ECLI:NL:TGZRSHE:2025:96 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/6869

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:96
Datum uitspraak: 20-08-2025
Datum publicatie: 20-08-2025
Zaaknummer(s): H2024/6869
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Het college oordeelt dat de huisarts van klager, die in een PI verblijft, geen onjuiste diagnose heeft gesteld en dat de huisarts een aan klager gerichte brief niet heeft geopend. Kennelijk ongegrond.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 24 juni 2024 op de klacht van:

[A],
verblijvende in [B],
klager,

tegen

[C],
huisarts werkzaam in [D],
verweerster, hierna ook: de huisarts;
gemachtigde: mr L. Greebe, werkzaam in Amsterdam.


1.   De zaak in het kort
1.1  Klager was gedetineerd in een penitentiaire inrichting, hierna de PI.
Verweerster is als huisarts verbonden aan de PI. Klager verwijt verweerster dat zij een aan klager 
gerichte brief van een zorgaanbieder zonder toestemming heeft geopend, een onjuiste diagnose heeft 
gesteld en niet heeft geholpen bij klagers rugklachten.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2.  De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift, ontvangen op 29 januari 2024;
-  de brief van 21 maart 2024 van de secretaris aan klager;
-  de brief van 26 maart 2024 met bijlage, ontvangen op 11 april 2024, van klager;
-  de brief van 2 mei 2024 van de secretaris aan klager;
-  het stuk van klager ontvangen op 22 mei 2024;
-  brief met bijlage, ontvangen van klager op 11 juli 2024;
-  het verweerschrift, ontvangen op 6 september 2024;
-  de brief van 23 december 2024 ontvangen van de gemachtigde;
-  de brief van 27 januari 2025 ontvangen van klager.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Klager was ten tijde van de gebeurtenissen waarover wordt geklaagd gedetineerd in de PI. 
Medische verzorging vindt plaats door de medische dienst van deze PI. Wanneer er medische zaken 
niet door deze dienst kunnen worden afgedaan, kan de hulp van een huisarts worden ingeroepen. 
Verweerster verleent als huisarts deze zorg aan de gedetineerden van de PI.

3.2   Uit het huisartsenjournaal blijkt dat klager op 24 november 2023 is gezien en dat de diagnose 
folliculitis is gesteld.

3.3   Klager heeft medische informatie opgevraagd bij een ziekenhuis waar hij in het verleden was 
behandeld. De brief gericht aan klager is hem geopend aangeboden.

3.4   Verweerster heeft klager op 13 februari 2024 tijdens het spreekuur gezien in verband met 
rugklachten. Verweerster heeft de in het dossier van klager aanwezige mri beoordeeld (hierop was 
een discopathie van l4 en l5 te zien) en klager meegedeeld dat er geen risico was bij het 
verrichten van arbeid of bij deelname aan sporten.

4.   De klacht en de reactie van de huisarts
4.1  Klager verwijt de huisarts dat zij:
a)   op 24 november 2023 ten onrechte de diagnose folliculitis heeft gesteld;
b)   een aan klager gerichte brief van een zorginstelling onbevoegd heeft geopend; Tijdens het 
spreekuur van 13 februari 2023 klager in verband met zijn aanhoudende rugklachten niet 
arbeidsongeschikt heeft verklaard en hem geen sportverbod heeft opgelegd.

4.2  de huisarts heeft het college verzocht de klachten ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5.   De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1   De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.2   Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna 
licht het college toe hoe het tot dit oordeel is gekomen

5.3  Klachtonderdeel a) het ten onrechte stellen van de diagnose follicilitis
De huisarts heeft verwezen naar het medisch journaal waar bij de weergave van het patiëntencontact 
van 14 november 2023 niet haar initialen maar de initialen van een collega zijn vermeld. Zij voert 
aan dat zij het consult dus niet heeft verricht. De weergave uit het medisch journaal ondersteunt 
deze stelling. Het college oordeelt dan ook dat niet vastgesteld kan worden dat de huisarts het 
consult heeft verricht en verklaart dit klachtonderdeel daarom ongegrond.

5.4  Klachtonderdeel b) openen van een aan klager gerichte brief
Klager heeft gesteld dat de brief van de zorginstelling hem geopend heeft bereikt. Dat de huisarts 
de brief heeft geopend is door het college niet vast te stellen, nu de huisarts beschrijft dat niet 
zij, maar het afdelingshoofd de brief heeft geopend. Ook voor dit klachtonderdeel geldt dat niet 
vastgesteld kan worden dat de huisarts de betreffende brief heeft geopend en dat ook dit 
klachtonderdeel om die reden ongegrond wordt verklaard.

5.5  Klachtonderdeel c) het niet arbeidsongeschikt verklaren en het niet opleggen van een 
sportverbod
De huisarts heeft, vanwege de door klager omschreven al langere tijd aanhoudende rugklachten, het 
medisch dossier van klager beoordeeld. Uit de daarin aanwezige mri heeft de huisarts geconstateerd 
dat de zichtbare discopathie geen aanleiding vormde een verbod tot werken of sporten te adviseren. 
Klager was meer specifiek bang dat hij verlamd zou raken als hij zou gewichtheffen. Het college 
oordeelt dat de mri geen indicatie vormde klager arbeidsongeschikt te verklaren en hem een 
sportverbod op te leggen. De huisarts heeft de suggestie gedaan een andere sport dan gewichtheffen 
te overwegen. Het college acht ook dit klachtonderdeel ongegrond.

Slotsom
5.6  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door J. Iding, voorzitter, E. Jansen en N.B. van der Maas, leden- 
beroepsgenoten, bijgestaan door I.F. Schouwink, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door 
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 20 augustus 2025.