ECLI:NL:TGZRSHE:2026:113 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025-9154
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:113 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-07-2026 |
| Datum publicatie: | 01-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025-9154 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een MDL-arts. Voorzittersbeslissing. Kennelijk niet-ontvankelijk. Klaagster verwijt de arts dat zij onvoldoende heeft gereageerd op haar zorgen over de vermelding van opiaten in het medisch dossier, haar angst voor toediening van morfine niet heeft weggenomen en voorafgaand aan een operatie niet adequaat heeft gereageerd op haar signalen en verzoeken.De voorzitter oordeelt dat sprake is van misbruik van tuchtrecht. Klaagster heeft de tuchtklacht gebruikt als instrument in een langdurig conflict met het ziekenhuis en de arts, waarbij zij herhaaldelijk aandrong op een schadevergoeding en aangaf de klacht te willen intrekken indien aan haar voorwaarden zou worden voldaan. Daarnaast diende klaagster meerdere, inhoudelijk grotendeels gelijkluidende klachten in tegen dezelfde arts en bleef zij via deze weg contact zoeken, ondanks opgelegde contactbeperkingen. Het tuchtrecht is niet bedoeld als middel om onderhandelingen af te dwingen of een geschil met een zorginstelling voort te zetten. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Voorzittersbeslissing van 1 juli 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen:
[C],
MDL-arts,
werkzaam in [B],
verweerster,
gemachtigde: mr. S.J. Muntinga, werkzaam in Utrecht.
1. De klacht
1.1 Klaagster verwijt verweerster – kort gezegd – dat zij onvoldoende heeft gereageerd
op haar
zorgen over de vermelding van opiaten in haar medisch dossier, geen gehoor heeft
gegeven aan haar
verzoeken om angst voor toediening van morfine weg te nemen en voorafgaand aan een
operatie niet
adequaat op haar signalen en verzoeken heeft gereageerd.
1.2 De voorzitter is van oordeel dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk is in
haar klacht
wegens misbruik van recht. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen
aan de partijen
te stellen en dat duidelijk is dat klaagster niet in haar klacht kan worden ontvangen.
Hierna licht
de voorzitter toe hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
1.3 Klaagster heeft tegen verweerster op dit moment vier tuchtklachten ingediend.
Het betreft de
zaken H2025/8900, H2025/9154, H2025/9231 en H2025/9406. Op die klachten heeft de
voorzitter heden
eenzelfde beslissing genomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 22 oktober 2025;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 15 januari 2026;
- de stukken, ontvangen van klaagster op 10 februari 2026;
- de stukken, ontvangen van klaagster op 27 februari 2026;
- de brief met bijlagen, ontvangen van klaagster op 10 maart 2026;
- de brief met bijlagen, ontvangen van klaagster op 11 maart 2026;
- de brief met bijlage, ontvangen van klaagster op 24 maart 2026;
- de brief met bijlagen, ontvangen van klaagster op 7 april 2026;
- de brief met bijlagen, ontvangen van klaagster op 14 april 2026;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 21 april 2026.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan heeft klaagster gebruik
gemaakt. Het
mondeling vooronderzoek is uiteindelijk voortijdig beëindigd omdat klaagster volhardde
in haar wens
een geluidsopname te maken, hetgeen in strijd is met de toepasselijke huisregels.
2.3 Nadat de secretaris de klacht voor behandeling door het college naar raadkamer
had verwezen,
is alsnog besloten om de klacht met een voorzittersbeslissing af te doen.
3. De feiten
3.1 Klaagster heeft sinds 2006 de ziekte van Crohn en is sinds eind 2016 bij verweerster
onder
behandeling. Klaagster stelt dat ze gevoelig is voor het opiaat oxycodon, in verband
met
bijwerkingen. Verweerster heeft op verzoek van klaagster en in haar bijzijn dit
vermeld in het
medisch dossier van klaagster. Iedere andere zorgverlener krijgt bij het invoeren
van ieder ander
opiaat, zoals bijvoorbeeld morfine, een waarschuwingssignaal.
3.2 De zorg die verweerster verleende was tot eind 2023 naar klaagsters tevredenheid.
Dat is eind
2023 veranderd. Tussen klaagster en de Raad van bestuur van het ziekenhuis waar
verweerster werkte
ontstond toen een geschil. Vanaf november 2024 ontstond ook een geschil tussen klaagster
en
verweerster, door de (zoals klaagster dat omschreef) ruis die ontstond door de afdeling
juridische
zaken van het ziekenhuis.
3.3 Klaagster heeft vervolgens, maar ook later in de procedure die hierna wordt
beschreven, zeer
veel berichten verstuurd aan de Raad van bestuur en de afdeling juridische zaken
van het ziekenhuis
en aan verweerster.
3.4 In een brief van 2 januari 2025 heeft de Raad van bestuur van het ziekenhuis
aangegeven dat
berichten van klaagster per e-mail worden geblokkeerd.
3.5 In een brief van 10 april 2025 heeft de Raad van bestuur van het ziekenhuis
klaagster een
contactverbod opgelegd over zaken waarover zij reeds antwoord heeft gehad.
3.6 In een brief van 12 mei 2025 heeft de Raad van bestuur van het ziekenhuis het
contactverbod
herhaald en nogmaals bevestigd dat dit contactverbod geen behandelverbod inhoudt.
3.7 Klaagster is op 2 juli 2025 door een andere zorgverlener in een ander ziekenhuis
geopereerd
aan haar knie. Klaagster heeft verweerster op 5 juli, 6 juli en 9 juli 2025 bericht
dat zij tijdens deze
operatie morfine toegediend heeft gekregen. Daarin wijst klaagster erop dat duidelijk is
geworden dat
haar gegevens in het EPD niet juist zijn.
3.8 Klaagster heeft vervolgens enkele berichten gestuurd in het digitale portaal
van het
ziekenhuis. Daarin gaf ze aan dat er geen vertrouwen mogelijk is zolang de afdeling
juridische
zaken verstorend werkt en de Raad van bestuur weigert gegevens op te nemen in het
elektronisch
patiëntendossier. Op 4 oktober 2025 heeft klaagster een brief aan verweerster gestuurd,
waarin ze
haar beleving, haar meldingen van ruis en onvrede en haar aanvulling op de tuchtklacht
beschrijft.
Ook verweerster is volgens klaagster slachtoffer. Verweerster heeft volgens klaagster
geen veilige
zorg kunnen borgen inzake de operatie op 2 juli 2025 door een andere zorgverlener
in een ander
ziekenhuis. Klaagster noemde in deze brief eveneens een schadeclaim. Zij verzocht
verweerster die
te laten beoordelen door de verzekeraar van het ziekenhuis, tegen inwisseling van
de tuchtklacht.
3.9 Verweerster heeft niet kunnen ingaan op de schadeclaim. Het handelen van de
Raad van bestuur
en de afdeling juridische zaken viel volgens verweerster buiten haar verantwoordelijkheid
als
behandelend arts.
3.10 In een brief van 12 november 2025 bood verweerster klaagster nogmaals een afspraak
aan,
gericht op behandeling. Daarbij heeft verweerster tevens aangegeven voornemens te
zijn de
behandelovereenkomst te beëindigen met ingang van 1 januari 2026, vanwege eerdere
no-shows en de
therapie-ontrouw van klaagster. Verweerster had twee andere MDL-artsen bereid gevonden
de
behandeling over te nemen. Verweerster gaf ook aan hoe de spoedzorg voor klaagster
er na
1 januari 2026 uit zou zien.
3.11 Klaagster heeft op 12 november 2025 geprobeerd verweerster te bellen op haar
privételefoonnummer. Klaagster had vervolgens contact met de poli, en gaf aan een
telefonische
afspraak te willen met verweerster. Verweerster stelde daarop als datum 25 november
2025 aan
klaagster voor. Klaagster gaf aan niet in te willen gaan op dat voorstel. Verweerster
heeft
klaagster daarna uitgenodigd voor een gesprek op 9 december 2025. Nadat klaagster
verweerster een
bericht stuurde in het digitale portaal van het ziekenhuis heeft verweerster op
2 december 2025
klaagster bericht dat zij de behandelingsovereenkomst per 1 januari 2026 zou beëindigen.
Daarbij
heeft zij een uitgebreide toelichting gegeven waarom zij daartoe is overgegaan.
3.12 In een brief van 26 maart 2026 heeft de Raad van bestuur van het ziekenhuis
het reeds
opgelegde contactverbod uitgebreid naar elke vorm van contact en dat verbod voor
onbepaalde tijd
verlengd. Klaagster is bovendien voor de duur van een jaar een toegangsverbod opgelegd,
op basis
van herhaaldelijke gedragingen die in strijd zijn met de huisregels. In deze brief
wordt toegelicht
dat dit toegangsverbod is gebaseerd op het frequente telefonische en schriftelijke
contact (circa
600 berichten met bijlagen), waarbij klaagster niet schroomt zich te mengen in de
privélevens van
zorgverleners, alsmede het bovenmatig instellen van procedures bij de Geschillencommissie,
het
tuchtcollege en de politie. Als uitzondering op het toegangsverbod is opgenomen:
een
levensbedreigende situatie, een behandeling die naar het oordeel van de SEH-arts
geen uitstel duldt,
dan wel de noodzaak tot aanwezigheid in verband met ernstige ziekte van een zeer
naast familielid.
3.14 In een brief van 3 april 2026 aan de Raad van bestuur heeft klaagster op het
toegangsverbod
gereageerd en geschreven:
“[..] Hoe gaan we deze waarheid boven tafel krijgen?
1. Met alle ingezette procedures?
2. Met mijn voorstel aan [verzekeraar] om alle schadeclaims van [ziekenhuis 1 en
2]
samen te nemen in een toewijzen van een schadeclaim van € 1.500.000,-
a. Voorzetting van medische zorg […]
b. Enkel voor acute medische zorg naar [het ziekenhuis] […]
c. De allergielijst van […] overnemen in [het ziekenhuis]
Mijn voorkeur gaat uit naar optie 2 omdat u daarmee uw gelijk houdt met hetgeen
u verkondigd in al
uw brieven, maatregelen en sancties, maar ik eindelijk wel krijg waar ik 4 jaar
lang tevergeefs om
hem gesmeekt: goede en veilige zorg en schadeloosstelling voor de gelegen schade.
[…]”
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klaagster verwijt verweerster dat zij:
a) geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van klaagster ‘Opiaten zijn door mij
als bijwerking
in dossier aangemerkt op 24-11-2023’ niet te melden in haar overdracht;
b) geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van klaagster om haar angst weg te
nemen dat zij
morfinepreparaten toegediend zou krijgen naar aanleiding van haar bericht op
12 mei 2025;
c) daags voor de operatie evenmin gehoor heeft gegeven aan de verzoeken van klaagster.
4.2 In de brief aan de secretaris, door het college ontvangen op 10 maart 2026, schreef
klaagster:
“[…] Het is uw keus om géén reactie te geven op mijn vele verzoeken of u mogelijkheid
ziet om
o.b.v. artikel 8 tuchtklachtregeling een mogelijk ziet op tot een oplossing te komen
zonder
besluitvorming. Dus ook dit moet is respecteren.
Het is de keus van verweerster dat zij niet in is gegaan op mijn minnelijk voorstel
inzake 9231:
alsnog overnemen van de allergiegegevens […] in het landelijk EPD en deze tezamen
met de
scopiebeelden van november 2023 over te dragen aan […], tegen inwisseling van tuchtklacht
9231. Dus
dit moet ik respecteren. […]”
4.3 In de brief aan de secretaris, door het college ontvangen op 11 maart 2026, schreef
klaagster:
“[…] Een gebeurtenis die ik aanvankelijk niet de mdl arts verweet doordat ik begrip
had dat ook zij
slachtoffer was van de inbreuk op de arts- patiënt vertrouwensrelatie. Echter heeft
het handelen
van de gemachtigde van verweerster mij doen twijfelen of dat begrip voor de situatie
van de mdl
arts wel juist geplaatst was. Zeker gezien het enige wat ik vroeg was om goede en
veilige zorg te
leveren in ruil voor afzien van de eerste tuchtklacht. Als die
vraag al te veel gevraagd is….. […]”
4.4 In de brief aan de secretaris, door het college ontvangen op 7 april 2026, schreef
klaagster:
“[..] En daarnaast natuurlijk ook de schadeloosstelling zoals ik in mijn aangetekende
brief aan
[het ziekenhuis] heb verzonden en u hiervan een afschrift hebt ontvangen op 3-4-2026.
Een
schadeloosstelling die naast […] ook bestaat uit de overgedragen schadeclaims vanuit
[het
ziekenhuis] betreffende de tuchtklachten. We kunnen de tuchtklachten dus afhandelen
conform
eerlijke rechtspraak tot aan het CTG. We kunnen ook starten met communiceren en
kijken naar de
gewenste oplossing in de brief van 3-4-2026. […]”
4.5 In de brief aan de secretaris, door het college ontvangen op 14 april 2026, schreef
klaagster:
“[…] Voor mij is wenselijk dat er een besluit wordt genomen inzake mijn minnelijk
voorstel via
[verzekeraar], waarbij uit de (het laatste aanvullende stuk in de) bewijsvoering
blijkt dat er niet
gehandeld is naar borgen van goede en veilige zorg en naleving van EVRM artikel
2. […]”
4.6 Verweerster heeft verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren en de klacht
dus niet
inhoudelijk te behandelen. Voor het geval de klacht wel ontvankelijk wordt geacht,
heeft
verweerster verzocht de klacht kennelijk ongegrond te verklaren.
4.7 De voorzitter gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. Overwegingen
Is klaagster ontvankelijk in haar klacht?
5.1 Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat klaagster niet-ontvankelijk
zou moeten
worden verklaard in haar klacht, omdat zij misbruikt van recht maakt. Ter onderbouwing
van deze
stelling heeft verweerster – kort gezegd – gewezen op het feit dat klaagster haar
klacht baseert op
een veelvoud van verkeerde aannames en verdraaide feiten, waardoor het lijkt alsof
het verweersters
schuld is dat klaagsters ziekte niet is behandeld. Dat klaagster niet therapietrouw
is, meerdere
keren medische uitspraken heeft gedaan in de vorm van diagnosen en zonder overleg
is gestopt met
medicatie heeft de communicatie en behandelrelatie in behoorlijke mate bemoeilijkt.
Verweerster kan
zich daarnaast niet aan het gevoel onttrekken dat ze wordt geïntimideerd om bepaalde
dingen te
doen. Klaagster heeft verweerster meermaals een minnelijke regeling aangeboden tegen
inwisseling
van de tuchtklachten. Klaagster dreigt met civiele procedures dan wel het niet intrekken
van
onderhavige tuchtklacht, indien dat aanbod niet wordt geaccepteerd. Klaagster heeft
verweerster
bovendien in de privésfeer benaderd door haar op haar eigen telefoonnummer te bellen
of een brief
te sturen naar haar huisadres. Daardoor en door de toonzetting voelt verweerster
zich onder druk
gezet.
5.2 De voorzitter overweegt als volgt. Op grond van artikel 3:13, eerste lid, van
het Burgerlijk
Wetboek (hierna: BW) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze niet inroepen
voor zover hij
deze misbruikt. Op grond van het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden
misbruikt door
haar uit te oefenen met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of ingeval men, in
aanmerking nemende
de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor
wordt geschaad, naar
redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Op grond van artikel 3:15
van het BW vindt artikel
3:13 toepassing buiten het vermogensrecht, voor zover de aard van de rechtsbetrekking
zich daartegen niet
verzet. Deze artikelen brengen met zich dat de bevoegdheid om een klacht tegen een
BIG-geregistreerde
zorgverlener in te dienen niet kan worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid
wordt misbruikt.
Deze artikelen verzetten zich daarom tegen inhoudelijke behandeling van een tuchtklacht
die misbruik van
recht behelst en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring
daarvan.
5.3 De doelen van het tuchtrecht zijn het bewaken en bevorderen van de kwaliteit
van de
individuele gezondheidszorg en de bescherming van de patiënt tegen ondeskundig en
onzorgvuldig
handelen van zorgverleners. Het medisch tuchtrecht is niet bedoeld als instrument
om een
zorgverlener tot een juridische procedure te dwingen.
5.4 De voorzitter is van oordeel dat klaagster in onderhavig geval haar bevoegdheid
om een klacht
in te dienen heeft misbruikt. Daarvoor is in de eerste plaats redengevend dat, hoewel
klaagster
verweerster (en het ziekenhuis en het college) in onderhavige procedure telkenmale
wijst op het
door haar gestelde belang van goede en veilige zorg, óók telkenmale wijst op de
mogelijkheid van
een minnelijke regeling tussen partijen. Als verweerster de door klaagster gewenste
goede en
veilige zorg zou bieden én haar verzekeraar een bedrag van € 1.500.000,- zou betalen
als
schadeloosstelling, dan zou klaagster haar tuchtklacht intrekken. Dit voorstel levert
op zichzelf
geen misbruik van recht op, want een goede rechtsbedeling kan verlangen dat over
de individuele
zorgverlening afspraken worden gemaakt. De aard en inhoud, en de wijze waarop klaagster
dat
voorstel doet, leveren naar het oordeel van de voorzitter echter wel misbruik van
recht op. De
voorzitter wijst in dit verband met name op het gegeven dat klaagster herhaaldelijk
wijst op de
schadeloosstelling die zij meent te moeten ontvangen. Klaagster wijst daarbij steeds
op het feit
dat met betaling de klacht zou worden ingetrokken. Gelet op de feiten en omstandigheden
in deze
zaak kan de voorzitter niet anders dan concluderen dat klaagster haar recht om de
tuchtklacht in te
dienen gebruikt om anderen te dwingen om daarover met haar te onderhandelen. Klaagster
heeft de
tuchtklacht kortom enkel ingediend als instrument in het inmiddels voortslepende
conflict met
verweerster en het ziekenhuis.
5.5 Dat klaagster in onderhavig geval haar bevoegdheid om een klacht in te dienen
heeft misbruikt
blijkt ook uit het navolgende. Uit het dossier blijkt dat klaagster, zoals zij ook
op enig moment
aan verweerster terugkoppelde, een geschil heeft met de Raad van bestuur en de afdeling
juridische
zaken van het ziekenhuis. De voorzitter begrijpt dat die geschillen niet naar klaagsters
tevredenheid zijn opgelost. Klaagster heeft zich daarbij echter niet neergelegd
en is, naast het
voeren van diverse procedures bij onder meer de Geschillencommissie, een enorme
hoeveelheid
berichten gaan sturen aan het ziekenhuis en aan verweerster. Dat resulteerde uiteindelijk
in een
contactverbod en later – vanwege haar handelen – ook in een toegangsverbod. Die
verboden hebben
klaagster er niet van weerhouden contact over de geschillen te (blijven) zoeken.
Ook het indienen
van onderhavige tuchtklacht past in dat patroon van het omzeilen van het contact-
en
toegangsverbod. Zoals de voorzitter hiervoor al constateerde heeft klaagster op
dit moment vier
tuchtklachten tegen verweerster ingediend. In de andere klachten uit klaagster,
net als in
onderhavige klacht, haar onvrede over het handelen van verweerster. Dat doet klaagster
weliswaar
iedere keer in (iets) andere bewoordingen, maar de essentie van deze klachten is
telkens hetzelfde.
Door op deze wijze steeds opnieuw weer tuchtklachten in te dienen is duidelijk dat
klaagster
probeert om contact te houden met – in ieder geval – verweerster. Door dit handelen
maakt klaagster
misbruik van recht. Het tuchtrecht is immers niet bedoeld om onbeperkt ruimte te
geven aan
klaagster om haar onvrede over verweerster telkens opnieuw, in iets andere vorm
maar met op
hoofdlijnen dezelfde klacht, aan de orde te stellen en contact te (blijven) zoeken
met verweerster.
Verweerster heeft in haar verweerschrift overigens gewezen op het feit dat zij op
het handelen van
de Raad van bestuur of de afdeling juridische zaken geen invloed heeft (gehad) en
noch uit hetgeen
klaagster heeft aangevoerd noch op andere wijze blijkt dat verweerster daar wel
enige invloed op
zou hebben gehad. Dat heeft klaagster er echter niet van weerhouden verweerster
daarover te
(blijven) benaderen en daarover bij haar eisen te stellen.
5.6 De conclusie van het voorgaande is dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk
is in haar klacht
wegens misbruik van tuchtrecht.
6. De beslissing
De voorzitter:
- verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in haar klacht.
Aldus gedaan op 1 juli 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
in
tegenwoordigheid van G.J. Stoepker, secretaris.