ECLI:NL:TGZRSHE:2025:93 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7616
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:93 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-08-2025 |
| Datum publicatie: | 20-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7616 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Een patiënt met een bipolaire I-stoornis dient een klacht in tegen zijn psychiater over de behandeling in 2022 en 2024. Hij klaagt onder meer over verkeerde diagnoses, gebrekkige communicatie met de huisarts, foutieve medicatie, privacyschending en onjuiste dossierinformatie. Volgens het tuchtcollege zijn de diagnoses op goede gronden gesteld, was de medicatiekeuze verantwoord en was er geen sprake van schending van privacy of onjuiste informatievoorziening. Klacht kennelijk ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 20 augustus 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
gemachtigde: mr. A. Smeekes, werkzaam in Breda,
tegen
[B],
psychiater, werkzaam in [B],
verweerder, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. S.J. Muntinga, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klager, bekend met een bipolaire I-stoornis, is in 2022 door verweerder behandeld
vanwege
depressieve klachten en kreeg lithium voorgeschreven. Later dat jaar werd een
CT-scan gemaakt vanwege vergeetachtigheid van klager. De scan toonde geen dementie
aan maar liet
wel een mogelijk oud herseninfarct zien. In februari 2024 werd een manische ontregeling
vastgesteld
en is de lithiumdosering verhoogd.
1.2 Klager klaagt over verkeerde diagnoses in 2022 en 2024, onvoldoende communicatie
met de
huisarts, foutieve medicatie, privacy-schending en onjuiste dossierinformatie.
1.3 Verweerder voert gemotiveerd verweer.
1.4 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 13 september 2024;
- de brief van 1 november 2024 van de secretaris aan klager;
- het aanvullend klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 8 november 2024;
- de brief van 20 november 2024 van de secretaris aan klager;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 15 januari 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 18 februari
2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager was al langer bekend met een bipolaire I-stoornis. De behandeling hiervoor
was op
verzoek van klager afgesloten op 27 februari 2019. De huisarts verwees klager op
18 februari 2022
opnieuw naar het ziekenhuis voor behandeling van depressieve klachten en het opnieuw
instellen op
lithium. Klager kwam op 23 februari 2022, vergezeld door zijn partner, bij verweerder
op het
spreekuur. Verweerder onderzocht klager en stelde de
diagnose depressieve stoornis in het kader van de al bekende bipolaire 1-stoornis
en er werd
opnieuw gestart met lithium in de vorm van Camcolit 400 mg per dag. Verweerder heeft
de huisarts
van klager bij brief van 9 maart 2022 bericht over de diagnose en het beleid. Hierna
had klager
gedurende twee jaar meerdere consulten bij verweerder.
3.2 Omdat klager vergeetachtig was en wilde laten onderzoeken of hij aan dementie
leed, heeft
verweerder een CT-scan bij een radioloog voor hem aangevraagd. De scan werd afgenomen
op 16 mei
2022. De scan liet geen aanwijzingen voor dementie zien. Er bleek wel sprake van
verminderde
grijswitte stofdifferentiatie wat mogelijk op een oud infarct zou kunnen wijzen.
Dit veranderde de
eerdere diagnose van verweerder niet.
3.3 Op 2 februari 2024 vond er ook een spreekuurcontact plaats. Na een onderzoek
stelde
verweerder een manische ontregeling bij klager vast en verhoogde hij de lithium
tot 600 mg. Hij
voegde daarvoor aan de Camcolit van 400 mg een lithiumcarbonaattablet van 200 mg
(per dag) toe.
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klager verwijt verweerder dat hij:
1. in januari 2022 en op 2 februari 2024 de verkeerde diagnose heeft gesteld;
2. de huisarts begin februari 2022 verkeerd heeft voorgelicht en het resultaat van
de scan
(afgenomen op 16 mei 2022) niet naar de huisarts heeft doorgestuurd;
3. verkeerde informatie en verkeerde data in het dossier heeft vermeld;
4. zijn privacy-rechten heeft geschonden. Zijn hospita zou immers geen partij mogen
zijn;
5. op 2 februari 2024 onjuiste medicatie heeft voorgeschreven, namelijk de merkloze
Lithiumcarbonaattabletten van 100 mg in plaats van Camcolittabletten van 200 mg,
in combinatie met
medicijnen die hij helemaal niet meer wenste te gebruiken;
6. druk bij de apotheker neerlegde via een dwangmatig schrijven op het recept betreffende
de door
hem vastgestelde noodzaak.
4.2 Verweerder heeft de verwijten gemotiveerd betwist en het college verzocht de
klacht ongegrond
te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1. De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling
wordt
rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd
genoeg voor een
tuchtrechtelijk verwijt.
5.2. Het college oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld
en licht
dat hierna toe.
Klachtonderdeel 1: in januari 2022 en op 2 februari 2024 heeft verweerder de verkeerde
diagnose
gesteld.
5.3. Klager stelt dat verweerder onderzoek had moeten laten doen naar de mogelijkheid
dat hij een
herseninfarct heeft gehad, zoals dat uit de op 16 mei 2022 gemaakte CT-scan bleek.
Volgens klager
was een nader onderzoek nodig om een goede diagnose te kunnen stellen. Mogelijk
werd zijn gedrag
namelijk door een herseninfarct verklaard.
5.4 Verweerder voert aan dat de symptomen van klager pasten bij de door hem gestelde
diagnose. Er
bestond voor hem geen aanleiding iets anders te vermoeden. De CT-scan was gemaakt
om dementie uit
te sluiten. Dat de radioloog op de CT-scan een mogelijk oud herseninfarct zag, veranderde
de
diagnose depressie in het kader van bipolaire 1-stoornis niet.
5.5 Het college overweegt als volgt. Blijkens het dossier heeft verweerder op 23
februari 2022 -
en niet in januari 2022 - de diagnose depressieve episode in het kader van de al
bekende bipolaire
1-stoornis gesteld. Hij heeft die diagnose gesteld op basis van een anamnese, hetero-anamnese
en
psychiatrisch onderzoek. Het dossier beschrijft een en ander zeer uitgebreid en
duidelijk. Het
college acht de conclusie dat sprake is van deze stoornis goed navolgbaar. Weliswaar
werd op de
latere CT-scan, die was gemaakt om dementie uit te sluiten, een mogelijk oud herseninfarct
gezien,
maar dit hield geen verband met de psychiatrische diagnose en dit had ook geen verdere
klinische
consequenties. Dat verweerder daar geen nader onderzoek naar heeft laten doen, valt
hem dan ook
niet te verwijten en doet aan de diagnose niets af.
5.6 Hetzelfde geldt voor de diagnose hypomane ontregeling in het kader van de bekende
bipolaire
stoornis, die verweerder op 2 februari 2024 heeft gesteld. Uit het dossier blijkt
dat verweerder
die diagnose heeft gesteld op basis van psychiatrisch onderzoek, hetero- anamnese
en meerdere
waargenomen symptomen van (hypo)manie in het psychiatrisch onderzoek beschreven,
zoals een
verhoogde stemming, waanachtige ideeën en ontremming.
5.7 Het college volgt klager dan ook niet in zijn standpunt dat verweerder in 2022
en 2024
verkeerde diagnoses heeft gesteld. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel 2: verweerder heeft de huisarts begin februari 2022 verkeerd voorgelicht;
hij heeft
het resultaat van de scan (afgenomen op 16 mei 2022) niet naar de huisarts doorgestuurd.
5.8 Klager klaagt erover dat verweerder de huisarts begin februari 2022 verkeerd
heeft
voorgelicht. Het is het college niet duidelijk geworden wat klager hiermee bedoelt.
In de brief die
naar aanleiding van het eerste onderzoek door verweerder naar de huisarts is gestuurd,
staat
informatie die overeenkomt met de in het dossier opgenomen diagnose en behandeling.
Nergens is op
te maken dat de huisarts door verweerder hierbij verkeerd is voorgelicht.
Wat betreft het niet doorsturen van het resultaat van de scan naar de huisarts overweegt
het
college als volgt. De scan was door verweerder aangevraagd en het resultaat daarvan
is aan hem
teruggekoppeld. Het was weliswaar zorgvuldiger geweest om de uitslag van de scan
door te sturen
naar de huisarts, maar dat zou uitsluitend ter kennisgeving zijn geweest. De bevinding
op de scan
had namelijk geen actuele klinische consequenties waarop de huisarts actie zou hebben
moeten
ondernemen. Ook hield deze bevinding geen verband met de psychiatrische diagnose
en de behandeling
die door verweerder werd ingesteld. Daarmee is het niet vermelden van de bevindingen
op de scan aan
de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.
Klachtonderdeel 3: verweerder heeft verkeerde informatie en verkeerde data in het
dossier vermeld
5.9 Dit klachtonderdeel heeft klager niet zodanig geconcretiseerd en onderbouwd
dat het college
kan vaststellen dat sprake is van verkeerde informatie/data. Het door klager geplaatste
commentaar
op verschillende pagina’s van het door hem als bijlage overgelegde medisch dossier
is daarvoor
onvoldoende. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 4: verweerder heeft de privacy-rechten van klager geschonden. Zijn
hospita zou
immers geen partij mogen zijn;
5.10 Volgens klager zijn zijn privacy-rechten geschonden omdat zijn hospita is
betrokken
bij/geïnformeerd over zijn situatie. Verweerder voert het verweer dat de persoon
die klager
vergezelde naar de consulten altijd is aangeduid als de partner van klager. Er is
nooit gesproken
over een hospita. Zij is ook niet als hospita voorgesteld. Zij heeft zichzelf ook
als partner van
klager benoemd in een door haar ingevulde vragenlijst.
5.11 Het college overweegt als volgt. Op verschillende plaatsen in het dossier wordt
melding
gemaakt van de partner van klager. Uit niets blijkt dat het niet om de partner van
klager zou gaan,
maar om zijn hospita. Afgezien daarvan heeft zij klager meerdere malen vergezeld
op de
spreekuurcontacten. Verweerder mocht er daarom van uitgaan dat klager erin toestemde
dat er
medische informatie over hem met haar werd gedeeld.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel 5: het op 2 februari 2024 voorschrijven van de verkeerde medicijnen
5.12 Klager heeft zich, naar hij stelt, uitdrukkelijk verzet tegen het voorschrijven
van
niet-omhulde tabletten omdat hij daar ziek van werd. Verweerder geeft aan dat hij
zich dat niet kan
herinneren en hij heeft dit ook niet in het dossier genoteerd. Het college kan dus
niet vaststellen
of dit door klager is gezegd. Indien echter vast zou komen te staan dat klager zich
hiertegen
verzette dan acht het college het voorschrijven van de (merkloze) lithiumcarbonaattabletten
niet
verwijtbaar. Het gaat immers om hetzelfde geneesmiddel. Lithiumcarbonaat verschilt
van Camcolit in
de tijd waarin zij worden afgebroken (de halfwaardetijd). Bij een langere halfwaardetijd
is de
afgifte van de werkzame stof in het lichaam meer geleidelijk verdeeld over de dag.
De werkzaamheid
verschilt echter niet. Camcolit bestaat niet in een sterkte van 200 mg, dat was
dus geen optie als
toevoeging, zoals klager suggereert. Het college acht het daarom hoe dan ook niet
verwijtbaar dat
verweerder naast de Camcolittabletten de merkloze lithiumcarbonaattabletten heeft
voorgeschreven.
Klachtonderdeel 6: druk bij de apotheker neerlegde via een dwangmatig schrijven op
het recept
betreffende de door hem vastgestelde noodzaak.
5.13 Volgens klager heeft verweerder de apotheker een recept opgedrongen. Hij verwijst
daarbij
naar de recepten op bijlage 6 bij zijn klaagschrift. Het college kan uit die recepten
niet opmaken
dat deze de apotheker zijn opgedrongen. Het gebruik van de woorden
‘medische noodzaak’ verwijst naar het verzoek van een arts (in dit geval verweerder)
om een
specifiek preparaat (zoals bv Camcolit en niet andere tabletten van 400 mg) te verstrekken.
Klager
heeft deze stelling ook niet op een andere wijze aannemelijk gemaakt. Het college
acht dit
klachtonderdeel dan ook ongegrond.
Slotsom
5.14 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven 20 augustus 2025 door I.M.E.A van Eldonk, voorzitter,
H.J. Kolthof en C.M. Sonnenberg, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door D. van Grootveld,
secretaris
en uitgesproken door de vaste voorzitter
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.