ECLI:NL:TGZRSHE:2025:98 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/6779
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:98 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-08-2025 |
| Datum publicatie: | 20-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/6779 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | De huisarts heeft op grond van de inhoud van het medisch dossier van klager mogen oordelen dat klager geen beperkingen had voor het verrichten van arbeid in de PI waar klager verblijft. Kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 24 juni 2025 op de klacht van:
[A],
verblijvende in [B],
klager,
tegen
[C],
huisarts werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de huisarts.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager was gedetineerd in een penitentiaire inrichting, hierna de PI. Verweerder
is als
huisarts verbonden aan de PI. Klager verwijt verweerder dat hij niets heeft ondernomen
nadat klager
hem rugklachten had gemeld. Ook heeft verweerder de PI verklaard dat er geen beperkingen
waren met
betrekking tot het verrichten van arbeid.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 4 januari 2024;
- het verweerschrift;
- de brief van 27 mei 2024 van de secretaris aan verweerder;
- aanvullende stukken, ontvangen van klager op 11 juli 2024;
- het aanvullend verweerschrift;
- de rapportage, ontvangen van klager op 20 augustus 2024;
- de repliek, ontvangen op 27 januari 2025;
de brief van 11 februari 2025, ontvangen van verweerder op 6 maart 2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager was gedetineerd in een penitentiaire inrichting, hierna de PI. Daar
heeft hij zich bij
de medische dienst gemeld in verband met rugklachten. Verweerder, die als huisarts
medische zorg
verleent aan gedetineerden in de PI, heeft klager daar tijdens zijn spreekuur gezien.
3.2 Klager meldde zich met rugklachten. Daarbij gaf klager aan dat hij meende dat
er beperkingen
voor hem waren voor het verrichten van arbeid.
3.3 Verweerder heeft klager meegedeeld dat hij geen beperkingen zag voor het verrichten
van
arbeid.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klager verwijt verweerder niets te hebben ondernomen nadat klager rugklachten
had gemeld. Ook
heeft verweerder aan de PI verklaard dat er geen beperkingen waren met betrekking
tot het
verrichten van arbeid.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts.
5.2 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld. Hierna
zal het college toelichten hoe het tot dit oordeel is gekomen.
5.3 Klager heeft zich bij de huisarts gemeld met rugklachten. De huisarts heeft
deze klachten
gehoord en serieus genomen. De huisarts heeft het medisch dossier van klager beoordeeld.
Daarin
bevonden zich uitslagen van onderzoeken uit twee ziekenhuizen. De huisarts is van
deze uitslagen
uitgegaan en heeft klager met inachtneming van deze uitslagen positief geadviseerd
over de
mogelijkheid deel te nemen aan het werk. Daarnaast heeft hij het verzoek van klager
om
fysiotherapie te krijgen gehonoreerd.
5.4 Het college oordeelt dat niet vastgesteld kan worden dat de huisarts niets of
onvoldoende
heeft ondernomen nadat klager zich met rugklachten had gemeld en dat de huisarts
aan de hand van de
omschrijving in het medisch dossier van klager mocht oordelen en verklaren dat er
geen beperkingen
waren voor klager voor het verrichten van arbeid.
Slotsom
5.5 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door J. Iding, voorzitter, E. Jansen en N.B. van der Maas,
leden-
beroepsgenoten, bijgestaan door I.F. Schouwink, secretaris, en in het openbaar uitgesproken
door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 20 augustus 2025.