ECLI:NL:TGZRSHE:2026:111 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8697
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:111 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-06-2026 |
| Datum publicatie: | 17-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8697 |
| Onderwerp: | Schending beroepsgeheim |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijke en ongegronde klacht tegen een verpleegkundige/casemanager dementie. Klaagster, de ex-partner van patiënt, verwijt verweerster een onjuist behandelplan, gebrekkige communicatie over wijziging van de eerste contactpersoon en schending van de geheimhoudingsplicht. Het college verklaart de eerste twee klachtonderdelen kennelijk niet-ontvankelijk, omdat patiënt zelf de wijzigingen in gang heeft gezet waarover wordt geklaagd en geen aanknopingspunten bestaan dat hij hierover zelf had willen klagen. Het verwijt van schending van de geheimhoudingsplicht is kennelijk ongegrond, omdat patiënt wilsbekwaam was en verweerster toestemming had gegeven contact op te nemen met zijn dochters over toekomstige vertegenwoordiging. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 17 juni 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
gemachtigde: mr. E.J. Brouwer-van Vliet, werkzaam in Leusden,
tegen
[C],
verpleegkundige (casemanager dementie)
(destijds) werkzaam in [B],
verweerster,
gemachtigde: mr. R.C. Simons, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster is de ex-partner van patiënt. Verweerster was als casemanager dementie
betrokken
bij het zorgtraject van patiënt. Patiënt is op ….. overleden. Klaagster verwijt
verweerster kort
gezegd een onvolledig en onjuist behandelplan voor de behandeling van patiënt te
hebben opgesteld,
klaagster niet te informeren over het wijzigen van de eerste contactpersoon en schending
van de
geheimhoudingsplicht.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk
en
gedeeltelijk kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is
om nog vragen aan
de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden
verklaard. Hierna
licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 3 juli 2025;
- de bijlage, ontvangen van de gemachtigde van klaagster op 1 september 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 9 oktober 2025;
- de repliek, ontvangen per e-mail op 20 november 2025 en per post op 26 november
2025;
- de dupliek, ontvangen op 17 december 2025;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 5 maart 2026.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster en patiënt waren gehuwd sinds 2002. Tussen klaagster en patiënt
was sprake van
toenemende relationele spanningen. Patiënt werd in 2015 getroffen door twee herseninfarcten.
Hij
werd na meerdere ziekenhuisopnamen in 2018 gediagnosticeerd met vasculaire dementie.
Klaagster was
als (toenmalig) partner en mantelzorger belast met de dagelijkse zorg voor patiënt.
Zij kregen
daarbij via een zorginstelling ondersteuning van een casemanager. Sinds medio 2022
was dit
verweerster. Sinds 2023 woonde patiënt gescheiden van klaagster in de zorginstelling.
Klaagster
bleef eerste contactpersoon en tevens aangewezen als wettelijk vertegenwoordiger.
Sinds oktober
2023 was klaagster niet meer aanwezig bij de huisbezoeken bij patiënt.
3.2 Klaagster heeft verweerster verzocht een Advanced Care Plan op te stellen. Verweerster
heeft
in reactie daarop diezelfde dag aangegeven dat binnen haar zorginstelling wordt
gewerkt met een
behandelplan zoals het Advanced Care Plan. Verweerster heeft het behandelplan van
5 januari 2024
daarna (met toestemming van patiënt) aan klaagster toegestuurd.
3.3 Klaagster heeft verzocht het behandelplan te corrigeren. Daarin ontbrak volgens
klaagster
namelijk belangrijke informatie. Het behandelplan bevatte volgens klaagster tevens
verouderde en
onjuiste informatie. Enkel de voormalige echtgenote van patiënt werd genoemd, terwijl
klaagsters
positie als echtgenote niet werd vermeld, noch haar positie als mantelzorger en
haar positie in het
levenstestament van patiënt als wettelijk vertegenwoordiger. Verweerster heeft in
reactie op dit
verzoek aangegeven niet tot correctie te kunnen overgaan, omdat in het behandelplan
elke betrokken
discipline het eigen behandeldoel opschrijft. Het behandelplan wordt eens per half
jaar besproken
in een overleg met de betrokken behandelaren en akkoord bevonden door een arts.
3.4 Later heeft verweerster ook het zorgplan van patiënt aan klaagster toegestuurd.
In de
begeleidende e-mail, ook in reactie op herhaaldelijke verzoeken om de situatie en
het behandelplan
te bespreken, heeft verweerster geschreven (alle citaten voor zover van belang en
letterlijk
weergegeven):
“(…) Het zorgplan is wel aangepast toen [patiënt] hier kwam wonen. Het zorgplan
is namelijk iets
anders dan het behandelplan. (…)
Daarna is er in sept weer een wijziging geweest en toen is wederom het zorgplan
aangepast. Dit is
ook gegaan iom [patiënt]. Als jij op de hoogte gesteld wilt worden hiervan dan kun
je dit aangeven
bij [medewerker] en dan zullen we vragen aan [patiënt] of hij hier ook mee akkoord
is. (…)
Het klopt dat jij wettelijk vertegenwoordiger is, ook heel fijn dat je dit bent. [Patiënt]
is nog
niet wilsonbekwaam daarom moeten wij altijd eerst [patiënt] toestemming vragen.
Dit moet ivm de wet
van de privacy. Mocht [patiënt] zijn gekomen in zijn eind fase van dementie is dit
anders. (…)
Een behandelplan is iets anders, dit is een plan wat wordt opgesteld door de
betrokken behandelaars binnen [zorginstelling]. (…) Onze werkwijze binnen met MGT
is dat het
behandelplan geëvalueerd wordt door de behandelaars, die schrijven zelf ene stukje
onder evaluatie.
Het behandelplan wordt in concept opnieuw geschreven na een werkoverleg en de SO
bekijkt dit plan
en past het eventueel nog aan en geeft aan of dit akkoord is. Ook bespreek ik het
concept met
[patiënt]. Na jouw mail heb ik dit besproken binnen ons team en onze SO geeft aan
dat het plan
prima is en dar dit niet aangepast hoeft te worden. Ook de andere behandelaars zijn
het hiermee
eens, en [patiënt] vind het plan ook goed zo. (…)
En het klopt dat er in het behandelplan ook oudere informatie blijft instaan, dit
is ook de
bedoeling want dit is een schrijven van de dingen die we hebben gedaan in de behandeling
van
[patiënt]. Dus dit geeft op deze manier een compleet beeld van de behandelingen
die hij ook heeft
gehad. Dus sorry maar ik ga niet met je zitten om ons behandelplan aan te passen,
want dit is ene
werkdocument en een werkdocument is iets anders dan een zorgplan. (…)”
3.5 Op 13 juni 2024 heeft verweerster een e-mail gestuurd aan klaagster en geschreven:
“Verder
begrijp ik van [patiënt] dat hij een keer heeft gezegd dat hij liever niet heeft
dat je bij de
huisbezoeken ben. Ik was hier niet van op de hoogte, ik dacht dat dit je eigen keus
was. Ik snap
dat je hierdoor informatie mist en zo ook niet goed je verhaal kwijt kan. Mogelijk
kun je nog een
keer met [patiënt] hierover praten. Uiteraard ben je wat mij betreft van harte welkom
als [patiënt]
dit ook goed vind.”
3.6 Op 20 juni 2024 heeft verweerster op verzoek van patiënt een e-mail gestuurd
aan de dochter
van patiënt uit zijn eerdere huwelijk en geschreven:
“Dank je wel voor je mail, ik heb idd [patiënt] gesproken afgelopen vrijdag en as
vrijdag ga ik ook weer naar hem toe.
Ik ben naar je vader gegaan omdat [klaagster] achter zijn rug om de Geriater heeft
gebeld om te
vragen of die de diagnose niet zwaarder wil maken. Tevens is ze naar zijn huisarts
geweest en hier
ook beklaag gedaan dat de diagnose verzwaarderd moet worden en dat hij naar een
verpleeghuis moet.
Verder wil [klaagster] met mij alleen afspreken (en ze heeft de organisatie mee
erbij gehaald , ik
heb bij [patiënt aangegeven dat ik dit niet ga doen. Ik heb aangegeven dat ik niet
achter zijn rug
om met [klaagster] ga praten.
Ik heb verder besproken dat [klaagster] nu [patiënt] zijn wettelijke vertegenwoordiger
is en
benoemd dat [klaagster] dan beslissingen kan nemen voor en over [patiënt] als hij
in de toekomst
misschien niet meer wilsbekwaam is. [patiënt] benoemt dat [klaagster] ziek is in
haar hoofd. Ik heb
gevraagd of het een verstandig idee is om deze wettelijke vertegenwoordiging zo
te houden? Of dat
[klaagster] dit wel kan. Tevens zie ik dat je vader er enorm onder lijd. (…) Mogelijk
kunnen jullie als
kinderen hem helpen om na te denken over de vraag of [klaagster] wel een goede wettelijke
vertegenwoordiger kan zijn. Het is een optie dat een van jullie dit ook kan doen
of evt een onafhankelijke partij (mentor) Persoonlijk denk ik als ik kijk naar [patiënt]
zijn
welbevinden dat het verstandig is om te kijken naar de mogelijkheden voor een mentor
voor
[patiënt]. Ook ivm jullie relatie met [klaagster].”
3.7 Klaagster heeft een klacht over verweerster ingediend bij de zorginstelling.
Er heeft naar
aanleiding daarvan een klachtgesprek plaatsgevonden, waarbij onder meer patiënt
aanwezig was. In
het verslag van het klachtgesprek staat dat is afgesproken dat klaagster, verweerster
en patiënt
hebben afgesproken het behandelplan binnenkort te zullen doornemen en dat patiënt
heeft aangegeven
dat hij niet wil dat klaagster daarna meer taken op zich neemt.
3.8 Patiënt heeft een echtscheidingsprocedure in gang gezet en ten nadele van klaagster
zijn
testament en levenstestament gewijzigd. In een medische verklaring van 5 september
2024 heeft een
specialist ouderengeneeskunde in dit verband beoordeeld dat patiënt te dier zake
wilsbekwaam werd
geacht. In maart 2025 zijn klaagster en patiënt gescheiden. Patiënt is op .....
overleden.
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klaagster verwijt verweerster:
a) het onvolledig en onjuist opstellen van een behandelplan, zonder klaagster daarin
op te nemen
als partner en mantelzorger;
b) het niet informeren en communiceren over het wijzigen van de eerste contactpersoon;
c) het schenden van de geheimhoudingsplicht door vertrouwelijke informatie zonder
toestemming te
delen met derden.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren
in
klachtonderdelen a) en b) en die klachtonderdelen dus niet inhoudelijk te
behandelen. Verweerster heeft het college verzocht klachtonderdeel c) en – voor
het geval het
college die klachtonderdelen inhoudelijk zou beoordelen ook klachtonderdelen a)
en b) – ongegrond
te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De ontvankelijkheid van klachtonderdelen a) en b) het onvolledig en onjuist opstellen
van een
behandelplan en het niet informeren en communiceren over het wijzigen van de eerste
contactpersoon
5.1 Verweerster heeft naar voren gebracht dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk
is in
klachtonderdelen a) en b), omdat zij niet kan worden aangemerkt als rechtstreeks
belanghebbende.
Klaagster heeft naar voren gebracht dat zij moet worden aangemerkt als rechtstreeks
belanghebbende,
omdat hetgeen waarover zij klaagt haar direct raakt en het dusdanige vergaande gevolgen
voor haar
heeft gehad. Klaagster was partner van patiënt. Zij heeft jarenlang als mantelzorger
voor hem
gezorgd en heeft in dat verband nauw samengewerkt met verweerster.
5.2 Het college oordeelt als volgt. Gelet op artikel 65 lid 1 en sub a van de Wet
op de beroepen
in de individuele gezondheidszorg kan klaagster slechts worden ontvangen in haar
klacht als zij kan
worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende. Dit betekent dat sprake moet
zijn van een belang
dat rechtstreeks bij een behandeling op het gebied van de individuele gezondheidszorg
is betrokken.
Hierbij moet allereerst worden gedacht aan een patiënt van een BIG-geregistreerd
zorgverlener. Bij
uitzondering kunnen ook anderen dan de patiënt als rechtstreeks belanghebbenden
worden aangemerkt.
Hierbij kan worden gedacht aan de nabestaande van een overleden patiënt. Het recht
van een
nabestaande om een klacht in te dienen over een medische behandeling van een overleden
patiënt
berust niet op een eigen klachtrecht van die nabestaande, maar op een klachtrecht
dat is afgeleid
van de veronderstelde wil van de patiënt. In beginsel geldt dat de nabestaande geacht
wordt de wil
van de overleden patiënt te vertegenwoordigen, tenzij er sprake is van bijzondere
omstandigheden
die aanleiding geven daaraan te twijfelen.
5.3 In deze zaak is sprake van dergelijke bijzondere omstandigheden. Daarvoor is
redengevend dat
het dossier geen aanknopingspunt bevat om te veronderstellen dat patiënt over het
behandelplan en
het (informeren en communiceren over het) wijzigen van de eerste contactpersoon
wenste te klagen.
Het was immers patiënt zelf die de wijzigingen in het behandelplan en de eerste
contactpersoon in
gang heeft gezet. Hoezeer het college zich realiseert dat dit voor klaagster grote
impact heeft en
heeft gehad op haar persoonlijk leven, maakt dat nog niet dat klaagster als rechtstreeks
belanghebbende moet worden aangemerkt. Dit betekent dat klaagster kennelijk niet-ontvankelijk
is in
klachtonderdelen a) en b). Het college zal deze klachtonderdelen daarom niet inhoudelijk
bespreken
en beoordelen.
De criteria voor de beoordeling van klachtonderdeel c) het schenden van de geheimhoudingsplicht
door vertrouwelijke informatie zonder toestemming te delen met derden
5.4 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundige (casemanager
dementie).
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verweerster geldende beroepsnormen
en
andere professionele standaarden.
5.5 Volgens klaagster heeft verweerster zonder toestemming vertrouwelijke informatie
gedeeld met
een derde, namelijk de dochter van patiënt, door deze derde op 20 juni 2024 een
e-mail te sturen
over de mogelijkheden voor een toekomstige wettelijke vertegenwoordiger voor patiënt.
Verweerster
heeft volgens klaagster informatie verdraaid, suggestief gehandeld in de richting
van de kinderen
van patiënt en klaagster daarmee in een kwaad daglicht gesteld.
5.6 Het college oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld.
Patiënt was ten tijde van het zorgtraject namelijk wilsbekwaam en hij heeft verweerster
verzocht
contact te zoeken met zijn dochters om in gesprek te gaan over een toekomstige wettelijke
vertegenwoordiger. Verweerster heeft aan dat verzoek, zoals zij ook gehouden was
te doen, slechts
gehoor gegeven. Verweerster heeft klaagster niet in een kwaad daglicht gesteld of
willen stellen,
noch heeft verweerster informatie verdraaid of suggestief gehandeld.
Slotsom
5.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klaagster niet-ontvankelijk is in klachtonderdelen
a)
en b). De klacht is voor het overige kennelijk ongegrond.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klaagster kennelijk niet-ontvankelijk in klachtonderdelen a) en b);
- verklaart de klacht voor het overige kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door E.C.M. de Klerk, voorzitter, M. IJzerman en C.E.B.
Driessen,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door G.J. Stoepker, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken op
17 juni 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.