ECLI:NL:TGZRSHE:2025:133 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7585

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:133
Datum uitspraak: 19-11-2025
Datum publicatie: 19-11-2025
Zaaknummer(s): H2024/7585
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegronde klacht tegen psychiater. De klacht van patiënt betreft onder meer het stellen van een onjuiste diagnose en het voorschrijven van verkeerde medicatie. Geen reden om van de reeds gestelde diagnose af te wijken. Toegediende medicatie was passend bij het ziektebeeld.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 19 november 2025 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klager,

tegen:

[C],
psychiater,
destijds werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de psychiater,
werkzaam in Amsterdam,
gemachtigde: mr. D. Schut-Wolfs.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   In de periode van 20 april 2021 tot en met 25 mei 2021 was klager gedwongen opgenomen bij een 
instelling voor geestelijke gezondheidszorg (hierna: de instelling). Van begin maart 2024 tot eind 
juli 2024 was klager wederom opgenomen bij de instelling. In deze laatste periode werd hij door 
meerdere zorgverleners behandeld. Klager verwijt de psychiater onder meer het stellen van een 
onjuiste diagnose, het voorschrijven van verkeerde medicatie, het de-stimuleren voor de 
arbeidsmarkt en geestelijke en lichamelijke mishandeling.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat klager in enkele klachtonderdelen kennelijk niet- 
ontvankelijk is en dat de overige klachtonderdelen kennelijk ongegrond zijn. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift, ontvangen op 31 augustus 2024;
-  een aanvulling op het klaagschrift, ontvangen op 27 september 2024;
-  de brief van 14 november 2024 van de secretaris aan klager;
-  de e-mail van klager, ontvangen op 12 december 2024;
-  het overzicht lopende klachten, ontvangen van klager op 30 december 2024;
-  het verweerschrift, ontvangen op 5 maart 2025.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.

2.3   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Klager heeft een langdurig verleden met psychische problematiek. De psychiater, werkzaam bij 
de instelling, was als ambulant psychiater vanaf 1 november 2015 tot en met 8 oktober 2022 bij de 
behandeling van klager betrokken. Vanaf 2021 was hij ambulant regiebehandelaar van klager, met 
uitzondering van de periode 20 april tot en met 25 mei 2021, toen klager gedwongen was opgenomen. 
In die periode was de psychiater van de opnameafdeling de regiebehandelaar. Tijdens deze opname is 
op 23 april 2021 Abilfy (aripiprazol) aan klager toegediend.

3.2   Met een crisismaatregel (CM) als juridisch kader werd klager op 6 maart 2024 gedwongen 
opgenomen op de High Intensive Care (HIC) afdeling van de instelling. In de opnamebrief van 7 maart 
2024 staat als beleid genoteerd (alle citaten voor zover van belang en ongecorrigeerd weergegeven):
“   Opname op HIC met CM
Artikel 8.9 aangemaakt voor opname in accommodatie, beperking bewegingsvrijheid Temazepam 20mg z.n.
Geen vrijheden
(…)
Ambulante psychofarmaca wegens langere tijd geen inname, huidig nog niet voorgeschreven:
biperideen zo nodig 2 dd 1 tablet van 2mg (= 2 mg) clomipramine 1 dd 2 tablet van 75mg (= 150 mg) 
lurasidon 1 dd 1.5 tablet van 37,2mg (=55.8 mg)”

3.3   Op 8 maart 2024 verleende de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de 
crisismaatregel. Aansluitend daarop verleende de rechtbank op 15 april 2024 een zorgmachtiging tot 
het verlenen van verplichte zorg voor de duur van zes maanden. Deze opname duurde tot 29 juli 2024. 
In die periode is klager door meerdere zorgverleners behandeld.

3.4   Op 24 mei 2024 werd klager van de HIC overgeplaatst naar de Forensische High Intensive Care 
(FHIC).

3.5  Sinds 1 april 2024 is de psychiater niet meer in dienst van de instelling.

4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Klager verwijt de psychiater:
a) onjuiste diagnose en het vasthouden aan deze diagnose;
b) het voorschrijven van verkeerde medicatie en het niet verstrekken van pijn bestrijdende 
    medicatie;
c) het de-stimuleren voor de arbeidsmarkt;
d) geestelijke en lichamelijke mishandeling;
e) onjuiste procedure en regels, slecht onderhoud van gebouwen en beveiligingsinstallatie, het niet 
    reageren op dringende hulpvragen en een slecht rapportagesysteem.

4.2   De psychiater heeft het college verzocht klager niet ontvankelijk te verklaren, dan wel de 
klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1   De psychiater heeft naar voren gebracht dat klager niet-ontvankelijk is in de klacht omdat 
niet geheel duidelijk is op welke periode de klacht ziet. Daarnaast zijn de klachtonderdelen 
volgens de psychiater te algemeen geformuleerd en is het niet aan hem om te gokken op welke 
situaties klager doelt. De psychiater is ook niet altijd bij de behandeling van klager betrokken 
geweest. Daarnaast ziet het tuchtrecht niet op de problemen waar klager over klaagt.

5.2   Het college komt tot het oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in de 
klachtonderdelen c), d) en e). Het college komt tot dit oordeel op grond van het navolgende.

Uitleg
5.3   Klager heeft deze klachtonderdelen op geen enkele wijze gespecificeerd noch toegelicht, ook 
niet nadat de secretaris hem bij brief van 14 november 2024 om uitleg had gevraagd. Hierdoor is nog 
steeds niet duidelijk wat klager verweerder precies verwijt. Vooralsnog lijkt klager te klagen over 
onderwerpen waarvoor verweerder niet verantwoordelijk is, noch een persoonlijk verwijt te maken 
valt. Daarom is het college van oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in deze 
klachtonderdelen. Dat betekent dat deze klachtonderdelen niet inhoudelijk kunnen worden beoordeeld.

De criteria voor de inhoudelijke beoordeling
5.4  De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.5  Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdeel a) onjuiste diagnose/ vasthouden aan diagnose
5.6   Klager stelt dat een onjuiste diagnose is gesteld en dat ten onrechte daaraan is vastgehouden 
door de psychiater.

5.7   De psychiater voert aan dat klager niet specifiek heeft aangegeven op welke diagnose de 
klacht ziet noch op welke datum deze onjuiste diagnose zou zijn gesteld. Het gaat de psychiater te 
ver om het gehele medische dossier over 2021 te overleggen. Toen de psychiater in 2021 de ambulante 
regiebehandelaar van klager werd, was er al een diagnose gesteld waaraan hij inderdaad heeft 
vastgehouden. Klager heeft opgemerkt dat er andere psychiaters zijn geweest die stellen dat klager 
geen psychiatrische diagnose heeft, maar hij onderbouwt deze stelling niet volgens de psychiater.

5.8   Het college maakt uit de processtukken op dat destijds bij klager de diagnose schizo 
affectieve stoornis is gesteld. Omdat uit de processtukken geen andere diagnose kan worden 
afgeleid, begrijpt het college dat klager heeft bedoeld te stellen dat de psychiater ten onrechte 
heeft vastgehouden aan deze diagnose schizo affectieve stoornis. Klager stelt dat er rapporten van 
andere psychiaters zijn die aantonen dat er bij hem geen sprake is van een psychiatrische diagnose. 
Klager verwijst daarvoor onder meer naar het psychodiagnostisch onderzoeksverslag van 2018. Andere 
stukken zijn door klager niet overgelegd.

5.9   Gelet op de inhoud van dit klachtonderdeel gaat het college uit van de periode in 2021 waarin 
de psychiater de procedure om te komen tot verplichte zorg voor klager heeft geïnitieerd. Vast 
staat dat de psychiater in dit geval geen diagnose heeft gesteld, maar dat voorafgaand aan de 
gedwongen opname van 20 april 2021 al een diagnose bestond. Dat betekent dat de psychiater reeds 
daarom al niet kan worden verweten dat hij een onjuiste diagnose zou hebben gesteld. Dit 
klachtonderdeel is in zoverre ongegrond.

5.10  Dan resteert de vraag of de psychiater ten onrechte is blijven vasthouden aan een reeds 
gestelde diagnose. Uitgangspunt is dat een zorgverlener mag afgaan op hetgeen een collega in een 
eerder stadium als diagnose heeft gesteld, tenzij er aanwijzingen zijn, dan wel in de loop van de 
behandeling aanwijzingen ontstaan, waardoor de reeds gestelde diagnose in heroverweging moet worden 
genomen. Gelet op het beeld van klager zoals dat uit de stukken naar voren komt, is het college van 
oordeel dat er geen reden was om van de reeds gestelde diagnose af te wijken. De psychiater kon op 
goede gronden aan de eerder gestelde diagnose vasthouden. Het psychodiagnostisch onderzoeksverslag 
van maart 2018 waarnaar klager verwijst, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat niet 
duidelijk is of de psychiater van dit verslag kennis heeft kunnen nemen, is sprake van een verslag van 2018, terwijl 
het onderzoek en de diagnose die hebben geleid tot een gedwongen opname, in 2021 hebben plaatsgevonden, aldus drie jaar later. Het onderzoek uit 2018 is niet door een psychiater uitgevoerd. Bovendien heeft de opsteller van het verslag hierin expliciet opgemerkt dat het verslag is gebaseerd op de beleving van de patiënt en geen ander doel dient dan hulpverlening. Van het stellen van een diagnose of verwerpen van een eerder gestelde diagnose was er bij het verrichten van dit onderzoek dan ook geen sprake. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) verkeerde medicatie /geen pijn bestrijdende medicatie
5.11  Klager stelt dat hij tijdens zijn opname in 2021 tegen zijn wil een verplicht depot Abilify 
(aripiprazol) 800 mg heeft gekregen. Klager meent dat het om verkeerde medicatie gaat. Daarnaast 
stelt klager dat hij tijdens zijn verblijf op de HIC in 2024 geen pijnmedicatie heeft ontvangen.

5.12  De psychiater voert aan dat de verstrekking van de medicatie tijdens de gedwongen opname in 
2021 in overleg met hem tot stand is gekomen en dat deze medicatie passend was bij het ziektebeeld. 
De psychiater stelt daarnaast dat hij bij de zorgverlening aan klager op de HIC in 2024 niet 
betrokken was, omdat hij toen niet meer in dienst van de instelling was.

5.13  Voor zover de klacht ziet op de verstrekte medicatie in april 2021, is de richtlijn 
Psychosespectrum en Zorgstandaard Psychose van belang. Hoewel klager meent dat verkeerde medicatie 
is toegediend, heeft klager nagelaten te onderbouwen waarom hij die mening is toegedaan. Het 
college stelt vast dat de aan klager toegediende medicatie passend was bij de gestelde diagnose. 
Van verkeerde medicatie kan dan ook geen sprake zijn. Klager heeft in 2024 pijnklachten aan de orde 
gesteld. Aangezien de psychiater op dat moment niet (meer) bij de zorgverlening aan klager 
betrokken was, kan hem geen verwijt worden gemaakt van het niet verstrekken van de pijnmedicatie. 
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.14  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in de 
klachtonderdelen c), d) en e) en de overige klachtonderdelen kennelijk ongegrond zijn.

6.  De beslissing
Het college:
-  verklaart klager kennelijk niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen c), d), en e);
-  verklaart de overige klachtonderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 19 november 2025 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths- van Meerwijk, 
voorzitter, L.A.J. Stouthamer-Verschuren en R.J.M. Lardinois, leden- beroepsgenoten, bijgestaan 
door C.W.M. Hillenaar, secretaris.