ECLI:NL:TGZRSHE:2025:145 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7297
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:145 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-12-2025 |
| Datum publicatie: | 17-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7297 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Gegrond, geen maatregel |
| Inhoudsindicatie: | Deels gegronde klacht huisarts. Klaagster, haar ex-partner en hun minderjarige dochter waren patiënt bij de huisarts. Klaagster verwijt verweerder dat hij de ex-partner zou hebben geadviseerd een melding te doen bij Veilig Thuis. Klaagster verwijt verweerder dat hij de gestelde zorgsignalen niet heeft getoetst alvorens te melden. Volgens klaagster heeft verweerder de KNMG-Meldcode niet gevolgd. Ook verwijt klaagster verweerder dat hij haar zonder reden zou hebben geadviseerd een andere huisarts te zoeken en dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat zij haar medisch dossier zou hebben gemanipuleerd. Verweerder heeft de dochter doorverwezen voor specialistische hulp zonder toestemming van klaagster. College oordeelt het laatste klachtonderdeel gegrond, de overige klachtonderdelen ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 17 december 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster, gemachtigde [C],
tegen:
[D],
huisarts, werkzaam in [B], verweerder,
gemachtigde: mr. D. Benamari, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster, haar (inmiddels) ex-partner (hierna: de ex-partner of ex) en hun
dochter (hierna:
de dochter) waren allen ingeschreven als patiënt bij de huisartsenpraktijk van verweerder.
Klaagster verwijt verweerder dat hij de ex-partner zou hebben geadviseerd een melding
te doen bij
Veilig Thuis. Klaagster is van mening dat verweerder de zorgsignalen die er zouden
zijn, niet heeft
getoetst alvorens een melding is gedaan bij Veilig Thuis. Volgens klaagster heeft
verweerder de
meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling (hierna: de meldcode) niet gevolgd.
Verweerder zou
daarnaast de dochter hebben doorverwezen voor specialistische hulp zonder toestemming
van
klaagster. Ten slotte verwijt klaagster verweerder dat hij haar zonder reden zou
hebben geadviseerd
om een andere huisarts te zoeken en dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat
zij het medisch
dossier zou hebben gemanipuleerd.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht deels gegrond moet worden verklaard.
Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het dossier bevat de volgende stukken:
- het klaagschrift, ontvangen op 13 juni 2024;
- de brief van 23 juli 2024 van de secretaris aan klaagster;
- de aanvulling op de klacht met de bijlage, ontvangen op 4 september 2024;
- de stukken van klaagster, ontvangen op 20 november 2024;
- de stukken van klaagster, ontvangen op 17 december 2024;
- het verweerschrift, ontvangen op 15 januari 2025;
- het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek gehouden op 19 maart 2025;
- de brief van klaagster met de bijlage, ontvangen op 26 maart 2025;
- de brief van de secretaris van 27 maart 2025 met de bijlagen aan de gemachtigde
van
verweerder;
- de brief van de gemachtigde van verweerder, ontvangen op 10 april 2025;
- de brief van 15 april 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerder;
- aanvullende stukken van klaagster, ontvangen op 8 oktober 2025.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 24 oktober 2025. De partijen
zijn verschenen.
Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben
hun standpunten
mondeling toegelicht. De gemachtigden van partijen hebben een pleitnotitie voorgelezen
en aan het
college en de andere partij overhandigd. De zaak is gelijktijdig behandeld met de
zaak met nummer
H2024/7296.
2.3 Bij de feiten wordt een aantal consulten geciteerd. Uit het overgelegde medisch
dossier is
niet altijd op te maken wie van de zorgverleners de notitie heeft gemaakt. Waar
mogelijk is dit
door de partijen ter zitting nog verduidelijkt.
3. De feiten
3.1 Klaagster en de ex-partner waren ten tijde van het handelen waarover klaagster
thans klaagt,
verwikkeld in een echtscheiding. Zij hadden samen het ouderlijk gezag over de dochter.
Klaagster,
de ex-partner en de dochter waren allen patiënt in de huisartsenpraktijk van verweerder.
3.2 Op 1 februari 2023 had klaagster een consult waarover het volgende is genoteerd
(alle citaten
voor zover van belang en letterlijk weergegeven):
“S: Vertelt in een nare scheiding te zitten. (…) Hebben samen een dochter van 12.
Heeft er ook veel
moeite mee maar kan zich wel goed uiten. Wil het liefst bij moeder wonen. Hij wil
50/50. Heeft een
advocaat en wil de zaak z.s.m. voor laten komen. (…) Heeft hulp van (…) [een gemeentelijke
hulpverleningsinstantie] gevraagd maar krijgt weinig steun met huisvesting. (…)
Zou graag hulp
willen met haar hoofd boven water houden en hoe mentaal in balans te komen (…).”
3.3 Op 17 februari 2023 was er wederom een consult waarover het volgende werd genoteerd:
“(…) S Ex is weer thuis en gaat slecht. Voelt zich niet veilig. (…) Veel wrijving,
ruzie,
manipulatie constant (…). Ook regelmatig waar dochter bij is die er ook last van
heeft. (…) [Een gemeentelijke hulpverleningsinstantie] eerder hulp gevraagd voor
woonsituatie maar
kreeg geen hulp. Nu met advocaat bezig om z.s.m. een regeling te treffen. A.s woe.
gesprek met
elkaar + beide advocaten. (…) Is bang (…) Zou wel
willen dat dochter ook kan praten met iemand. Wilde dit i.e.i. niet, zij zegt dat
er met haar niets
aan de hand is, en ziet ook wel in wat vader doet. (…) Nu vakantie, maar
2
H2024/7297
Beslissing van 17 december 2025
er is geen geld, ze heeft geen eigen rekening, hij weigert dan boodschappen te doen,
dus is er geen of net genoeg eten in huis. Ouders springen wel bij. (…) weet dat
de situatie niet
gezond is (…). Wil liever geen melding veilig thuis. (…)”
3.4 Op 24 februari 2023 werd genoteerd:
“NVZB [college: niet verschenen zonder bericht]. Gebeld, VM ingesproken”
3.5 Op 28 februari 2023 sprak verweerder met de praktijkondersteuner. Het gesprek
tussen
verweerder en de praktijkondersteuner betrof een niet pluis gevoel en de mogelijkheid
dat de
dochter een loyaliteitsconflict met klaagster en de ex-partner zou hebben. Dit gaf
zorgen over het
welzijn van de dochter. Verweerder adviseerde de praktijkondersteuner om geanonimiseerd
advies in
te winnen bij Veilig Thuis.
3.6 Op 1 maart 2023 schreef klaagster aan de praktijk van verweerder:
“Afgelopen vrijdag heb ik geprobeerd de afspraak af te bellen (…) De reden was dat
ik die dag een
afspraak had met de advocaten over een tijdelijke regeling om rust te brengen voor
mij en (…) [de
dochter]. Uiterlijk 15 maart wensen we graag dat de situatie ten positieve verandert
is. Ik wil je
ook aangeven dat een melding bij veilig thuis echt iets is, wat ik niet wil en geen
toestemming
voor geef. (…)”
3.7 In het medisch dossier van klaagster is op dezelfde dag daarna genoteerd:
“S TC: Mw. 2x gebeld, VM ingesproken. P Ik bel 2-3 nogmaals. (…)”
3.8 Op 2 maart 2023 is genoteerd in het medisch dossier van klaagster:
“S TC: Gebeld, geen gehoor. Belt later terug. (…) [Dochter] wil niet met iemand
praten. Ze heeft
goed contact met school en praat met moeder en opa/oma goed, dit is voor nu voldoende.
(…) Ex (…)
is niet akkoord gegaan met voorstel dus nu gaat de zaak naar een voorzieningsrechter
en komt er
binnen 4/6 wkn een uitspraak. (…) Hulp bij (…) [een gemeentelijke hulpverleningsinstantie]
voor
ondersteuning bij scheiding.
O Veel verdriet en somberheid. (…)
E Relatieproblematiek
P 1. Houdt (…) [dochter] in de gaten, mocht ze (…) wel willen dan kan dat. 2. Ik
maak de vw voor
een psy. 3. Gaat contact opnemen met (…) [gemeentelijke hulpverleningsinstantie]
Nieuwe bel
afspraak 24-3 (…)”
3.9 Op 8 maart 2023 had de praktijkondersteuner contact met Veilig Thuis. Er werd
geadviseerd om
klaagster en de ex-partner uit te nodigen voor een gesprek om de zorgen over de
dochter te
bespreken. De praktijkondersteuner besprak dit advies met verweerder.
3.10 Op 8 maart 2023 is in het medisch dossier van klaagster geschreven:
3
H2024/7297
Beslissing van 17 december 2025
“(…) S Conflicten rondom dochter > advies veilig thuis (meldcode) > gesprek met
ouders aangaan
P Naar: (…) [klaagster] gebeld gg > VM en EC (…)”
3.11 Op 8 maart 2023 e-mailde verweerder aan klaagster:
“Graag nodig ik jullie als ouders van (…) [de dochter] uit om te praten over haar
(psychische)
gezondheid. Dit naar aanleiding van signalen die we ontvangen waarbij we ons zorgen
maken om (…)
[de dochter]. We hebben advies gekregen van Veilig Thuis, we volgen hierin de meldcode.
Nb
geprobeerd je te bellen, je VM ingesproken. (…)”
Ook is op die dag in het medisch dossier van klaagster genoteerd:
“S (…) Durft gesprek met partner nu niet aan.
O emotioneel
E Vechtscheiding
P uitleg dat we advies van Veilig Thuis volgen dus geen gesprek (24/3 als
ultimatum gesteld) is melding. Snapt dit.”
3.12 Op 8 maart 2023 is voorts een gesprek met klaagster in het medisch dossier
van klaagster
genoteerd:
“(…) S Helaas kan ik nog steeds niet terecht bij (…) [Jeugdhulp]. In de tussentijd
heeft mijn ex een tijdelijke zorgindeling waardoor (…) [de dochter] en ik de komende
weken tot rust
konden komen afgewezen. (…) Ik voelde mij zwaar onder druk gezet, bedreigd en gechanteerd.
En dit
terwijl onze dochter (…) niet 50/50 wil. (…) 50/50
niet in het belang van (…) [de dochter]. Omdat ik mij zo bedreigd voelde ben ik
afgelopen zondag met (…) [de dochter] voorenkele dagen bij mijn ouders gaan
logeren. (…) Nu heeft hij dit gezien als dat ik (…) [de dochter] bij hem weg houd
en onttrek van
ouderlijke macht. Als reactie daarop is bij jullie praktijk een melding gemaakt
bij veilig thuis.
Ik ben bang voor alles, hem, verliezen van (…) [de dochter], verliezen van baan
etc. Ik slaap
ondanks de slaapmedicatie niet en zit de hele dag te trillen als een ritje. (…)”
3.13 Een gesprek met klaagster en de ex-partner heeft niet plaatsgevonden. Verweerder
heeft wel
een gesprek gehad met klaagster en haar vader. Verweerder heeft klaagster extra
gesprekken
aangeboden.
3.14 Op 21 maart 2023 benaderde klaagster de praktijk telefonisch. Hierover werd
het volgende
genoteerd:
“S: belt: er is een veilig thuis melding gedaan omtrent dochter (…). En zij heeft
haar verhaal
gedaan bij (…) [intialen verweerder] (op 08/03) op verzoek van (…) [intialen verweerder]
zelf want
dit zou het advies vanuit veilig thuis zijn. Nu heeft ze contact gehad met veilig
thuis en blijkt
dat er geen verzoek is geweest vanuit hun om contact te zoeken met haar door HA.
Ook is haar
verhaal wat ze gedaan heeft nu niet
4
H2024/7297
Beslissing van 17 december 2025
bekend bij veilig thuis, terwijl dit wel erg belangrijk is in de situatie waarin
ze zit en
binnenkort voor de rechter staat. (…)
O: TC consult geadvisseerd voor 22/03 met (…) [intialen verweerder]. Deze
ingepland. (…)”
3.15 Op 22 maart 2023 benaderde verweerder klaagster telefonisch. In het medisch
dossier van
klaagster werd genoteerd:
“S (…) Graag TC contact ivm dochter. (…)
P 27/3 mogelijk al rechtszaak !? aangekondigd dat wij advies van Veilig Thuis
volgen zie voorgaande: Melding. VM van (…) [medewerker Veilig Thuis] ingesproken,
06 achter gelaten (…) [intialen verweerder]”
3.16 Op 23 maart 2023 nam verweerder contact op met een medewerker van Veilig Thuis.
In het
medisch dossier van klaagster is hierover opgeschreven:
“S: (…) [medewerker Veilig Thuis]: mocht de rechter een uitspraak doen (zoals moeder
oppert) waar
beiden zich in kunnen vinden dan is melden niet nodig. Mocht de systeemproblematiek
teveel worden
voor de HA praktijk dan is dat ook een reden om te melden en uit handen te geven.”
3.17 Op 24 maart 2023 is genoteerd in het medisch dossier van klaagster:
“(…) Woont sinds 5-3 bij ouders. Voelde thuis niet meer veilig, hij dreigde met
melding veilig thuis te maken als ze geen 50/50 verdeling van (…) [de dochter]
geeft. (…) Wil ook dat (…) [de dochter] toch naar JV gaat, vader is volgens mw.
ook
akkoord. (…)
P Nieuwe TC 31-3 (…) Ik zorg dat (…) [de dochter] wordt opgeroepen. (…)”
3.18 Op 29 maart 2023 is genoteerd in het medisch dossier van klaagster:
“(…) Afgelopen vrijdag heeft (…) [ex-partner] (…) ons voorstel voor de zorgindeling
geaccepteerd.
(…) [De dochter] en ik wonen dus (…) sinds 5 maart bij mijn ouders. (…) [Ex-partner]
heeft ook de
meldingen bij veilig thuis en bij jullie ingetrokken.
Daarmee bevestigde hij dat het valse meldingen betrof. (…) Ze [de dochter] wordt
dus opgeroepen bij
jou collega, zou je mij kunnen laten weten wanneer, want ik
ontvang de post dus niet. Ook wil ik aangeven dat (…) [de dochter] in de weerstand
hierin zit en
zich gedwongen voelt door papa. Is het nog aan te raden dat ik bij jouw collega
toelichting geef op
de situatie? Het gezin vroeger, het systeem etc? (…)”
3.19 Klaagster en haar dochter werden uitgenodigd voor een gesprek op 4 april 2023.
3.20 Op 31 maart 2023 is het volgende genoteerd in het medisch dossier van klaagster:
“ S TC: De beslissing om naar ouders gegaan, was goed (…) [Ex-partner] is akkoord
gegaan met
omgangsregeling. (…) [De dochter] wil eigenlijk alleen de maandag naar haar vader.
Mw. stimuleert
dit wel. (…)
5
H2024/7297
Beslissing van 17 december 2025
P Uitleg gegeven melding veilig thuis. Nieuwe TC 14-4 (…)”
3.21 Op 4 april 2023 annuleerde klaagster de afspraak voor de dochter met de praktijkondersteuner
op die dag. In het dossier is daarover het volgende opgenomen:
“(…) Echter is (…) besloten, samen met de vader van (…) [de dochter], dat wij het
voldoende vinden
als (…) [de dochter] naar een kindbehartiger/therapeut gaat. Om te voorkomen dat
ze dubbel ballast
wordt, zeggen we de afspraak van vandaag (…) af. (…)”
3.22 Op 14 april 2023 is genoteerd in het medisch dossier van klaagster:
“(…) Hebben kindbehartiger gevonden. Met beide ouders gesproken. Krijgt volledig
begrip. Gaat nu
gesprekken met (…) [de dochter] opstarten. (…) Nieuwe afspraak 12-5 (…)”
3.23 Op 26 april 2023 heeft verweerder de dochter voor gespecialiseerde jeugdhulpverlening
doorverwezen, nadat de praktijkondersteuner tegen verweerder had gezegd dat klaagster
en de
ex-partner akkoord waren.
3.24 Op 12 mei 2023 vond een gesprek plaats tussen verweerder, klaagster en de vader
van
klaagster. Daarover is het volgende genoteerd:
“S Komt samen met vader. (…) Omgangsregeling gaat heel moeizaam (…) Kindbehartiger
trekt haar
handen er van af, vond het te gecompliceerd. (…) [Naam behandelaar] gaf aan om aan
(…)
[gespecialiseerde jeugdhulpverlening] te kijken.
Gespecialieerd in moeilijke scheidingen. Heeft contact gezocht, binnen nu en 2 weken
word gesprek ingepland. (…) Traject bij [jeugdhulpverlening] 9-6 intake (…)”
3.25 Op 9 juni 2023 is in het medisch dossier van klaagster genoteerd:
“S NVZB Gebeld, VM ingesproken.”
3.26 Op 30 juni 2023 en op 4 juli 2023 schreef klaagster aan verweerder dat zij
niet heeft
ingestemd met deze verwijzing naar de gespecialiseerde jeugdhulpverlening.
3.27 Op 3 juli 2023 reageerder verweerder als volgt richting klaagster: “(…) Deze
informatie komt
in je dossier. Vervelend dat je dit zo ervaart. Zeker na excuses en de intentie
van onze praktijk.
Mocht je onze tijd en moeite als onvoldoende ervaren adviseer ik een andere huisarts
te zoeken.
(…)”
3.28 Op 7 juli 2023 is door de gespecialiseerde jeugdhulpverlening aangegeven dat
de dochter na de
intake niet in de zorg was opgenomen.
3.29 Op 25 juli 2023 werd door een gemeentelijke hulpverleningsinstantie aangegeven
dat er de wens
was om de gespecialiseerde jeugdhulpverlening weer actief in te zetten maar dat
6
H2024/7297
Beslissing van 17 december 2025
klaagster daarvoor geen toestemming gaf. Klaagster en de ex-partner zouden actief
worden benaderd
voor een vervolgtraject.
3.30 Op 25 juli 2023 besprak de praktijkondersteuner de laatste ontwikkelingen met
verweerder.
Daarna is deze casus nogmaals op anonieme wijze voorgelegd aan Veilig Thuis dat
adviseerde om een
melding te doen. In overleg met verweerder is besloten om het advies van Veilig
Thuis op te volgen
en een melding te doen. De praktijkondersteuner belde klaagster dezelfde dag om
haar te informeren
over het voornemen om een melding te doen bij Veilig Thuis. In het medisch dossier
van klaagster
werd hierover het volgende genoteerd:
“(…) gebeld om mw op de hoogte te brengen van melding Veilig thuis: ggh en geen
voicemail
ingesproken. 16.07 tc moment met mw, met de mededeling dat er een melding gemaakt
is. mw is boos
(…) voelt zich bedreigt door ex. (…)”
3.31 Op 5 maart 2024 schreef klaagster aan de praktijkondersteuner:
“(…) Enige tijd geleden heeft u mij overvallen met een telefoontje dat u een melding
ging maken bij
Veilig Thuis op mijn naam. (…) U heeft een melding gedaan zonder het kind te spreken
(…) ook heeft
u mij niet gesproken. (…) Van het feit dat u zich
niet gehouden heeft aan meldcode zal ik een klacht maken. (…)”
3.32 Verweerder heeft excuses aan klaagster aangeboden nadat zij aangaf geen toestemming
te hebben
gegeven voor de verwijzing van 26 april 2023 voor de dochter naar de gespecialiseerde
jeugdhulpverlening. Verweerder heeft klaagster toegezegd dat hij voortaan alleen
nog verwijzingen
zou afgeven voor de dochter als klaagster en haar ex-partner daarmee schriftelijk
instemmen.
3.33 Op 29 april 2024 vond een gesprek plaats tussen de praktijkondersteuner, klaagster,
de vader
van klaagster, de praktijkmanager en verweerder. Dit gesprek heeft niet tot een
oplossing geleid.
Tijdens dit gesprek heeft klaagster aangegeven geen vertrouwen te hebben in de praktijk
van
verweerder. Klaagster heeft vervolgens zelf de behandelingsovereenkomst beëindigd
en is overgestapt
naar een nieuwe huisartsenpraktijk.
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klaagster verwijt verweerder dat hij:
a) de ex-partner van klaagster zou hebben geadviseerd op 28 februari 2023 een
melding te doen bij
Veilig Thuis;
b) op 8 maart 2023 niet de zorgsignalen heeft getoetst;
c) een verwijzing heeft afgegeven voor de dochter van klaagster zonder overleg
met klaagster;
d) het advies heeft gegeven een andere huisarts te zoeken omdat er een vertrouwensbreuk
is
ontstaan;
e) ten onrechte klaagster heeft beschuldigd van manipulatie van het medisch dossier.
7
H2024/7297
Beslissing van 17 december 2025
4.2 Verweerder heeft het college verzocht de klaagster niet-ontvankelijk te verklaren
en de
klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht
wel inhoudelijk
gaat beoordelen, heeft verweerder het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder, voor zover nodig, in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Dat
een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een
tuchtrechtelijk
verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk
verantwoordelijk
zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Bij de beoordeling wordt voorts vooropgesteld dat in de onderhavige zaak de
meldcode van
toepassing is. In de meldcode is een afwegingskader opgenomen om bij vermoedens
van acute of
structurele onveiligheid melding te doen bij Veilig Thuis. Het gaat dan om vermoedens
van geweld in
allerlei vormen dan wel onveiligheid voor kinderen in de breedste zin van het woord.
Volgens het
afwegingskader worden dergelijke vermoedens van onveiligheid gemeld, ook als de
zorgverlener zelf
geen hulp kan bieden of kan organiseren. Aan de zorgverlener wordt ook opgedragen
te melden wanneer
er sprake blijft van onveiligheid, ook wanneer er hulp is ingezet. De bedoeling
van de meldcode is
om bij twijfel over de gezondheid of veiligheid van een kind of kinderen, de zorg
op laagdrempelige
wijze te kunnen opschalen. Van de arts wordt zorgvuldigheid verwacht maar anders
dan klaagster
kennelijk veronderstelt, is het niet aan de arts om aan waarheidsvinding te doen.
De zorg ziet op
het welzijn van het kind, niet op de vraag wat wel of niet als waar moet worden
aangenomen.
Klachtonderdeel a) de ex-partner van klaagster geadviseerd op 28 februari 2023 een
melding te doen
bij Veilig Thuis
5.3 Klaagster is van mening dat verweerder aan de ex-partner advies heeft gegeven
om een melding
te doen bij Veilig Thuis. Verweerder heeft aangevoerd dat hij vanwege de geheimhoudingsverplichting
jegens de ex-partner niet inhoudelijk kan reageren, noch het medisch dossier van
de ex-partner in
de procedure kan inbrengen.
5.4 In het tuchtrecht geldt dat een zorgverlener zich aan de hand van het medisch
dossier van een
klager mag verweren. Zijn beroepsgeheim staat daar niet aan in de weg. Dit licht
het college hierna
toe.
8
H2024/7297
Beslissing van 17 december 2025
Situatie waarin een patiënt zelf klaagt over een zorgverlener
5.5 Paragraaf 5.7.1 van de KNMG-richtlijn ‘Omgaan met medische gegevens versie
2022, (hierna:
KNMG-richtlijn) van belang. Hierin wordt onder andere het volgende bepaald:
“(…) Voor het gebruiken, c.q. delen, van medische gegevens van de patiënt voor het
verweer is wel
een rechtvaardiging nodig. Met het verstrekken van de gegevens in een juridische
procedure
doorbreekt de arts immers zijn medisch beroepsgeheim. De rechtvaardiging voor het
gebruik van
medische gegevens voor het verweer in een klacht- en tuchtzaak of civiele rechtszaak
kan worden
gevonden in het 'recht op een eerlijk proces', zoals vastgelegd in het Europese
Verdrag voor de
Rechten van de Mens (EVRM). Als de arts de medische gegevens van de patiënt niet
zou mogen
gebruiken, zou hij immers in een ongelijke positie staan ten opzichte van de patiënt
die deze
gegevens wel kan gebruiken. Artsen hebben een te respecteren eigen belang om zich
adequaat te
kunnen verweren. Juridische procedures kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de
arts. Het zijn
procedures waarvan de
uitkomsten een arts in zijn rechten kunnen raken. (…) De inzage in en het gebruik
van medische
gegevens voor het verweer moeten wel binnen de grenzen van proportionaliteit en
subsidiariteit
blijven. Op voorhand valt moeilijk te bepalen welke gegevens voor het verweer relevant
zijn. Bij
het beoordelen daarvan heeft de arts zelf enige beoordelingsruimte. Het gebruik
van niet-relevante
gegevens levert echter wel een ongeoorloofde inbreuk op het beroepsgeheim en de
privacy van de
patiënt op. (…)”
Deze bepaling uit de richtlijn heeft betrekking op situaties waarin de patiënt de
procedure is
gestart.
Situatie waarin een ander dan een patiënt klaagt over het handelen van een zorgverlener
5.6 In deze klacht is niet de patiënt zelf een procedure gestart maar de ex-partner
van de
betreffende patiënt. Paragraaf 5.7.1 van de KNMG-richtlijn is dan niet van toepassing.
In de
KNMG-richtlijn in paragraaf 1.5 zijn redenen opgenomen dat onder bijzondere omstandigheden
medische
gegevens aan een ander dan de patiënt zelf kunnen worden verstrekt, de zogenaamde
doorbrekingsgronden. Daarbij geldt dat het doorbreken slechts in uitzonderlijke
gevallen wordt
toegestaan. Bijvoorbeeld informatie over afstamming of informatie over ernstige
erfelijke
aandoeningen.
5.7 In onderhavig geschil is niet gebleken dat sprake is van een dergelijk uitzonderlijk
geval.
Dat betekent dat het college oordeelt dat verweerder terecht heeft gesteld en heeft
mogen stellen
dat zijn beroepsgeheim hem belet om op dit klachtonderdeel te reageren.
5.8 Hoewel het niet voeren van een inhoudelijk verweer kan leiden tot gegrondheid
van de klacht,
is het college van oordeel dat in deze situatie niet tot dit oordeel kan worden
gekomen. Verweerder
kan niet tuchtrechtelijk worden verweten dat hij zich vanwege het beroepsgeheim
niet adequaat heeft
verdedigd tegen dit klachtonderdeel. Omdat het college zonder verweer de feiten
en de klacht niet
kan beoordelen, en in dit geval verweerder niet
9
H2024/7297
Beslissing van 17 december 2025
kan worden tegengeworpen dat hij geen verweer voert, leidt dit tot ongegrondverklaring
van de
klacht.
Klachtonderdeel b) op 8 maart 2023 niet de zorgsignalen heeft getoetst
5.9 Klaagster heeft ter onderbouwing van dit klachtonderdeel opgemerkt dat verweerder
niet
expliciet heeft benoemd welke zorgsignalen er zouden zijn waardoor klaagster de
mogelijkheid is
ontnomen om op die zorgsignalen te reageren.
5.10 Verweerder heeft aangevoerd dat er een uitgebreid gesprek heeft plaatsgevonden.
Dit gesprek
is ook in het medisch dossier van klaagster genoteerd. Daarna heeft verweerder klaagster
ook
gesproken en met haar besproken dat er zorgen waren en dat advies was gevraagd bij
Veilig Thuis.
Met klaagster is besproken wat de stappen waren en of al dan niet een melding zou
worden gedaan.
Daarvoor was met name van belang dat er een gesprek met klaagster en de ex-partner
zou
plaatsvinden. Klaagster gaf toen aan dat zij op dat moment een gesprek met de ex-partner
als
onveilig ervoer. Er zijn verschillende momenten aangeboden om een gesprek te voeren.
5.11 Het college stelt vast dat er op 8 maart 2023 in het medisch dossier uitgebreid
is
weergegeven wat op die dag met klaagster is besproken. Klaagster heeft ook van haar
kant uitgebreid
haar zorgen gedeeld over de situatie waarin zij en de dochter zich bevonden rond
de echtscheiding.
Het college stelt ook vast dat verweerder met klaagster heeft gesproken over het
advies van Veilig
Thuis, waarbij geadviseerd werd dat er een gesprek moest volgen. Naar het oordeel
van het college
is het gelet op de inhoud van het medisch dossier, navolgbaar dat er op 8 maart
2023 zorgsignalen
waren over het welzijn van de dochter. Uit het medisch dossier is ook op te maken
dat de zorgen
over het welzijn van de dochter niet werden weggenomen tijdens het gesprek met klaagster.
Klaagster
maakt melding van bedreiging, chantage en manipulatie door de ex-partner, reden
waarom klaagster
met haar dochter tijdelijk naar haar ouders is gegaan. Dat er mogelijk niet expliciet
naar het
welzijn van de dochter is gevraagd door verweerder maakt niet dat de zorgsignalen
niet zouden zijn
getoetst. Dat verweerder de zorgen die de praktijkondersteuner heeft en die in het
medisch dossier
ook zijn opgenomen, meeweegt in zijn afweging om al dan niet een melding te doen,
is naar het
oordeel van het college juist. Verweerder kan dan ook niet worden verweten dat hij
de zorgsignalen
niet expliciet heeft genoemd nu er geen verplichting is de zorgsignalen uitdrukkelijk
te benoemen.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.
5.12 Voor zover klaagster heeft bedoeld te stellen dat verweerder na 8 maart 2023
zonder verder
overleg een melding heeft gedaan bij Veilig Thuis, oordeelt het college als volgt.
In het medisch
dossier is opgenomen dat klaagster verweerder op 21 maart 2023 het verwijt maakt
dat er een melding
zou zijn gedaan bij Veilig Thuis door verweerder. Het college kan niet vaststellen
dat verweerder
toen een dergelijke melding heeft gedaan. Verweerder heeft dit ook weersproken.
Wel blijkt uit het
medisch dossier dat de melding door de praktijkondersteuner is gedaan op 25 juli
2023 nadat bleek
dat de opgestarte
10
H2024/7297
Beslissing van 17 december 2025
jeugdhulpverlening stagneerde terwijl de zorgen om de dochter aanhielden en nadat
wederom (anoniem)
advies was gevraagd aan Veilig Thuis. Klaagster is van deze melding ook dezelfde
dag in kennis
gesteld. Dit handelen is in overeenstemming met de meldcode en voor het overige
is dit
klachtonderdeel ook ongegrond.
Klachtonderdeel c) een verwijzing heeft afgegeven voor de dochter van klaagster zonder
overleg met
klaagster
5.13 Klaagster heeft ter onderbouwing van dit klachtonderdeel gewezen op het feit
dat verweerder
zonder overleg met klaagster een verwijzing naar de gespecialiseerde jeugdhulpverlening
heeft
afgegeven. Volgens klaagster had hoor en wederhoor moeten worden toegepast alvorens
een verwijzing
af te geven. Klaagster was niet tegen de gespecialiseerde jeugdhulpverlening maar
ageert tegen het
feit dat verweerder niet heeft gecontroleerd of klaagster ook akkoord was met de
verwijzing door
verweerder.
5.14 Verweerder heeft opgemerkt dat de verwijzing is afgegeven op verzoek van de
praktijkondersteuner. Zij had informatie gekregen waaruit zij opmaakte dat beide
ouders akkoord
waren. Ook verweerder had op dat moment geen aanwijzingen dat klaagster geen gespecialiseerde
jeugdhulpverlening wenste. Toen bleek dat klaagster toestemming onthield, heeft
verweerder direct
actie ondernomen, excuses aangeboden en maatregelen getroffen om herhaling te voorkomen.
5.15 Verweerder had naar het oordeel van het college in de specifieke omstandigheden
zoals
hiervoor omschreven tussen klaagster en de ex-partner niet mogen veronderstellen
dat de vraag om
een doorverwijzing ook de instemming van klaagster had. Duidelijk was dat klaagster
en haar
ex-partner niet op goede voet met elkaar stonden, zowel wat betreft de wijze van
afwikkeling van de
echtscheiding als de begeleiding van de dochter. Klaagster heeft meerdere keren
aangegeven aan
verweerder dat de omgang met de ex-partner gecompliceerd was, dat er veel emoties
waren en dat de
dochter afwijzend stond tegenover de opgedragen omgang met de ex-partner. Bovendien
had klaagster
aangegeven dat ook de kindbehartiger de casus erg gecompliceerd vond. De enkele
mededeling van de
ex-partner dat klaagster akkoord ging met een verwijzing door verweerder had in
deze omstandigheden
tot een nadere uitvraag moeten leiden. Door dat niet te doen, heeft verweerder in
deze
tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dit betekent dat dit klachtonderdeel gegrond
is.
Klachtonderdeel d) het advies heeft gegeven een andere huisarts te zoeken omdat er
een
vertrouwensbreuk is ontstaan
5.16 Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder in juni 2023 heeft geadviseerd
dat
klaagster een andere huisarts kon zoeken. Verweerder heeft daarbij ook aangegeven
klaagster
behulpzaam te willen zijn en te allen tijde de vereiste zorg te blijven leveren.
Verweerder heeft
dit geadviseerd omdat klaagster ondanks verontschuldigingen en getroffen maatregelen
ontevreden
bleef.
11
H2024/7297
Beslissing van 17 december 2025
5.17 Het college is van oordeel dat verweerder zich mocht afvragen of er nog voldoende
vertrouwen
was gelet op het feit dat klaagster haar ongenoegen bleef uiten over het handelen
van verweerder
met betrekking tot de verwijzing van de dochter. Het valt verweerder te prijzen
dat hij deze vraag
ook aan klaagster heeft gesteld en de vraag naar het vertrouwen bespreekbaar heeft
willen maken.
Hoewel het mogelijk beter was geweest wanneer verweerder dit mondeling bespreekbaar
had gemaakt, is
het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat hij dat niet heeft gedaan. Het gaat bij
het
tuchtrechtelijk oordeel niet om de vraag of het beter had gekund maar of het beter
had gemoeten.
Van dat laatste is niet gebleken. Klaagster heeft uiteindelijk zelf de keuze gemaakt
om zich bij
een andere praktijk in te schrijven. Dit klachtonderdeel is ongegrond.
Klachtonderdeel e) ten onrechte klaagster heeft beschuldigd van manipulatie van het
medisch dossier
5.18 Klaagster heeft ter nadere onderbouwing gewezen op de opmerking in het verweerschrift
waarin
is opgemerkt dat het medisch dossier dat door klaagster is overgelegd, onvolledig
en niet
consistent is. Ook zouden sommige aantekeningen na een bepaald deel zijn weggevallen.
In het
verweerschrift wordt opgemerkt dat de presentatie de indruk wekt dat het dossier
door klaagster is
bewerkt. Verweerder zou door het overleggen van een dergelijk dossier worden belemmerd
in zijn
verweer.
5.19 Het college is van oordeel dat, anders dan door klaagster is opgemerkt, verweerder
klaagster
niet heeft beschuldigd van manipulatie van het medisch dossier. Het is de gemachtigde
van
verweerder die het college erop heeft gewezen dat het overgelegde medisch dossier
niet volledig
was. Klaagster heeft daarop alsnog het volledige medisch dossier overgelegd. Daarmee
staat vast dat
het medisch dossier zoals het aanvankelijk was overgelegd, niet volledig was. Het
stond de
gemachtigde van verweerder vrij om hierover een opmerking te maken, zeker gelet
op het feit dat een
verweerder zich ook goed moet kunnen verdedigen, is het de taak van de gemachtigde
(en van
verweerder zelf) om kennelijke omissies aan de orde te stellen. Dit klachtonderdeel
is ongegrond.
Slotsom
5.20 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdeel c) gegrond is. De overige
klachtonderdelen zijn ongegrond.
Maatregel
5.21 Nu de klacht deels gegrond is verklaard, dient het college de vraag te beantwoorden
of en
welke maatregel in dit geval moet worden opgelegd. Het college ziet aanleiding om
af te zien van
het opleggen van een maatregel (artikel 69, vierde lid, van de Wet BIG). Het college
komt tot dit
oordeel nu de omstandigheden waaronder het handelen van verweerder heeft plaatsgevonden
als complex
kunnen worden beschouwd. Klaagster en de ex-partner waren in een vechtscheiding
verwikkeld en het
college kan uit het handelen van verweerder niet anders opmaken dan dat hij het
welzijn van de
dochter voor ogen had. Uit het medisch
12
H2024/7297
Beslissing van 17 december 2025
13
dossier en hetgeen op zitting is besproken, blijkt dat klaagster wel de wens had
dat er een
verwijzing naar deze gespecialiseerde jeugdhulpverlening zou plaatsvinden. Het college
kan het
billijken dat verweerder in deze omstandigheden mogelijk op het verkeerde been is
gezet, dat het
voor klaagster geen probleem zou zijn wanneer verweerder deze verwijzing zou maken
in plaats van
dat de andere jeugdinstelling deze melding zou doen. Daar komt bij dat verweerder
heeft
gereflecteerd op zijn handelen en dat de procedure met betrekking tot het afgeven
van verwijzingen
binnen de praktijk inmiddels is aangepast. Gelet op deze omstandigheden kan naar
het oordeel van
het college van het opleggen van een maatregel
worden afgezien.
Publicatie
5.22 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin
gelegen dat andere zorgverleners mogelijk in deze situatie handvatten kunnen vinden
hoe met deze
ingewikkelde materie om te gaan. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding
van namen of
andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klachtonderdeel c) gegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen
of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt
en ter
publicatie zal worden aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven op 17 december 2025 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van
Meerwijk,
voorzitter, J.G.E. Smeets en T.A.W. Linssen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
F. Bergervoet,
secretaris en in het openbaar uitgesproken op
17 december 2025.