ECLI:NL:TGZRSHE:2025:97 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2023/6720
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:97 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-08-2025 |
| Datum publicatie: | 20-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2023/6720 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klager klaagt erover dat de huisarts naproxen naast diclofenac heeft voorgeschreven zonder klager daarover te informeren. Klacht kennelijk ongegrond, omdat uit het aan de huisarts ter beschikking staande medisch dossier bleek dat de medicatie van diclofenac was gestopt, terwijl – naar later bleek - die beëindiging niet was doorgevoerd. Adequate reactie na ontdekking. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 24 juni 2025 op de klacht van:
[A],
verblijvende in [B],
klager,
tegen
[C],
huisarts werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de huisarts.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager was gedetineerd in een penitentiaire inrichting, hierna de PI. Verweerder
is als
huisarts verbonden aan de PI. Klager verwijt verweerder, wiens spreekuur hij bezocht
voor aften,
naproxen te hebben voorgeschreven en het voorschrijven en verstrekken van diclifenac
zonder klager
daarover te informeren te hebben gestopt.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 18 december 2023;
- het verweerschrift;
- de repliek van 11 december 2024, ontvangen op 2 januari 2025;
- de dupliek van 29 januari 2025, ontvangen op 3 februari 2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager was gedetineerd in een penitentiaire inrichting, hierna de PI. Verweerder
is als
huisarts verbonden aan de PI. Op vrijdag 14 oktober 2022 is klager door de huisarts
gezien
vanwege aften, die voor klager zeer pijnlijk waren. De huisarts heeft naproxen voorgeschreven.
De
apotheker die de medicatie aan klager diende te verstrekken heeft dezelfde dag aan
de justitieel
verpleegkundige kenbaar gemaakt dat klager ook dicliofenac gebruikte en dat sprake
was van
dubbelmedicatie uit dezelfde geneesmiddelengroep. De justitieel verpleegkundige
heeft deze
dubbelemedicatie gestopt en de verstrekking van diclofenac beëindigd.
3.2 De huisarts werd op maandag 17 oktober 2022 van deze gebeurtenis op de hoogte
gesteld en
heeft klager met een patiëntenbriefje schriftelijk uitleg gegeven.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klager verwijt de huisarts dat hij:
Klager voor aften naproxen heeft voorgeschreven en zonder klager daarover te informeren
het
verstrekken van de aan klager wegens andere pijnklachten voorgeschreven diclofenac
heeft gestopt.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Verder
geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn voor hun
eigen handelen.
5.2 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld. Klager
bezocht verweerder op 14 oktober 2022 en verweerder heeft klager naproxen voorgeschreven.
Uit de
medische gegevens/journaalgegevens blijkt dat het verstrekken van diclofenac aan
klager op 29
augustus 2022 was gestopt. De apotheker die de naproxen op 14 oktober 2022 wilde
verstrekken heeft
de justitieel verpleegkundige gemeld dat sprake was van dubbelmedicatie uit dezelfde
geneesmiddelengroep. Omdat een dergelijke dubbelmedicatie geen meerwaarde heeft,
maar wel de kans
op bijwerkingen vergroot, is gestopt met het verstrekken van de diclofenac.
5.3 Op maandag 17 oktober 2022 is de huisarts hierover geïnformeerd. Hij heeft vastgesteld
dat de
stopzetting van de diclofenacvoorschrijving, die in het medisch journaal was genoteerd,
niet was
doorgevoerd, waardoor klager al geruime tijd toch diclofenac ontving. Dit bleek
dus niet uit het
medisch dossier. Het college oordeelt dat de huisarts geen verwijt te maken valt
dat medicatie is
voorgeschreven (naproxen) die zich niet verdraagt met het verstrekken van diclofenac.
De verstrekking van diclofenac kon hij immers niet uit het medisch journaal afleiden.
Van de stopzetting van de diclofenac is hij pas na het weekend, op maandag 17 oktober
2022, op de hoogte gesteld. Hij heeft vervolgens adequaat gereageerd door een
uitleg aan klager te geven. Als klager al onnodig pijnklachten heeft ondervonden,
wat met gebruik
van naproxen niet verklaarbaar is, acht het college de huisarts niet aan te rekenen.
Het college
komt tot het oordeel dat de klacht ongegrond.
Slotsom
5.4 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door J. Iding, voorzitter, E. Jansen en N.B. van der Maas,
leden-
beroepsgenoten, bijgestaan door I.F. Schouwink, secretaris, en in het openbaar uitgesproken
door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 20 augustus 2025.