolang de afdeling
juridische
zaken verstorend werkt en de Raad van bestuur weigert gegevens op te nemen in het
elektronisch
patiëntendossier. Op 4 oktober 2025 heeft klaagster een brief aan verweerster gestuurd,
waarin ze
haar beleving, haar meldingen van ruis en onvrede en haar aanvulling op de tuchtklacht
beschrijft.
Ook verweerster is volgens klaagster slachtoffer. Verweerster heeft volgens klaagster
geen veilige
zorg kunnen borgen inzake een operatie op 2 juli 2025 door een andere zorgverlener
in een ander
ziekenhuis. Klaagster noemde in deze brief eveneens een schadeclaim. Zij verzocht
verweerster die
te laten beoordelen door de verzekeraar van het ziekenhuis, tegen inwisseling van
de tuchtklacht.
3.16 Verweerster heeft niet kunnen ingaan op de schadeclaim. Het handelen van de
Raad van bestuur
en de afdeling juridische zaken viel volgens verweerster buiten haar verantwoordelijkheid
als
behandelend arts.
3.17 In een brief van 12 november 2025 bood verweerster klaagster nogmaals een afspraak
aan,
gericht op behandeling. Daarbij heeft verweerster tevens aangegeven voornemens te
zijn de
behandelovereenkomst te beëindigen met ingang van 1 januari 2026, vanwege eerdere
no-shows en de
therapie-ontrouw van klaagster. Verweerster had twee andere MDL-artsen bereid gevonden
de
behandeling over te nemen. Verweerster gaf ook aan hoe de spoedzorg voor klaagster
er na
1 januari 2026 uit zou zien.
3.18 Klaagster heeft op 12 november 2025 geprobeerd verweerster te bellen op haar
privételefoonnummer. Klaagster had vervolgens contact met de poli, en gaf aan een
telefonische
afspraak te willen met verweerster. Verweerster stelde daarop als datum 25 november
2025 aan
klaagster voor. Klaagster gaf aan niet in te willen gaan op dat voorstel. Verweerster
heeft
klaagster daarna uitgenodigd voor een gesprek op 9 december 2025. Nadat klaagster
verweerster een
bericht stuurde in het digitale portaal van het ziekenhuis heeft verweerster op
2 december 2025
klaagster bericht dat zij de behandelingsovereenkomst per 1 januari 2026 zou beëindigen.
Daarbij
heeft zij een uitgebreide toelichting gegeven waarom zij daartoe is overgegaan.
3.19 In een brief van 26 maart 2026 heeft de Raad van bestuur van het ziekenhuis
het reeds
opgelegde contactverbod uitgebreid naar elke vorm van contact en dat verbod voor
onbepaalde tijd
verlengd. Klaagster is bovendien voor de duur van een jaar een toegangsverbod opgelegd,
op basis
van herhaaldelijke gedragingen die in strijd zijn met de huisregels. In deze brief
wordt toegelicht
dat dit toegangsverbod is gebaseerd op het frequente telefonische en schriftelijke
contact (circa
600 berichten met bijlagen), waarbij klaagster niet schroomt zich te mengen in de
privélevens van
zorgverleners, alsmede het bovenmatig instellen van procedures bij de Geschillencommissie,
het
tuchtcollege en de politie. Als uitzondering op het toegangsverbod is opgenomen:
een
levensbedreigende situatie, een behandeling die naar het oordeel van de SEH-arts
geen uitstel
duldt, dan wel de noodzaak tot aanwezigheid in verband met ernstige ziekte van een
zeer naast
familielid.
3.20 In een brief van 3 april 2026 aan de Raad van bestuur heeft klaagster op het
toegangsverbod
gereageerd en geschreven:
“[..] Hoe gaan we deze waarheid boven tafel krijgen?
1. Met alle ingezette procedures?
2. Met mijn voorstel aan [verzekeraar] om alle schadeclaims van [ziekenhuis 1 en
2]
samen te nemen in een toewijzen van een schadeclaim van € 1.500.000,-
a. Voorzetting van medische zorg […]
b. Enkel voor acute medische zorg naar [het ziekenhuis] […]
c. De allergielijst van […] overnemen in [het ziekenhuis]
Mijn voorkeur gaat uit naar optie 2 omdat u daarmee uw gelijk houdt met hetgeen
u verkondigd in al
uw brieven, maatregelen en sancties, maar ik eindelijk wel krijg waar ik 4 jaar
lang tevergeefs om
hem gesmeekt: goede en veilige zorg en schadeloosstelling voor de gelegen schade.
[…]”
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klaagster verwijt verweerster dat zij:
a) de behandeling van de ziekte van Crohn op onjuiste gronden heeft stopgezet en
niet heeft
voortgezet tot klaagster een andere arts had gevonden;
b) onvolledige adviezen heeft gegeven aan de huisarts, met name met betrekking tot
de medicatie;
c) geen gehoor heeft gegeven aan diverse verzoeken tot behandelafspraken;
d) geen gehoor heeft gegeven aan haar verzoeken, zodat het ziekenhuis een legitieme
reden
vervaardigt om de behandeling van klaagster stop te zetten.
4.2 In de brief, door het college ontvangen op 25 november 2025, schreef klaagster:
“[…] Het enige wat ik wilde was continuering van die goede en veilige zorg als vóór
november 2024.
Mijn minnelijk voorstel was duidelijk. Door het handelen van juridische zaken was
dit niet
mogelijk. [Verweerster] heeft standpunt ingenomen om niet medisch technisch te handelen
naar haar
weten en kunnen. Juridische zaken en de belangenbehartiger van [verweerster] zijn
doorgegaan met
mij in diskrediet brengen om eigen handelen toe te dekken. Dit laatste ten koste
van mijn
gezondheid en de integriteit van [verweerster], maar tevens de integriteit van het
RTG welke moet
besluiten of zij mee gaan in de onjuistheden. Dreigementen en niet communiceren
vanuit de zijde van
de artsen of de processtukken volgt die aantonen dat mijn mdl behandeling gestagneert
is omdat
[verweerster] géén gehoor gaf aan mijn smeekbedes om continueren van de zorg voor
Crohn mogelijk te
maken. […]”
4.3 Verweerster heeft verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht
dus niet
inhoudelijk te behandelen. Voor het geval de klacht wel ontvankelijk wordt geacht,
heeft
verweerster verzocht de klacht kennelijk ongegrond te verklaren.
4.4 De voorzitter gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. Overwegingen
Is klaagster ontvankelijk in haar klacht?
5.1 Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat klaagster niet-ontvankelijk
zou moeten
worden verklaard in haar klacht, omdat zij misbruik van recht maakt. Ter onderbouwing
van deze
stelling heeft verweerster – kort gezegd – gewezen op het feit dat klaagster haar
klacht baseert op
een veelvoud van verkeerde aannames en verdraaide feiten, waardoor het lijkt alsof
het verweersters
schuld is dat klaagsters ziekte niet is behandeld. Dat klaagster niet therapietrouw
is, meerdere
keren medische uitspraken heeft gedaan in de vorm van diagnosen en zonder overleg
is gestopt met
medicatie heeft de communicatie en behandelrelatie in behoorlijke mate bemoeilijkt.
Verweerster kan
zich daarnaast niet aan het gevoel onttrekken dat ze wordt geïntimideerd om bepaalde
dingen te
doen. Klaagster heeft verweerster meermaals een minnelijke regeling aangeboden tegen
inwisseling
van de tuchtklachten. Klaagster dreigt met civiele procedures dan wel het niet intrekken
van
onderhavige tuchtklacht, indien dat aanbod niet wordt geaccepteerd. Klaagster heeft
verweerster
bovendien in de privésfeer benaderd door haar op haar eigen telefoonnummer te bellen
of een brief
te sturen naar haar huisadres. Daardoor en door de toonzetting voelt verweerster
zich onder druk
gezet.
5.2 De voorzitter overweegt als volgt. Op grond van artikel 3:13, eerste lid, van
het Burgerlijk
Wetboek (hierna: BW) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze niet inroepen
voor zover hij
deze misbruikt. Op grond van het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden
misbruikt door
haar uit te oefenen met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of ingeval men,
in aanmerking
nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat
daardoor wordt
geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Op grond
van artikel 3:15
van het BW vindt artikel 3:13 toepassing buiten het vermogensrecht, voor zover de
aard van de
rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet. Deze artikelen brengen met zich dat
de bevoegdheid om
een klacht tegen een BIG-geregistreerde zorgverlener in te dienen niet kan worden
ingeroepen voor
zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich daarom tegen
inhoudelijke
behandeling van een tuchtklacht die misbruik van recht behelst en bieden een wettelijke
grondslag
voor niet-ontvankelijkverklaring daarvan.
5.3 De doelen van het tuchtrecht zijn het bewaken en bevorderen van de kwaliteit
van de
individuele gezondheidszorg en de bescherming van de patiënt tegen ondeskundig en
onzorgvuldig
handelen van zorgverleners. Het medisch tuchtrecht is niet bedoeld als instrument
om een
zorgverlener tot een juridische procedure te dwingen.
5.4 De voorzitter is van oordeel dat klaagster in onderhavig geval haar bevoegdheid
om een klacht
in te dienen heeft misbruikt. Daarvoor is in de eerste plaats redengevend dat, hoewel
klaagster
verweerster (en het ziekenhuis en het college) in onderhavige procedure telkenmale
wijst op het
door haar gestelde belang van goede en veilige zorg, óók telkenmale wijst op de
mogelijkheid van
een minnelijke regeling tussen partijen. Als verweerster de door klaagster gewenste
goede en
veilige zorg zou bieden én haar verzekeraar een bedrag van € 1.500.000,- zou betalen
als
schadeloosstelling, dan zou klaagster haar tuchtklacht intrekken. Dit voorstel levert
op zichzelf
geen misbruik van recht op, want een goede rechtsbedeling kan verlangen dat over
de individuele
zorgverlening afspraken worden gemaakt. De aard en inhoud, en de wijze waarop klaagster
dat voorstel doet, leveren naar het oordeel van de voorzitter echter wel misbruik
van recht op. De
voorzitter wijst in dit verband met name op het gegeven dat klaagster herhaaldelijk
wijst op de
schadeloosstelling die zij meent te moeten ontvangen. Klaagster wijst daarbij steeds
op het feit
dat met betaling de klacht zou worden ingetrokken. Gelet op de feiten en omstandigheden
in deze
zaak kan de voorzitter niet anders dan concluderen dat klaagster haar recht om de
tuchtklacht in te
dienen gebruikt om anderen te dwingen om daarover met haar te onderhandelen. Klaagster
heeft de
tuchtklacht kortom enkel ingediend als instrument in het inmiddels voortslepende
conflict met
verweerster en het ziekenhuis.
5.5 Dat klaagster in onderhavig geval haar bevoegdheid om een klacht in te dienen
heeft misbruikt
blijkt ook uit het navolgende. Uit het dossier blijkt dat klaagster, zoals zij ook
op enig moment
aan verweerster terugkoppelde, een geschil heeft met de Raad van bestuur en de afdeling
juridische
zaken van het ziekenhuis. De voorzitter begrijpt dat die geschillen niet naar klaagsters
tevredenheid zijn opgelost. Klaagster heeft zich daarbij echter niet neergelegd
en is, naast het
voeren van diverse procedures bij onder meer de Geschillencommissie, een enorme
hoeveelheid
berichten gaan sturen aan het ziekenhuis en aan verweerster. Dat resulteerde uiteindelijk
in een
contactverbod en later – vanwege haar handelen – ook in een toegangsverbod. Die
verboden hebben
klaagster er niet van weerhouden contact over de geschillen te (blijven) zoeken.
Ook het indienen
van onderhavige tuchtklacht past in dat patroon van het omzeilen van het contact-
en
toegangsverbod. Zoals de voorzitter hiervoor al constateerde heeft klaagster op
dit moment vier
tuchtklachten tegen verweerster ingediend. In de andere klachten uit klaagster,
net als in
onderhavige klacht, haar onvrede over het handelen van verweerster. Dat doet klaagster
weliswaar
iedere keer in (iets) andere bewoordingen, maar de essentie van deze klachten is
telkens hetzelfde.
Door op deze wijze steeds opnieuw weer tuchtklachten in te dienen is duidelijk dat
klaagster
probeert om contact te houden met – in ieder geval – verweerster. Door dit handelen
maakt klaagster
misbruik van recht. Het tuchtrecht is immers niet bedoeld om onbeperkt ruimte te
geven aan
klaagster om haar onvrede over verweerster telkens opnieuw, in iets andere vorm
maar met op
hoofdlijnen dezelfde klacht, aan de orde te stellen en contact te (blijven) zoeken
met verweerster.
Verweerster heeft in haar verweerschrift overigens gewezen op het feit dat zij op
het handelen van
de Raad van bestuur of de afdeling juridische zaken geen invloed heeft (gehad) en
noch uit hetgeen
klaagster heeft aangevoerd noch op andere wijze blijkt dat verweerster daar wel
enige invloed op
zou hebben gehad. Dat heeft klaagster er echter niet van weerhouden verweerster
daarover te
(blijven) benaderen en daarover bij haar eisen te stellen.
5.6 De conclusie van het voorgaande is dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk
is in haar klacht
wegens misbruik van tuchtrecht.
6. De beslissing
De voorzitter:
- verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in haar klacht.
Aldus gedaan op 1 juli 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
in
tegenwoordigheid van G.J. Stoepker, secretaris.