ECLI:NL:TGZRSHE:2026:109 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8991
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:109 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-06-2026 |
| Datum publicatie: | 17-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8991 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen arts, destijds ANIOS, werkzaam op afdeling traumachirurgie. Zoon van overleden patiënte dient klacht in over het niet adequaat en niet zorgvuldig functioneren tijdens laatste levensuren van patiënte, waaronder het niet opvolgen van gemaakte afspraken over pijnbestrijding/palliatieve sedatie. Snelle verslechtering patiënte na operatie pols. Kwetsbare patiënte bij wie stervensproces al was ingezet. Handelen conform Zorgpad stervensfase. Overleg met supervisor en met palliatief advies team. Duidelijk en zorgvuldig bijgehouden dossier. Continuïteit en betrokkenheid in de zorg voor patiënte. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 17 juni 2026 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
tegen
[C],
arts, destijds ANIOS
destijds werkzaam in [D],
verweerster, hierna ook: ANIOS
gemachtigde: mr. S.J. Muntinga, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 De moeder van klager (hierna: patiënte) werd vanwege een open polsfractuur
in mei 2025
opgenomen in het ziekenhuis waar verweerster werkzaam was als arts niet in opleiding
tot specialist
(hierna: ANIOS). Na een operatie aan haar pols ging de algehele gezondheid van patiënte
snel
achteruit en is zij enkele dagen later in het ziekenhuis overleden. Klager verwijt
verweerster niet
adequaat en niet zorgvuldig te hebben gefunctioneerd tijdens de laatste levensuren
van patiënte.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 15 september 2025;
- de brief van 29 september 2025 van de secretaris aan klager;
- het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 6 oktober 2025;
- het verweerschrift, ontvangen per e-mail op 27 november 2025 en ontvangen per
post op 2 december
2025;
- de repliek, ontvangen op 31 december 2025;
- de dupliek, ontvangen op 28 januari 2026.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Patiënte (geboren in 1933) werd vanwege een polsfractuur op 2 mei 2025 via
de afdeling
Spoedeisende Hulp (SEH) van het ziekenhuis opgenomen op de afdeling Traumachirurgie
waar
verweerster als ANIOS werkzaam was. Een chirurg was de hoofdbehandelaar van patiënte
(hierna: de
hoofdbehandelaar).
3.2 Vanwege de snelle verslechtering van patiënte vond op dinsdag 6 mei 2025 een
gesprek plaats
tussen patiënte, de familie, de hoofdbehandelaar, een verpleegkundige en verweerster.
Omdat
patiënte geen behandeling meer wenste, werd besloten te starten met het ziekenhuisprotocol
‘Zorgpad
stervensfase’ (hierna: het protocol).
3.3 Omdat het palliatief advies team van het ziekenhuis niet meer bereikbaar was
na afloop van
het familiegesprek, is op initiatief van verweerster diezelfde avond nog een order
geplaatst voor
een consult van het palliatief advies team.
3.4 Verweerster noteerde op 6 mei 2025 in het dossier dat in overleg met de afdeling
Geriatrie
morfine aan patiënte zou worden gegeven (alle citaten hierna zijn letterlijk overgenomen,
inclusief
eventuele schrijf- of typefouten):
“ - start met 2.5mg subcutaan bolus subcutaan
- indien binnen een uur nog een bolus nodig, dan bolussen ophogen naar 5mg
- indien meer dan 3 giften nodig in 12 uur, dan start morfinepomp (…)”
3.5 De geraadpleegde arts van de afdeling Geriatrie noteerde als telefonisch gegeven
advies,
naast het hiervoor gegeven advies over het medicatiebeleid:
“ - geriatrie kan betrokken blijven voor palliatieve begeleiding (…)
- Advies om anders eerst met ons te overleggen indien comfort met bovenstaand beleid
niet bereikt
wordt.
- midazolam in principe pas inzetten indien morfine onvoldoende effect blijkt of
klachten refractair blijven.”
3.6 Uit het verpleegkundig verslag volgt dat patiënte in de avond comfortabel was.
3.7 Op 7 mei 2025 was verweerster niet werkzaam op de afdeling. Het palliatief advies team
is die dag niet
bij patiënte geweest.
3.8 Op 8 mei 2025 was verweerster zaalarts van de afdeling waar patiënte lag. Vanwege
de drukte
op de afdeling verzocht zij een collega van de afdeling SEH (hierna: de collega)
om enkele visites
voor haar af te leggen. Op enig moment sloot verweerster aan bij het gesprek van
de collega met de
familie op de kamer van patiënte. Naar aanleiding van deze visite noteerden verweerster
en de
collega in het dossier: ”N.a.v. ochtendvisite, waarbij familie meermaals aangeeft
te ervaren dat
hun moeder onrustig is en pijn lijdt, contact gehad met palliatief advies team.
Casus uitvoerig
besproken en samen tot de conclusie gekomen dat er momenteel geen sprake is van
refractaire
symptomen. Morfine continu en bolus in overleg naar 2mg gezet. Afgesproken dat bij
angst en onrust
een bolus midazolam gegeven kan worden, maar nog geen indicatie voor starten met
continue
palliatieve sedatie.
3.9 Aan het eind van de ochtend sprak verweerster opnieuw met de familie. In dit
gesprek verzocht
de familie om een second opinion ten aanzien van de palliatieve sedatie. De familie
gaf aan al met
een huisarts en een advocaat hierover contact te hebben gehad. Ook wenste de familie
een andere
zaalarts. Verweerster noteerde in het dossier:
“(…) Om 12:00 op de afdeling met zoon en 2 dochters van mevrouw gesproken. (…) Aangegeven
dat we
bolussen midazolam kunnen geven indien nodig bij angst, maar nog geen sedatie. Familie
geeft
duidelijk aan het hier niet mee eens te zijn. Geven aan dat het dinsdag anders afgesproken
zou zijn
met dr. [naam hoofdbehandelaar], en dat we zouden starten met sedatie middels midazolam.
Daarnaast
zou dr. [naam collega] vanochtend hebben gezegd dat we zouden gaan starten met midazolam.
Echter
kunnen wij beide aangeven (waren beide aanwezig bij de visite) dat dit niet het
geval is. Geven
daarnaast aan uit onvrede contact te hebben gehad met huisarts en een advocaat,
en een second
opinion willen m.b.t. de palliatieve sedatie. (…) Hierop geef ik aan dat mw aan
het sterven is, en
langzaam aan het wegzakken is. Aangegeven dat (…) maar dat we nog geen indicatie
hebben voor
sedatie. Worden dreigend en eisend in het gesprek, waarop ik aangeef dat ik de toon
van het huidige
gesprek niet oké vindt. Familie reageert hier afwijzend op, willen daar op dit moment
niet over in
gesprek gaan.”
Verweerster noteerde later als aanvulling: “NB: Via zowel mij als dr [naam superviserend
traumachirurg] is er meermaals contact geweest met het palliatief team met dringend
verzoek tot
beoordeling en fysiek t.a.v. midazolam. Hebben meermaals aangegeven dat de consulent
(P.A. i.o)
geen achterwacht had en liever de dag erna wilde komen beoordelen. Na meermaals
contact
uiteindelijk besloten dat Dr. [naam arts van palliatief team] patiënte zou komen
beoordelen.(…)”.
3.10 Van het telefoongesprek met de superviserend traumachirurg, noteerde het palliatief
advies
team, afgezien van het advies inzake het medicatiebeleid, in het dossier:
“ Het volgende advies komt naar voren:
- Voor nu is er nog geen sprake refractair symptoom, waardoor nu nog niet opstarten
met continue
palliatieve sedatie.
- Echter kan er voor het reutelen wel Morfine opgehoogd worden volgens protocol.
(…).
- Uitzuigen bij reutelen heeft geen zin. (…)”
3.11 In het verpleegkundig verslag staat vermeld:
“13:45u: Dr. [naam verweerster] belt: Na verzoek familie en p/o dr.[superviserend
traumachirurg]
eenmalig bolus morfine gegeven. Collega heeft bolus gegeven. Mijns inziens momenteel
niet
oncomfortabel. Familie lijkt hiermee wel wat gerustgesteld.
15:30u: Mw is meer aan het reutelen. Verzoek familie om toch uit te zuigen. Nogmaals
nadelen
hiervan benoemd. Willen dit toch erg graag even aan. Collega heeft met familie afgesproken
om dit
één keer te doen. Weten dat het reutelen hierna mogelijk nog erger gaat worden.
Geadviseerd om mw
op de zij te helpen aangezien dit ook kan helpen. Willen toch eerst uitzuigen. Op
de zij zou te
belastend zijn voor mw. Collega heeft 1x oppervlakkig wat slijm uitgezogen, maar
slijm zit veel
dieper dus mw reutelt nog. Nogmaals aangeboden om mw op de zij te helpen. Willen
dit nu niet. (…)
16.30u: Toen familie naar ons toe kwam in paniek was mevr meer aan het reutelen.
(…) Familie vroeg
om op de zij te leggen om mogelijk het slijm weg te krijgen. Mevr op de linker zij
proberen te
leggen. Tijdens het draaien gaf mevr grimas van de pijn (…). Eenmaal op de zij is
de medicatie
gegeven en werd mevr rustiger. Wel werd met de tijd het slijm erger. (…) 16:50u
familie kwam naar
me toe en waren in paniek en zeiden dat mevr stikte. (…) Familie wilde haar op de
rug hebben en
vonden het toch niet goed dat ze op haar zij is gelegd en daardoor ook pijn heeft
ervaren.(…) Toen
mevr op haar rug lag werden de ademhalingen minder consequent en hoorde ik veel
gereutel. Hierbij
benoemd dat dit wel de laatste
ademhalingen kunnen zijn.(…)”
3.12 Patiënte overleed om 17.15 uur. De familie gaf bij de verpleging aan dat ze
verweerster niet
meer wilde zien.
3.13 De familie diende bij het ziekenhuis een klacht in tegen verweerster. Onder
leiding van de
klachtenbemiddelaar van het ziekenhuis vond op 19 augustus 2025 een gesprek plaats
waarbij vier
familieleden, verweerster, de collega van de SEH en de hoofdbehandelaar aanwezig
waren. Dit gesprek
leidde niet tot een oplossing.
4. De klacht en de reactie van de ANIOS
4.1 Klager verwijt verweerster niet adequaat en zorgvuldig functioneren tijdens
de laatste
levensuren van patiënte, door:
1) het niet opvolgen van gemaakte afspraken over pijnbestrijding/palliatieve sedatie;
2) het geven van een tegenstrijdige en mogelijk onvolledige weergave van de gebeurtenissen;
3) het onvoldoende toezien op continuïteit en kwaliteit van zorg na vermeende overdracht;
4) het handelen en nalaten dat direct heeft geleid tot een acute verslechtering
van de toestand van
patiënte, ondanks herhaalde waarschuwingen van familieleden.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende ANIOS. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de ANIOS geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
Dat een
zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk
verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk
zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Het college oordeelt dat de verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdeel 1) het niet opvolgen van afspraken over pijnbestrijding/palliatieve
sedatie
5.3 Klager stelt dat de hoofdbehandelaar tijdens het gesprek van 6 mei 2025 had
besloten met
palliatieve sedatie te starten maar dat verweerster dat heeft tegengehouden. Daarnaast
verzocht
klager meerdere malen om adequate pijnstilling en/of slaapmedicatie voor patiënte,
maar verweerster
weigerde dat aan haar te geven.
5.4 Verweerster stelt zich op het standpunt dat zij pijnbestrijding noch palliatieve
sedatie
heeft tegengehouden. Tijdens het gesprek van 6 mei 2025 is besloten om te starten
met het Zorgpad
Stervensfase. Palliatieve sedatie was op dat moment nog niet aan de orde. De hoofdbehandelaar
heeft
de familie tijdens dat gesprek wel informatie verstrekt over palliatieve sedatie.
Er is volgens
protocol uit het zorgpad gestart met morfine als pijnstilling. Omdat er bij de familie
onrust en
frustratie bestond over de situatie van patiënte maar er nog geen refractaire symptomen
waren,
heeft verweerster geprobeerd het palliatief advies team te bereiken. Dit specialistische
team zou
advies en begeleiding kunnen geven of onderzoeken of er wellicht mogelijkheden waren
om van het
protocol af te wijken. Verweerster heeft vervolgens aangeboden om patiënte bolussen
midazolam te
geven, zodat patiënte rustiger zou worden en goed kon slapen.
5.5 Het college kan niet vaststellen dat tijdens het gesprek van 6 mei 2025 besloten
was te
starten met palliatieve sedatie door middel van het aansluiten van een midazolampomp.
Nog
daargelaten dat klager deze stelling niet of onvoldoende heeft onderbouwd en verweerster
deze
stelling gemotiveerd betwist heeft, biedt het dossier daarvoor ook geen enkel aanknopingspunt.
Er
was op 6 mei 2025 geen reden om af te wijken van het protocol dat voorschrijft om
eerst morfine toe
te dienen en daarna pas midazolam. Omdat de familie bleef aandringen op palliatieve
sedatie en
verweerster vanwege de discussie die ontstond hulp wenste van collega’s, heeft zij
bij herhaling het palliatief
advies team in consult gevraagd en haar supervisor verzocht met de familie te praten.
Verweerster werd
geadviseerd onder deze omstandigheden niet van het protocol af te wijken. Deze adviezen
zijn in het medisch
dossier vastgelegd. Verweerster heeft nog aangeboden om patiënte bij onrust en angst
een bolus midazolam te
geven. Van het tegenhouden van pijnbestrijding of een midazolam bolus is geen sprake.
Het college
kan niet anders dan vaststellen dat verweerster zorgvuldig en conform het protocol
heeft gehandeld
en dat haar beleid navolgbaar was. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 2) tegenstrijdige/onvolledige weergave van gebeurtenissen
5.6 Klager doelt op het bemiddelingsgesprek van 19 augustus 2025 waarin verweerster
verslag deed
van de gebeurtenissen op 8 mei 2025. Volgens klager zou de weergave van verweerster
op meerdere
punten afwijken van de waarnemingen van de aanwezige familieleden.
5.7 Verweerster stelt zich op het standpunt dat zij altijd eenduidig en transparant
is geweest in
haar toelichting. Zij heeft tijdens het gesprek op 19 augustus 2025 vrijwel geen
gelegenheid
gekregen om haar versie van de gebeurtenissen te vertellen. Verweerster herkent
zich niet in de
lezing die klager geeft van dit gesprek en betwist deze lezing.
5.8 De lezingen van partijen over wat in het gesprek van 19 augustus 2025 precies
is gezegd en
gebeurd, lopen uiteen. Waar het woord van de ene partij tegenover dat van de andere
partij staat,
geldt in beginsel het volgende. Als uit andere bronnen geen steun voor het een of
andere standpunt
gevonden kan worden, zal het college de feiten niet met voldoende mate van zekerheid
kunnen
vaststellen. Dit zal in die gevallen leiden tot ongegrondverklaring van het betreffende
klachtonderdeel.
5.9 In dit geval is echter sprake van een duidelijk en zorgvuldig bijgehouden dossier
waardoor
het beloop van de behandeling van patiënte goed te volgen is. Duidelijk is welke
stappen zijn gezet
vanaf het moment waarop besloten werd te starten met het protocol. Voor het college
staat vast dat
verweerster zich steeds heeft ingespannen om patiënte, in lijn met het protocol,
de juiste zorg te
bieden. Ook heeft zij oog gehad voor de wens van de familie om meer of andere medicatie.
Het
college stelt vast dat het verweer van verweerster door de notities van collega’s,
verpleegkundigen
en palliatief advies team wordt ondersteund. Het college twijfelt niet aan de juistheid
van de
aantekeningen van verweerster en van andere zorgverleners in het dossier. Ook in
dat opzicht is dit
klachtonderdeel kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 3) onvoldoende toezien op continuïteit en kwaliteit van zorg na overdracht
5.10 Als toelichting op dit klachtonderdeel stelt klager dat verweerster in de
middag van 8 mei
2025, bij het verlaten van de kamer van patiënte, heeft gezegd de zorg te hebben overgedragen
aan
haar supervisor. Na het vertrek van verweerster nam de zorgverlening aan patiënte sterk
af.
5.11 Verweerster stelt dat er geen overdracht heeft plaatsgevonden. Verweerster was
die dag de
zaalarts. De familie wenste een andere zaalarts, maar dat was niet mogelijk. Omdat
de familie
dreigend en eisend werd, nam verweerster contact op met haar supervisor die haar
adviseerde beter
niet meer bij de kamer van de familie binnen te gaan. Verweerster heeft toen het
palliatief advies
team met spoed opnieuw benaderd. Ook heeft zij meermaals toegezien op toediening
van extra morfine
dan wel het ophogen van de pomp. Er was sprake van continuïteit en betrokkenheid
in de zorg voor
patiënte. Verweerster betwist dat de zorg voor patiënte sterk afnam nadat er discussie
ontstond
tussen haar en de familie.
5.12 Het college kan niet vaststellen dat verweerster de zorg voor patiënte heeft
overgedragen.
Evenmin kan het college vaststellen dat op enig moment de zorgverlening aan patiënte
sterk afnam.
Klager heeft zijn stelling op dit punt niet of onvoldoende onderbouwd. Het standpunt
van
verweerster wordt daarentegen door het dossier ondersteund. Voor het college staat
vast dat de
familie de nodige druk op verweerster uitoefende door een andere zaalarts en een
second opinion te
eisen en daarbij te benoemen dat er al contact was geweest met een huisarts en een
advocaat. Deze
houding heeft niet bijgedragen aan een prettig verloop van de communicatie. Verweerster
heeft
geantwoord dat het niet mogelijk was een andere zaalarts te betrekken en heeft direct
contact met
haar supervisor gezocht met het verzoek naar patiënte en de familie te gaan. Ook
heeft zij nogmaals
geprobeerd het palliatief advies team met spoed naar patiënte te sturen. Hieruit
volgt dat
verweerster de kwaliteit van zorg voor patiënte steeds heeft nagestreefd. Ook dit
klachtonderdeel
is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel 4) het handelen/nalaten leidde tot acute verslechtering
5.13 Als toelichting stelt klager dat verweerster aan twee verpleegkundigen de
opdracht gaf om
patiënte op haar zij te draaien en dat verweerster vervolgens van de kamer vertrok.
De familie vond
het draaien op de zij niet verantwoord en ondanks de waarschuwingen van de dochter
van patiënte
werd de instructie uitgevoerd. Hierdoor raakte patiënte in acute ademnood en overleed
zij.
5.14 Verweerster voert aan dat toen zij zag dat patiënte onrustig was, zij de familie
voorstelde
één poging te doen om patiënte op haar zij te draaien. Wellicht zou dit patiënte
comfort geven. De
onrust van patiënte was ontstaan nadat, op meermaals aandringen van de familie en
ondanks bezwaren
van de verpleging, een poging was gedaan tot uitzuigen bij het reutelen. Een van
de dochters van
patiënte stemde in met het voorstel van verweerster, waarna de verpleging patiënte
op haar zij
draaide. Op het moment van draaien verliet verweerster de kamer omdat zij gebeld
werd over een
andere patiënt. Vervolgens was verweerster aanwezig bij de overdracht van patiënten
aan de
avonddienst. Tijdens die overdracht werd verweerster door de verpleging gebeld dat
patiënte was
overleden.
5.15 Het college stelt voorop dat sprake was van een zeer kwetsbare patiënte bij
wie het
stervensproces al was ingezet. Niet voor niets was op 6 mei 2025 besloten het protocol
‘Zorgpad
stervensfase’ te volgen. Uit het feit dat patiënte in de middag van 8 mei 2025 niet
(meer)
aanspreekbaar was en al reutelde, volgt dat zij al stervende was. Er is steeds gekeken
of patiënte
comfortabel was. Op momenten van onrust werd opnieuw gezocht naar comfort voor patiënte.
5.16 In het verpleegkundig verslag van 8 mei 2025 wordt om 15.30 uur beschreven dat
de familie
aandrong op uitzuigen maar dat dit door de verpleging werd afgeraden. Ondanks dat
de nadelen van
het uitzuigen werden benoemd, hield de familie vast aan hun verzoek. Ook wordt beschreven
dat de
familie niet instemde met het voorstel van de verpleegkundige om patiënte op de
zij te draaien. Na
het uitzuigen werd patiënte onrustiger. Vervolgens stelde verweerster voor een poging
te doen tot
het draaien op de zij, met als doel het opnieuw zoeken naar comfort voor patiënte.
Dat een van de
familieleden met dit voorstel van verweerster instemde, wordt bevestigd in het verpleegkundig
verslag om 16.30 uur. Patiënte werd op de zij gelegd. Omdat patiënte kort daarna
benauwd werd en
haar situatie verslechterde, verzocht de familie om patiënte weer op haar rug te
leggen.
5.17 Dat de situatie van patiënte aan het eind van de middag verslechterde, kan verweerster
niet
worden verweten. Patiënte was al aan het sterven. Het draaien op de zij heeft geen
invloed gehad op
het overlijden van patiënte. Naar het oordeel van het college heeft verweerster
niets anders gedaan
dan het zoeken naar comfort voor patiënte onder de moeilijke omstandigheid, zoals
onder meer
beschreven in het verpleegkundig verslag, dat zij te maken had met familie die het
niet met elkaar
eens was wat patiënte het meeste comfort zou geven. Dit klachtonderdeel is eveneens
kennelijk
ongegrond.
Slotsom
5.18 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door T. Dohmen, voorzitter, M.E.B. Morsink en M.H.M. Bender,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.W.M. Hillenaar, secretaris, en in het openbaar
uitgesproken
op 17 juni 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.