ECLI:NL:TGZRSHE:2025:87 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7355
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:87 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-08-2025 |
| Datum publicatie: | 13-08-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7355 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen huisarts. Patiënt bij wie na verloop van tijd de diagnose ‘creeping eruption’ is gesteld, verwijt huisarts het stellen van een verkeerde diagnose, het voorschrijven van verkeerde medicatie, onvoldoende deskundigheid en onvoldoende begrip. Werkdiagnose en aanpassing werkdiagnose. Passende medicatie bij de gemelde klachten. Medisch dossier biedt geen aanknopingspunten voor de verwijten van klager. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 13 augustus 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B], klager,
tegen:
[C],
huisarts
werkzaam in [B],
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. L. Greebe, werkzaam in Amsterdam.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager had veel last van een jeukend wondje op zijn buik waarvoor hij meerdere
keren de
huisartsenpraktijk benaderde. Hij werd door verschillende huisartsen gezien. Een
collega van de
huisarts stelde in eerste instantie de werkdiagnose ‘wondje huid,
geimpetiginiseerd’ (ontstoken wondje). Klager is daarna twee keer bij verweerster
op consult
geweest. Later stelde een andere collega de diagnose ‘creeping eruption’ (een door
een worm
veroorzaakte infectieziekte van de huid). Deze diagnose is door een dermatoloog
bevestigd. Klager
verwijt de huisarts dat zij een verkeerde diagnose heeft gesteld, verkeerde medicatie
heeft
voorgeschreven, onvoldoende deskundig was en geen begrip voor of inzicht heeft getoond
in hoe
klager zich voelde.
1.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is
gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 27 mei 2024;
- de brief van 11 juni 2024 van de secretaris aan klager;
- het aanvullend klaagschrift, ontvangen op 26 juni 2024;
- het verweerschrift, ontvangen op 19 september 2024.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager kwam op 26 januari 2024 op het spreekuur van een collega van verweerster
in verband
met een wondje op zijn buik dat jeukte en irriteerde. Deze collega noteerde in het
dossier (alle
citaten voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“ S Heeft al drie weken een wondje op de buik, gaat soms wat open. Heeft er 1x
wat uit
gekregen. Weet niet hoe ontstaan is. (…)
E wondje huid, geimpetiginiseerd”
De collega schreef antibioticacrème voor.
3.2 Op 15 februari 2024 is klager bij verweerster op consult geweest. Klager vertelde
in Thailand
te zijn geweest. Verweerster onderzocht de plekjes op de buik van klager. Omdat
zij geen open
wondjes zag, stelde zij klager voor de genezing van de wondjes af te wachten.
3.3 Klager belde op 19 februari 2024 naar de praktijk om te melden dat de jeukklachten
aanwezig
bleven. De assistente overlegde met verweerster. Omdat klager had aangegeven dat
hij sinds kort
vaker zwom en dat sinds kort roodheid zichtbaar was op de huid, stelde
verweerster de werkdiagnose “irritatie van de huid”. Zij schreef hydrocortisoncrème
voor.
3.4 Op 26 februari 2024 kwam klager voor de tweede keer bij verweerster op consult.
Verweerster
noteerde in het dossier:
“ S wordt er gek van dat nu al 5 weken last geeft, geen enkele creme helpt, wilt
naar
dermatoloog. bang dat het niet goed is. (…) nu weer rustig, maar het weekend 9 plekjes
te zien.
spreekt over een wond (…)
O bij de buik: een 5mm mild erytheem plekje, niet verheven, geen wond, geen korst.
hieronder 3
tal littekentjes te zien
E huid
P geen wond nu, mogelijk eczeem (…) laatste creme wel 2 w smeren. indien dan niet
weg, van
opvlamming een foto maken en telederm. (…)”
3.5 Op 11 maart 2024 stuurde klager foto’s naar de praktijk. Verweerster vroeg een
teleconsult
aan bij de dermatoloog. Nadat de dermatoloog aangaf dat het mogelijk een insektenbeet
was en hij
mee wilde kijken, verwees verweerster klager op 13 maart 2024 naar de dermatoloog.
Klager is op
4 april 2024 door de dermatoloog gezien.
3.6 Op 22 april 2024 belde klager naar de praktijk omdat hij zich zorgen maakte
en hij zijn
controle-afspraak bij de dermatoloog wilde vervroegen. Omdat verweerster op de door
klager
toegestuurde foto geen alarmsignaal zag, stelde zij klager voor de afspraak bij
de dermatoloog, die
drie dagen later gepland stond, af te wachten, dan wel zelf contact met de dermatoloog
op te nemen.
Tegelijkertijd werd klager aangeboden om diezelfde middag nog op het huisartsenspreekuur
te komen,
maar dat wilde klager niet. Klager heeft zelf zijn afspraak bij de dermatoloog kunnen
vervroegen.
3.7 Op 3 juni 2024 heeft verweerster naar klager gebeld om te vragen hoe het met hem ging.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klager verwijt de huisarts dat zij:
a) een verkeerde diagnose heeft gesteld;
b) verkeerde medicatie heeft voorgeschreven;
c) onvoldoende deskundigheid heeft laten blijken;
d) geen begrip voor of inzicht heeft getoond in hoe klager zich heeft gevoeld.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Verder
geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn voor hun
eigen handelen.
Klachtonderdeel a) verkeerde diagnose, b) verkeerde medicatie en c) onvoldoende deskundig
5.2 Deze klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking, aangezien ze
de medisch
inhoudelijke beoordeling betreffen.
5.3 Allereerst stelt klager dat er een verkeerde diagnose is gesteld en dat er nooit
een relatie
is gelegd met de vakantie van klager in Thailand. Dat is niet (op tijd) gedaan.
Daardoor heeft hij
verkeerde medicatie gekregen. Deze medicatie hielp niet; toch moest klager er steeds
te lang mee
doorgaan. Klager heeft ook aangedrongen op meer spoed voor de afspraak bij de dermatoloog,
maar dat
is genegeerd.
5.4 De huisarts betreurt het dat in eerste instantie een andere werkdiagnose is
gesteld dan
‘creeping eruption’, maar stelt zich op het standpunt dat haar daarvan geen tuchtrechtelijk
verwijt
te maken valt. Verweerster heeft bij het tweede consult aangeboden om de dermatoloog
te raadplegen,
hetgeen zij later ook gedaan heeft. Toen de dermatoloog aangaf dat hij mee wilde
kijken, heeft zij
de verwijzing naar de dermatoloog gemaakt. Ten aanzien van het medicatiebeleid heeft
zij steeds
haar beleid met klager besproken. Op de vraag van klager wat hij tegen jeuk en branderigheid
kon
doen, heeft zij voorgesteld te starten met hydrocortisoncreme. Klager ging daarmee
akkoord. Omdat
klager op 22 april 2024 al onder behandeling van de dermatoloog was, en enkele dagen
later een
afspraak met hem had, heeft zij klager geadviseerd die afspraak af te wachten. Voor
zover dat niet
mogelijk was, adviseerde zij hem contact met de dermatoloog op te nemen.
5.5 Het college oordeelt als volgt. Verweerster is op 15 februari 2024 verder gegaan
met de
werkdiagnose die door haar collega op 26 januari 2024 was gesteld. Gelet op de klachten
waarmee
klager zich bij verweerster presenteerde, was dit nog steeds een passende werkdiagnose.
Dat deze
diagnose achteraf gezien onjuist bleek te zijn en later een andere diagnose is gesteld,
betekent
niet dat verweerster jegens klager verwijtbaar heeft gehandeld. De door verweerster
voorgeschreven
medicatie was passend bij de klachten die klager meldde. Van het voorschrijven van
hydrocortisoncreme naar aanleiding van de door klager gemelde jeuk en branderigheid,
kan de
huisarts dan ook geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.
5.6 Daarnaast volgt uit het dossier dat verweerster steeds met klager meedacht en
actie ondernam
als klager daarom vroeg. Zij heeft klager tweemaal beoordeeld en na overleg met
de dermatoloog,
klager naar de dermatoloog verwezen. Ten tijde van die verwijzing was er geen indicatie
voor een
spoedverwijzing. Klager is op 4 april 2024 door de dermatoloog gezien. Toen klager
op 22 april 2024
belde dat hij zich zorgen maakte, heeft verweerster nog een foto beoordeeld. Omdat
zij geen
alarmsignaal zag en klager al onder behandeling van de dermatoloog was, heeft verweerster
klager
geadviseerd de controleafspraak af te wachten, dan wel zelf contact met de dermatoloog
op te nemen.
Verweerster heeft klager aangeboden om diezelfde middag nog naar het spreekuur te
komen, waarvan
hij geen gebruik heeft gemaakt. Naar het oordeel van het college heeft verweerster
klager
zorgvuldig behandeld en op goede gronden haar adviezen gegeven. Van onvoldoende
deskundigheid is
dan ook geen sprake.
5.7 Uit het voorgaande volgt dat van een verkeerde diagnose, verkeerde medicatie
en onvoldoende
deskundig handelen geen sprake is. In het medisch dossier zijn hiervoor overigens
ook geen
aanwijzingen gevonden. Deze klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) geen begrip of inzicht getoond
5.8 Klager stelt dat verweerster niet heeft getoond dat ze begrip of inzicht had
in hoe klager
zich al die tijd heeft gevoeld. Pas nadat klager had gezegd dat hij een klacht zou
gaan indienen,
toonde verweerster begrip voor zijn situatie.
5.9 Verweerster vindt het spijtig dat klager zich niet gehoord/begrepen heeft gevoeld.
Zij heeft
de klachten en/of zorgen van klager nooit gebagatelliseerd en steeds aandacht voor
klager gehad.
Verweerster heeft datgene gedaan wat in haar vermogen lag om met klager in gesprek
te gaan en te
blijven. Toen zij klager op 3 juni 2024 belde, was hij zo boos, dat een gesprek
niet mogelijk was.
5.10 Het college kan op geen enkele wijze vaststellen dat verweerster onvoldoende
begrip zou
hebben getoond voor klager. Het dossier biedt daarvoor geen enkel aanknopingspunt.
Uit het dossier
blijkt juist van grote betrokkenheid van verweerster. Verweerster heeft ook juist
gehandeld door
het gesprek met klager aan te willen gaan, nadat zij bij terugkeer van haar vakantie
had vernomen
dat hij een klacht wilde indienen. Dat klager zo boos was, dat een gesprek niet
mogelijk was, kan
verweerster niet worden verweten. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.
Slotsom
5.11 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door T.N.E. Meyboom, voorzitter, E. Jansen en J.G.E. Smeets,
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door C.W.M. Hillenaar, secretaris en in het openbaar
uitgesproken
door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 13 augustus 2025.