ECLI:NL:TGZRSHE:2025:92 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7173
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:92 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-08-2025 |
| Datum publicatie: | 20-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7173 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen psychiater ongegrond. Patiënte verwijt de psychiater ernstig nalatig handelen, schending van de privacy en het boycotten van de overdracht naar een collega. Het college: dat de psychiater de afspraak was vergeten, is in dit geval van onvoldoende gewicht om van een tuchtrechtelijk verwijt te kunnen spreken. Niet blijkt dat de psychiater klaagster onvoldoende heeft begeleid. Het beroepsgeheim mocht hij doorbreken. Er zijn geen aanknopingspunten te vinden dat de psychiater meer (medische) gegevens over de patiënte heeft verstrekt dan noodzakelijk was. Dat de psychiater de overdracht heeft geboycot door foutieve informatie te verstrekken, staat niet vast. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 20 augustus 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
tegen
[C],
psychiater, werkzaam in [D],
verweerder, hierna: de psychiater,
gemachtigde: mr. D. Benamari, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 Klaagster was voor medicamenteuze ondersteuning onder behandeling bij de psychiater.
Zij
verwijt hem ernstig nalatig handelen door niet op afspraken te verschijnen, daarna
wekenlang niet
bereikbaar te zijn en geen nieuwe afspraak met klaagster te maken. Ook verwijt zij
hem dat hij haar
privacy heeft geschonden door haar naam te noemen tijdens een intervisiebijeenkomst
en dat hij de
overdracht aan een collega heeft geboycot door foutieve informatie over haar te
verstrekken.
Volgens haar zou de psychiater ten onrechte hebben gezegd dat sprake was van medicatiemisbruik
door
haar.
1.2 De psychiater erkent dat hij een afspraak is vergeten. Hij betwist dat hij daarna
onbereikbaar voor klaagster is geweest en dat hij haar niet heeft begeleid bij het
afbouwen van de
medicatie. Ook betwist hij dat hij de naam van klaagster tijdens de intervisiebijeenkomst
heeft
genoemd en dat hij de overdracht aan een collega heeft geboycot door foutieve informatie
te
verstrekken.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 2 mei 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 24 september 2024;
- de brief van 16 december 2024 van de gemachtigde van de psychiater, ontvangen
op 17 december
2024.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 27 juni 2025. De partijen zijn
verschenen. De
psychiater werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen en de gemachtigde
van de psychiater
hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde van de psychiater heeft
een
pleitnotitie voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klaagster was onder behandeling van een psychotherapeut (hierna: de psychotherapeut).
Op 28
juli 2023 heeft de huisarts van klaagster op advies van de psychotherapeut in verband
met
stemmings- en slaapproblemen een verwijzing voor klaagster geschreven voor specialistische
geestelijke gezondheidszorg.
3.2 Op 22 augustus 2023 heeft klaagster zich bij de psychiater telefonisch aangemeld
voor
behandeling. De volgende dag, op 23 augustus 2023, heeft een intakegesprek plaatsgevonden.
De
psychiater heeft bij klaagster vastgesteld dat sprake was van een vitale depressie
met een
voorgeschiedenis van een dysthyme stoornis en traumatische ervaringen in de jeugd.
Gelet op de
klachten en wensen van klaagster, heeft de psychiater als startdosering 75 milligram
clomipramine
per dag voorgeschreven.
3.3 Op 14 september 2023 heeft de psychiater een recept voor olanzapine verstuurd.
Op 18
september 2023 is de psychiater door de apotheek gebeld met de mededeling dat de
olanzapine niet
verkrijgbaar was. De psychiater heeft klaagster diezelfde ochtend daarvan op de
hoogte gebracht.
3.4 Op 19 september 2023 is klaagster bij de psychiater op consult geweest. Omdat
klaagster bij
de verhoging van de dosering clomipramine van 112,5 naar 150 milligram bijwerkingen
ervoer, heeft
de psychiater in de plaats daarvan trazodon voorgeschreven.
3.5 Op 9 oktober 2023 heeft klaagster de afspraak voor de volgende dag afgezegd.
Op 17 oktober
2023 heeft zij een afspraak gemaakt voor 27 oktober 2023.
3.6 Tijdens het consult op 27 oktober 2023 heeft klaagster bij de psychiater aangegeven
dat het
steeds slechter met haar ging. Gelet op de klachten van klaagster heeft de psychiater
voorgesteld
om te starten met topiramaat.
3.7 Op 5 november 2023 heeft de psychiater het recept voor topiramaat verstuurd
en heeft hij
klaagster geadviseerd om naast de trazodon en de olanzapine te beginnen met temazepam.
3.8 Op 17 november 2023 heeft de psychiater klaagster via Whatsapp vragen gesteld
over de
medicatie. Klaagster heeft deze vragen de volgende dag via WhatsApp beantwoord,
waarop de
psychiater dezelfde dag heeft gereageerd.
3.9 Op 15 december 2023 heeft de psychiater een huisbezoek bij klaagster afgelegd.
3.10 Op 18 december 2023 in de avond heeft klaagster de psychiater via WhatsApp bericht
dat zij
even langs is geweest op het werk, dat zij haar kerstpakket heeft opgehaald en dat
zij blij was dat
ze weer thuis was. De psychiater heeft naar aanleiding van dit bericht diezelfde
avond via WhatsApp
vragen gesteld over onder meer de medicatie, welke vragen klaagster heeft beantwoord.
3.11 Ook op 21 en 28 december 2023 heeft klaagster de psychiater via WhatsApp een
bericht gestuurd
over haar werk. Op beide data heeft de psychiater klaagster dezelfde dag nogmaals
via WhatsApp
vragen gesteld over onder meer de medicatie.
3.12 Op 30 december 2023 heeft de echtgenoot van klaagster via WhatsApp een bericht
naar de
psychiater gestuurd met de vraag of klaagster contact met hem heeft gezocht, omdat
hij niet wist
waar klaagster was. Omdat de psychiater het vermoeden had dat klaagster een suïcidepoging
deed,
heeft hij de crisisdienst en politie ingeschakeld. In de avond heeft de psychiater
thuis met
klaagster gesproken.
3.13 Op 31 december 2023 en 1, 2, 5, 7 en 10 januari 2024 heeft de psychiater contact
met
klaagster gehad vanwege het voornemen dat klaagster heeft gehad om een suïcidepoging
te doen.
3.14 Op 19 januari 2024 heeft de psychiater een huisbezoek bij klaagster afgelegd.
De psychiater
heeft toen onder meer met klaagster besproken dat hij alleen medicatie kon voorschrijven
en dat
traumabehandeling noodzakelijk was. Hij heeft verder gevraagd of de psychotherapeut
traumabehandeling kon geven of dat de psychotherapeut kon helpen met het vinden
van een
zorgverlener of instelling die traumabehandeling geeft. De psychiater heeft met
klaagster gedeeld
met welke instelling hij ervaring had.
3.15 Op 24 januari 2024 heeft de psychiater de casus van klaagster besproken tijdens
een
intervisiebijeenkomst. Tijdens de intervisiebijeenkomst bleek dat klaagster ook
onder behandeling
was bij een andere psychiater (hierna: collega 1), die ook deelnam aan de intervisiebijeenkomst.
Bij 26 januari 2024 staat hierover in het dossier (alle citaten voor zover van belang
en letterlijk
weergegeven):
“ nav incident/calamiteit/TS of suicide melding door ondergetekende (vast onderdeel
van intervisie)
bij de Balintintervisie van psychiaters van de TS voor de jaarwisseling het wat
bizarre verloop .
Hierop vertelt een collega psychiater dat ik zijn patiente beschrijf die hij wilde
inbrengen. In de
intervise besloten dat we samen bij de intervisie gaan kijk of we het overde zelfde
hebben. kan
gezien de gedetailleerde beschrijving vrijwel niet anders….
blijkt bij de onderlinge bespreking inderdaad om dezelfde patient te gaan
eerst volgende afspraak is bij collega, besloten dat ik dan aansluit en dat we dan
gezamelijk
patient confronteren met de situatie.
hiervoor gekozen omdat patient blijkbaar ookde neiging heeft dingen anders te vertellen
dan
ze zijn….”.
3.16 Klaagster had op 26 januari 2024 een consult bij collega 1. De psychiater was
daarbij
aanwezig. Over dit consult staat onder meer in het dossier genoteerd:
“gesprek me patiente in de praktijk van collega [achternaam collega 1] met wie ze
op dat moment een
afspraak heeft
gesprek met patent ivm tst en niet vertellen wat er allemaal speelt.
1.dat ze heeft gezwegen over dubbele behandeling en dubbele medicatie verstrekking.
2. verzwegen (bij ondergetekende, dat ze bij pijnpoli tramadol kreeg- zou ze al
hebben gestopt-
omdat het niet werkte)
3. dat ze vrijwel elk contact met andere inclusief partner, vrienden etc en verwijzer
verbiedt
op deze wijze behandeling niet goed moeilijk er is geen zicht heeft op medicatie gebruik
waarop pat
aangeeft dat dat de apotheek dat automatisch controleert. aangegeven dat dat mogelijk
toch niet
gebeurd
op navraag welke medicatie ze dan wel of niet neemt,
geeft ze aan dat ze vooral de toparimaat neemt, en de overige medicatie niet of
nauwelijks
bij patiente hebben beide psychiaters aangegeven dat het zo niet verder gaat, en
dat er zaken
moeten veranderen er is geen basis van vertrouwen.
voor ondergetekende zou een zorgconferentie waarbij alle medici (en psychotherapeut)
die
bijpatiente betrokken zijn noodzakelijk zijn om een goed en voor haar passend beleid
te kunnen
bepalen.
patiente verlaat uiteindelijk kwaad/gefrustreerd de spreekkamer en zegt ik maak het
jullie
makkelijk, ik zeg beide behandelingen op, en het hoeft van mij niet meer.”
3.17 Op 1 februari 2024 heeft de psychiater een huisbezoek bij klaagster afgelegd.
In het dossier
heeft hij naar aanleiding daarvan onder meer genoteerd:
“gesprek gaat over haar toestand. en over de medicatie aanpassingen
(…)
verder medicatie opgehoogd
en benadrukt dat haar cptss klachten een complexere therapie nodig hebbend an enkel
medicatie. en
dat een behandeling door gespecialiseerd therapiecentrum aangewezen is.
(…)
Benadrukt dat een zorgconferentie voor mij een voorwaarde is om de behandeling verder
voor te
zitten
Het feit dat ik er nu wel zit is vanwege de medicatie begleidingsnoodzaak. Deze
stopt echter als ik
die niet kan overdragen.’’
3.18 Op 2 februari 2024 heeft klaagster de psychiater via WhatsApp gevraagd of zij
zijn naam mocht
zetten op het veiligheidsplan dat zij van de psychotherapeut moest invullen. De
psychiater heeft
daarop via WhatsApp gereageerd dat zij dit mocht als zij instemde met een zorgconferentie.
3.19 Op 6 februari 2024 heeft klaagster de psychiater via WhatsApp bericht over de
medicatie.
Daarop heeft de psychiater de volgende dag, op 7 februari 2024, via WhatsApp gereageerd.
3.20 Op 10 februari 2024 heeft klaagster de psychiater via WhatsApp bericht dat het
slecht ging
met slapen. Op 11 februari 2024 heeft hij klaagster via WhatsApp bericht dat zij
de olanzapine kon
verhogen naar 15 milligram en/of 25 milligram quetiapine kon gaan innemen.
3.21 Op 25 februari 2024 heeft klaagster de psychiater via WhatsApp gevraagd of zij
de dosering
topiramaat al dan niet nog verder moest verhogen. Daarop heeft de psychiater dezelfde
dag via
WhatsApp geantwoord op welke wijze zij de dosering kon verhogen.
3.22 Op 28 februari 2024 heeft klaagster de psychiater via WhatsApp bericht dat het
haar goed leek
om de trazodon te gaan vervangen door een ander medicijn, heeft zij hiervoor een
voorstel gedaan en
heeft zij gevraagd of de psychiater nog een afspraak wilde maken om langs te komen.
3.23 Op 4 maart 2024 heeft de psychiater telefonisch contact gehad met klaagster.
3.24 Op 7 maart 2024 heeft klaagster de psychiater via WhatsApp gevraagd of zij de
dosering
quetiapine al dan niet moest verhogen. De psychiater heeft via WhatsApp geantwoord
dat zij de
dosering kon verhogen tot 75 milligram.
3.25 Op 14 maart 2024 heeft klaagster de psychiater via WhatsApp gevraagd of hij
een recept voor
quetiapine naar de apotheek kon sturen, omdat dit medicijn bijna op was. De psychiater
heeft
diezelfde dag via WhatsApp laten weten het recept te hebben verstuurd. Op 19 maart
2024 heeft hij
bericht het recept nogmaals te hebben verstuurd, nadat klaagster diezelfde dag had
aangegeven dat
de apotheek had gezegd dat het recept niet was aangekomen. Eveneens op 19 maart
2024 heeft
klaagster de psychiater via WhatsApp gevraagd of hij de komende tijd nog plek had
voor een gesprek.
Twee dagen later, op
21 maart 2024, heeft klaagster hem verzocht om te reageren op haar vraag. Klaagster
en de
psychiater verschillen van mening over of er daarna nog contact heeft plaatsgevonden.
3.26 De psychiater heeft na 21 maart 2024 contact gehad met een collega (hierna:
collega 2) voor
overdracht van informatie zodat collega 2 de behandeling zou kunnen gaan overnemen.
Klaagster is
niet bij collega 2 in behandeling gekomen.
3.27 Klaagster werd door de psychiater medicamenteus behandeld. In deze periode werd
zij door de
psychotherapeut behandeld op psychologisch en gedragsmatig vlak.
4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Klaagster verwijt de psychiater:
a) ernstig nalatig handelen;
b) het schenden van de privacy van klaagster door haar naam te noemen tijdens een
intervisie;
c) het boycotten van haar overdracht naar een collega middels foutieve informatie.
4.2 De psychiater stelt zich op het standpunt dat hij heeft gehandeld vanuit een
professionele en
betrokken houding. Hij heeft in een complexe situatie steeds geprobeerd zorgvuldig
te handelen, met
het belang van klaagster voorop.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?
5.1 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De
norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de
beoordeling wordt
rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Klachtonderdeel a) ernstig nalatig handelen
5.2 Klaagster heeft desgevraagd ter zitting toegelicht dat dit klachtonderdeel
gaat over de
omstandigheid dat de psychiater niet op afspraken is verschenen, dat hij daarna
wekenlang niet
bereikbaar is geweest en geen nieuwe afspraak met klaagster heeft gemaakt. Zij heeft
aangevoerd dat
de psychiater in oktober 2023 een afspraak was vergeten. Vervolgens had klaagster
pas na zes weken
contact met hem via WhatsApp. Volgens klaagster heeft de psychiater niet gereageerd
op haar (voicemail)berichten, waarin zij aangaf een afspraak te willen omdat haar
klachten toenamen. Zij wilde de medicatie afbouwen vanwege forse bijwerkingen. Zij
heeft daarbij geen begeleiding van de psychiater gehad.
Klaagster is daarom zelf op zoek gegaan naar medicatie die haar zou kunnen helpen.
Volgens
klaagster nam de psychiater maar geen contact met haar op, ook niet toen de psychotherapeut
een
oproep deed. De psychiater had allerlei uitvluchten, zoals dat hij zijn laptop kwijt
was, dat een
familielid ziek was of dat hij in het buitenland zat. Klaagster is van mening dat
zij aan haar lot
is overgelaten.
5.3 De psychiater heeft erkend dat hij door een administratieve fout één afspraak
is vergeten.
Hij heeft toen diezelfde dag nog contact met klaagster opgenomen. Daarbij heeft
hij excuses
aangeboden voor de vergeten afspraak. Ook de dag daarna heeft hij contact met klaagster
gehad. In
deze contacten werden de klachten van klaagster en de voortgang van de medicatie
geëvalueerd. De
psychiater heeft betwist dat hij na het vergeten van het betreffende consult zes
weken onbereikbaar
is geweest. Ook heeft hij betwist dat hij klaagster niet heeft begeleid bij het
afbouwen van de
medicatie. Toen klaagster aangaf bijwerkingen te ervaren van de clomipramine, heeft
de psychiater
in overleg met klaagster besloten om deze medicatie af te bouwen en te beginnen
met trazodon.
Daarna heeft hij geëvalueerd hoe klaagster de medicatiewisseling ervoer. In tegenstelling
tot wat
klaagster beweert, heeft de psychotherapeut geen concrete oproep of verzoek aan
de psychiater
gedaan om contact met klaagster op te nemen.
5.4 Het staat vast dat de psychiater een afspraak is vergeten. Volgens klaagster
zou dit in
oktober 2023 zijn geweest. De psychiater stelt echter dat dit op 17 november 2023
is
geweest. Op 17 november 2023 heeft de psychiater klaagster via WhatsApp bericht:
“Hoi [voornaam
klaagster], ik krijg je telefonisch nu niet te pakken. Ben je onderweg naar je auto?
Of zit je nog
in de praktijk?’’, waarna hij zijn excuses heeft aangeboden omdat het was misgegaan
en heeft
aangegeven dat hij de afspraak niet in de agenda had gepland. Gelet daarop, acht
het college het
aannemelijk dat de psychiater de afspraak op 17 november 2023 is vergeten. Uit de
stukken blijkt
dat de psychiater diezelfde dag vragen heeft gesteld over de medicatie. Nadat klaagster
daarop had
gereageerd, heeft de psychiater besloten de dosering van de topiramaat te verhogen.
Gelet op de
omstandigheid dat de psychiater dezelfde dag contact heeft opgenomen met klaagster,
hij haar zijn
excuses heeft aangeboden en het medicatiebeleid alsnog is geëvalueerd, acht het
college het
vergeten van de afspraak van onvoldoende gewicht om van een tuchtrechtelijk verwijt
te kunnen
spreken.
5.5 Naar het oordeel van het college blijkt niet uit de stukken dat klaagster pas
na zes weken
nadat de psychiater de afspraak was vergeten, contact met hem heeft kunnen krijgen
en dat zij lang
heeft moeten wachten op een afspraak. Daaruit blijkt wel dat de psychiater reageerde
als zij hem
via WhatsApp een bericht stuurde. Gelet op de contacten die uit de stukken blijken,
heeft het
college geen aanleiding gevonden om te veronderstellen dat de psychiater klaagster
onvoldoende
heeft begeleid. De psychiater heeft steeds het medicatiebeleid aangepast en de effecten
daarvan op
de klachten van klaagster gevolgd.
Toen klaagster aangaf bijwerkingen te ervaren van de verhoogde dosering clomipramine,
heeft de
psychiater het medicatiebeleid aangepast door in de plaats van dit medicijn trazodon
voor te
schrijven. Voor het oordeel dat de psychiater klaagster aan haar lot heeft overgelaten
en daarmee
ernstig nalatig heeft gehandeld, ziet het college dan ook onvoldoende grond. Klachtonderdeel
a) is
ongegrond.
Klachtonderdeel b) het schenden van de privacy
5.6 Klaagster heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel aangevoerd dat de psychiater
tijdens een
intervisiebijeenkomst klaagster met naam en toenaam heeft genoemd. Zij heeft daarvoor
nooit haar
toestemming gegeven.
5.7 De psychiater heeft aangevoerd dat hij tijdens de intervisiebijeenkomst de casus
van
klaagster anoniem en volgens de Balint-methode met collega’s heeft besproken met
als doel de
behandeling en zorgverlening aan klaagster te verbeteren. Hij heeft betwist dat
hij tijdens de
intervisiebijeenkomst de naam van klaagster heeft genoemd. Volgens de psychiater
herkende collega 1
de casus, doordat klaagster ook bij hem onder behandeling was en van het gebeurde
op de hoogte was.
De psychiater was er niet van op de hoogte dat klaagster ook onder behandeling was
bij collega 1.
Volgens de psychiater was collega 1 er ook niet van op de hoogte dat klaagster bij
de psychiater
onder behandeling was en was collega 1 zelf van plan geweest om de casus van klaagster
in te
brengen tijdens de intervisiebijeenkomst.
5.8 Op grond van artikel 7:457 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 88 van
de Wet op de
beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) heeft een zorgverlener een
beroepsgeheim. Dit
houdt in dat een zorgverlener aan anderen dan de patiënt geen informatie over de
patiënt mag
verstrekken, tenzij a) de patiënt daar toestemming voor heeft gegeven, b) de wet
dit voorschrijft
of c) er sprake is van een andere grond op basis waarvan het beroepsgeheim mag worden
doorbroken.
Het medisch beroepsgeheim ziet op de informatie die een zorgverlener bij het uitoefenen
van zijn
beroep als geheim is toevertrouwd of ter kennis is gekomen of wat bij het uitoefenen
van zijn
beroep ter kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen.
5.9 De psychiater heeft de casus van klaagster ingebracht in een intervisiebijeenkomst.
Ingevolge
de KNMG-richtlijn ‘Omgaan met medische gegevens’ van januari 2024 kan voor het gebruik
van medische
gegevens voor kwaliteitsdoeleinden een wettelijke grondslag worden gevonden in artikel
30 lid 3
onder a van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (hierna:
UAVG) in combinatie
met artikel 9 lid 2 onder h van de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna:
AVG). Uit
artikel 30 lid 3 onder a UAVG volgt namelijk dat het verbod op het gebruik van medische
gegevens
niet van toepassing is als het gebruik door een zorgverlener noodzakelijk is met
het oog op een
goede behandeling of verzorging van de persoon om wiens medische gegevens het gaat
dan wel het
beheer van een instelling of beroepspraktijk. Onder het begrip ‘beheer’ moet, zo
volgt uit de
toelichting op het artikel, onder meer worden verstaan het waarborgen van de kwaliteit
van de
verleende zorg en intercollegiale toetsing door hulpverleners onderling.
5.10 Intervisie heeft tot doel de kwaliteit van de zorgverlening te bevorderen. De
psychiater had
dus op grond van artikel 30 lid 3 onder a UAVG in combinatie met artikel 9 lid 2
onder h AVG een
grond op basis waarvan hij het beroepsgeheim mocht doorbreken. Daarbij diende hij
wel (medische)
gegevens zoveel mogelijk weg te laten dan wel te anonimiseren als de verstrekking
daarvan niet
noodzakelijk was. De psychiater heeft betwist dat hij tijdens de intervisiebijeenkomst
de naam van
klaagster heeft genoemd. Klaagster heeft enkel aangegeven te hebben vernomen dat
hij dit wel heeft
gedaan. Daarmee heeft zij – tegenover de betwisting door de psychiater – niet aannemelijk
gemaakt
dat de psychiater haar naam tijdens de intervisiebijeenkomst heeft genoemd, wat
wel op haar weg had
gelegen. Het college acht het ook op basis van de aantekeningen over de intervisiebijeenkomst
in
het dossier niet aannemelijk dat de psychiater de naam van klaagster heeft genoemd.
Er zijn verder
ook geen aanknopingspunten in het dossier te vinden dat de psychiater tijdens de
intervisiebijeenkomst meer (medische) gegevens over klaagster heeft verstrekt dan
noodzakelijk was.
Klaagster is slechts door collega 1 herkend in de casus, omdat zij ook bij collega
1 in behandeling
was en hij daardoor op de hoogte was van de specifieke wijze van de suïcidepoging.
De psychiater
hoefde daar echter niet op bedacht te zijn, omdat klaagster hem niet had verteld
dat zij
gelijktijdig ook bij een collega onder behandeling was. Klachtonderdeel b) is dan
ook ongegrond.
Klachtonderdeel c) het boycotten van de overdracht naar een collega
5.11 Klaagster heeft aangevoerd dat de psychiater verzonnen verhalen over haar
aan collega’s heeft
verteld, waarmee hij de overdracht naar collega’s boycotte. Hij heeft volgens haar
gezegd dat
klaagster met medicatie rommelde; dat er sprake was van medicatiemisbruik. Dit is
echter nooit het
geval geweest. Door deze foutieve informatie te verstrekken, heeft de psychiater
volgens klaagster
ervoor gezorgd dat zij nergens terechtkon.
5.12 De psychiater heeft betwist dat hij de overdracht aan collega 2 heeft geboycot
en foutieve
informatie aan hem heeft verstrekt. Collega 2 was ook aanwezig bij de intervisiebijeenkomst.
Volgens de psychiater was collega 2 er niet van op de hoogte dat klaagster de patiënt
was wiens
casus de psychiater tijdens de intervisiebijeenkomst had besproken. Daarvan raakte
hij pas tijdens
het telefonisch contact met de psychiater in het kader van de overdracht op de hoogte.
Daarna heeft
collega 2 de conclusie getrokken de behandeling van klaagster niet te kunnen overnemen,
omdat de
casus voor hem als vrijgevestigde psychiater te complex was.
5.13 Klaagster stelt zich op het standpunt dat de psychiater de overdracht naar collega’s
heeft
geboycot door foutieve informatie aan die collega’s te verstrekken. De psychiater
betwist dat hij
de overdracht heeft geboycot en foutieve informatie heeft verstrekt.
In dit geval, waarbij sprake is van het woord van de één tegen dat van de ander,
kan het college
niet vaststellen dat het verwijt van klaagster gegrond is. Aan het woord van de
één kan immers niet
meer waarde worden gehecht dan aan het woord van de ander. Klaagster heeft haar
verwijt ook niet
voorzien van enige feitelijke onderbouwing. Dat had wel op haar weg gelegen. Nu
dus niet vaststaat dat de psychiater de overdracht heeft geboycot door foutieve informatie
te verstrekken, kan het college ook niet vaststellen dat de psychiater in dit opzicht klachtwaardig
heeft gehandeld. Klachtonderdeel c) mist hiermee feitelijke grondslag en is dus
ongegrond.
Slotsom
5.14 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door I.M.E.A. van Eldonk, voorzitter, T. Dohmen, lid-jurist,
L.A.J. Stouthamer-Verschuren, H.J. Kolthof en C.M. Sonnenberg, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan
door D. van Grootveld, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 20 augustus 2025.