ECLI:NL:TGZRSHE:2026:108 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8873
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2026:108 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-06-2026 |
| Datum publicatie: | 16-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | H2025/8873 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht tegen kno-arts, tevens bestuurder van het ziekenhuis. Klager verwijt verweerder dat hij zorgweigering door een oogarts uit het ziekenhuis waarvan hij bestuurder is heeft gedoogd, het recht op vrije artsenkeuze blokkeert en geen herstelmaatregelen heeft genomen. Klager maakt naar oordeel van de voorzitter misbruik van zijn klachtrecht, omdat hij eerder een klacht met op hoofdlijnen dezelfde inhoud heeft ingediend en uit zijn uitlatingen op sociale media blijkt dat hij de tuchtprocedure inzet om verweerder doelbewust te schaden en te belasten. Daarnaast valt het handelen van verweerder, dat bestond uit het opstellen en ondertekenen van een brief in zijn hoedanigheid van bestuurder, niet onder het bereik van de eerste of tweede tuchtnorm. Klager is kennelijk niet-ontvankelijk in zijn klacht. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Voorzittersbeslissing van 27 mei 2026 op de klacht van:
[A]
wonende in [B],
klager,
gemachtigde: mr. C.A.M.J.M. Joosten, werkzaam in Venlo
tegen:
[C]
kno-arts, werkzaam in [B], verweerder,
Gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek, werkzaam in Utrecht
1. De procedure
De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 5 augustus 2025;
- de bijlagen, ontvangen van klager op 16 oktober 2025;
- de brief van 24 oktober 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van klager;
- de e-mail 26 november 2025 van de gemachtigde van klager;
- de brief van 3 december 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van klager;
- de brief van de gemachtigde van klager, ontvangen op 17 december 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 6 maart 2026.
2. Wat is er gebeurd?
2.1 Verweerder is kno-arts en bestuurder van het [ziekenhuis] (hierna te noemen:
het ziekenhuis).
Klager is in oktober 2023 door zijn huisarts doorverwezen naar het ziekenhuis vanwege
oogproblematiek. De polikliniek oogheelkunde heeft klager uitgenodigd voor twee
afspraken. In een
e-mail van 25 november 2023 reageerde klager daarop dat hij zich niet kon vinden
in de eenzijdig
ingeplande afspraken. Hij wenste een afspraak bij [oogarts 1] of [oogarts 2] op
woensdag-,
donderdag- of vrijdagmiddag op of na 13:30 uur. Dit was echter voor deze oogartsen
niet mogelijk.
2.2 In e-mails van 17 april en 17 mei 2024 liet klager opnieuw aan de polikliniek
oogheelkunde
weten dat hij graag een afspraak zou maken bij [oogarts 1], liefst eind augustus
of anders eind
juli op woensdag-, donderdag- of vrijdagmiddag op of na 14:00 uur. In een e-mail
van 22 mei 2024 heeft de polikliniek oogheelkunde laten weten dat binnen de door klager
gestelde kaders geen afspraak kon worden gemaakt bij [oogarts 1]. Ook een afspraak
bij [oogarts 2] was niet mogelijk.
Haar poliassistente (die daarover geen afstemming had gehad met [oogarts 2]) berichtte
klager dat
[oogarts 2] geen behandelovereenkomst met klager wenste aan te gaan. De klachtenfunctionaris
van
het ziekenhuis heeft klager in een e-mail van 28 mei 2024 uitgelegd dat geen sprake
was van een
formele weigering, maar dat op basis van de gevraagde data en tijden ook bij [oogarts
2] geen
afspraak kon worden gemaakt.
2.3 Klager heeft over de gang van zaken zijn onvrede geuit. De klachtenfunctionaris
besprak met
de gemachtigde van klager de mogelijkheid van een gesprek met verweerder. Klager
liet op 16 juli
2024 weten dat hij een gesprek niet meer mogelijk achtte. Klager kondigde aan verweerder
te
dagvaarden en een tuchtklacht in te dienen.
2.4 In een brief van 2 september 2024 heeft de gemachtigde van klager het ziekenhuis
verzocht om
opnieuw in contact te komen om een afspraak te plannen.
2.5 In een brief van 16 september 2024 heeft verweerder in zijn hoedanigheid als
bestuurder van
het ziekenhuis de gemachtigde van klager geïnformeerd dat klager gerust telefonisch
contact kan
opnemen met de polikliniek om een afspraak te maken bij [oogarts 1]. Een afspraak
bij [oogarts 2]
achtte verweerder niet raadzaam, omdat klager inmiddels aangifte had gedaan tegen
haar.
2.6 In een brief van 30 september 2024 liet klager weten dat hij de aangifte niet
intrekt, de
procedures tegen [oogarts 2] voortzet en ook acties inzet jegens verweerder. In
een brief van
20 februari 2025 heeft de gemachtigde van klager aangegeven zich niet te kunnen
verenigen met het
aanbod van verweerder. Hij wenst formeel excuses en een geldelijke vergoeding. In
een brief van 19
maart 2025 heeft de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis aansprakelijkheid
afgewezen.
3. De klacht en de reactie van verweerder
3.1 Klager verwijt verweerder dat hij:
a) structurele weigering van zorg door [oogarts 2] heeft gedoogd, ondanks het ontbreken
van enige
deugdelijke motivering daarvoor;
b) het recht op vrije artsenkeuze blokkeert door deze houding;
c) geen herstelmaatregelen heeft genomen of geïnitieerd;
d) daarmee bijdraagt aan een situatie waarin aantasting van zijn eer en goede naam
plaatsvindt.
3.2 Verweerder heeft verzocht klager (kennelijk) niet-ontvankelijk te verklaren
in zijn klacht en
die dus niet inhoudelijk te behandelen. Als het college de klacht wel inhoudelijk
behandelt, heeft
verweerder verzocht die (kennelijk) ongegrond te verklaren.
3.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
4. De overwegingen van de voorzitter
Ontvankelijkheid
4.1 Verweerder heeft naar voren gebracht dat klager niet-ontvankelijk is omdat
hij misbruik maakt
van het recht om een tuchtklacht in te dienen en omdat het handelen van verweerder
niet onder het
bereik van de eerste of tweede tuchtnorm valt.
4.2 De voorzitter overweegt als volgt. Op grond van artikel 3:13, eerste lid, van
het Burgerlijk
Wetboek (hierna: BW) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze niet inroepen
voor zover hij
deze misbruikt. Op grond van het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden
misbruikt door
haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander
doel dan waarvoor
zij is verleend of ingeval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen
het belang bij de
uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot
die uitoefening
had kunnen komen. Op grond van artikel 3:15 van het BW vindt artikel 3:13 toepassing
buiten het
vermogensrecht, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
Deze
artikelen brengen met zich dat de bevoegdheid om een klacht tegen een BIG-geregistreerde
zorgverlener in te dienen niet kan worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid
wordt misbruikt.
Deze artikelen verzetten zich daarom tegen inhoudelijke behandeling van een tuchtklacht
die
misbruik van recht behelst en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring
daarvan.
4.3 De voorzitter is van oordeel dat klager in onderhavig geval zijn bevoegdheid
een klacht in te
dienen misbruikt. Daarvoor is in de eerste plaats redengevend dat klager eerder
een klacht tegen
verweerder heeft ingediend waarin hij al onvrede uitte over de (in zijn ogen) zorgweigering
door de
polikliniek oogheelkunde en [oogarts 2]. Destijds maakte klager verweerder daarover
nog geen
verwijt, maar in onderhavige klacht wél. Het tuchtrecht is echter niet bedoeld om
onbeperkt ruimte
te geven aan klagers om hun onvrede over telkens opnieuw, in iets andere vorm maar
met op
hoofdlijnen dezelfde klacht, aan de orde te stellen. Door de onderhavige klacht
in te dienen, maakt
klager niet in redelijkheid gebruik van het hem toekomende recht een klacht in te
dienen en maakt
hij misbruik van recht.
4.4 In de tweede plaats is voor de conclusie dat klager zijn bevoegdheid een klacht
in te dienen
misbruikt redengevend dat hij die bevoegdheid inzet met het doel verweerder te schaden
dan wel met
een ander doel dan waarvoor hem die bevoegdheid is gegeven. De voornoemde eerdere
klacht is
namelijk door de voorzitter bij beslissing van 23 april 2025 (ECLI:NL:TGZRSHE:2025:54)
kennelijk
niet-ontvankelijk verklaard, omdat het handelen waarover klager klaagde niet viel
onder de eerste
of tweede tuchtnorm. Het door klager ingestelde verzet tegen deze beslissing is
door het Centraal
Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg op 22 september 2025 (ECLI:NL:TGZCTG:2025:159)
ongegrond
verklaard. Klager schreef op 7 oktober 2025 over deze procedure op Facebook ‘enorm
tevreden’ te
zijn, omdat hij verweerder anderhalf jaar lang bezig heeft gehouden en verweerder
zich zelfs heeft
moeten laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Hij schreef ook dat dit verweerder
vaker te
wachten staat, als deze klager iets in de weg legt. Klager benoemt ook dat de klacht
niet ongegrond
is verklaard en hij dus nog andere rechtsmiddelen heeft. Omdat nog geen sprake is
van verjaring
houdt klager de zaak naar eigen zeggen aan. Daarmee zet hij naar eigen zeggen verweerder
buiten
spel en tast hij zijn gezag aan.
Klager ‘laat dit dus genoegzaam boven [verweerders] hoofd hangen’. Daaruit blijkt
dat, zoals
verweerder terecht heeft bepleit, klager verweerder doelbewust heeft willen schaden
en belasten
met een tuchtprocedure. Daarvoor is het tuchtrecht niet bedoeld.
4.5 Los van het voorgaande volgt de voorzitter verweerder in zijn verweer dat zijn
handelen
waarover klager klaagt niet valt onder het bereik van de eerste of tweede tuchtnorm.
Verweerder
heeft klager nimmer behandeld en ook nimmer beslissingen genomen met betrekking
tot de
geneeskundige behandeling van klager. Van handelen dat weliswaar niet is begaan
binnen de
behandelrelatie, maar dat wél een gevaar voor de patiënt kan opleveren of het vertrouwen
in de
beroepsuitoefening ernstig kan schaden is evenmin sprake. Verweerder heeft de brief
van
16 september 2024 opgesteld en namens de Raad van Bestuur van het ziekenhuis ondertekend.
De
voorzitter is met verweerder van oordeel dat voor de inhoud van die brief geen medische
deskundigheid is vereist en dat deze brief is geschreven en ondertekend in verweerders
hoedanigheid
van bestuurder van het ziekenhuis. Opstellen en ondertekenen had ook kunnen geschieden
door een
niet-BIG-geregistreerde collega-bestuurder.
Slotsom
4.6 De conclusie van het voorgaande is dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is
in zijn klacht.
5. De beslissing
De voorzitter:
- verklaart klager kennelijk niet-ontvankelijk in zijn klacht.
Aldus gedaan op 27 mei 2026 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk, voorzitter,
in
tegenwoordigheid van G.J. Stoepker, secretaris.