ECLI:NL:TGZRSHE:2025:132 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7699

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2025:132
Datum uitspraak: 19-11-2025
Datum publicatie: 19-11-2025
Zaaknummer(s): H2024/7699
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Een patiënte klaagt erover dat haar huisarts haar hulpvraag niet beantwoordde en zonder toestemming medische informatie met een collega deelde. Het tuchtcollege acht de klacht ongegrond. Het gesprek kon door het gedrag van de patiënte niet goed verlopen en het delen van informatie met een collega binnen een praktijk met wie een vervolgconsult is gepland, is  toegestaan.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 19 november 2025 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klaagster,

tegen

[C],
huisarts, werkzaam in [B], verweerster,
gemachtigde: mr. E.A. Kadijk, werkzaam in Utrecht.

1. Waar gaat de zaak over?
1.1   Klaagster ondervond klachten na een lipoedeemingreep aan haar bovenarmen door een specialist 
en wendde zich daarmee tot verweerster. Klaagster klaagt erover dat verweerster haar medische 
hulpvraag tijdens het consult niet heeft beantwoord en dat zij medische informatie zonder haar 
toestemming heeft gedeeld met een collega-huisarts, met wie zij daarna een consult had.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2. De procedure
2.1  De procedure blijkt uit:
-  het klaagschrift, ontvangen op 7 oktober 2024;
-  de brief van 24 oktober 2024 van de secretaris aan klaagster;
-  het aanvullende klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 4 november 2024;
-  het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 6 januari 2025;
-  de brief van 17 januari 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van verweerster;
-  de brief van 21 januari 2025 met bijlagen van de gemachtigde van verweerster, ontvangen op 24 januari 2025;
-  de stukken van klaagster, ontvangen op 4 maart 2025;
-  de brief van 7 maart 2025 van de secretaris aan klaagster;
-  de brief van 10 maart 2025 van klaagster;
-  de brief van 14 maart 2025 van de secretaris aan klaagster;
-  het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 11 april 2025.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. Wat is er gebeurd?
3.1   Op 2 september 2024 kwam klaagster op het spreekuur van verweerster, haar vaste huisarts. Het 
gesprek verliep niet naar de wens van klaagster en verweerster heeft klaagster aangeboden om op een 
andere dag terug te komen of naar een collega-huisarts te gaan. Klaagster is boos weggelopen.

3.2  Verweerster heeft over dit consult het volgende genoteerd in het medisch dossier (letterlijk 
weergegeven):
Mw. komt boos binnen, voor mij onduidelijk waarom, is duidelijk geïrriteerd, onvriendelijk en 
kortaf. Vraagt me direct boos waar haar klachten op kunnen wijzen, haar klachten heeft zij op een 
papier geschreven die zij aan mij laat zien. Enigzins verward geef ik aan dat ik dit zo niet weet, 
kijkend naar haar klachten op het blaadje en vragend naar de achtergrond van haar vraag. Dit maakt 
haar nog bozer, zij verwijt mij dat ik het nooit weet. Is boos dat ik vervolgens wordt gebeld door 
een specialist, vraagt/sommeert mij 2 keer dwingend met harde toon of ik dat telefoontje nu echt op 
ga nemen, ik geef aan dat dit een specialist is die die ik ter woord moet staan Blijft daarna erg 
kortaf, verwijtend en aanvallend naar mij persoonlijk, verwijt mij dat ik lekker net koffie ben 
gaan drinken (zag mij lopen met een kop koffie in de wandelgang) en hierdoor uitloop, niks te geven 
om mijn patienten, ondertussen wel zeer boos vragend wat haar klachten kunnen betekenen. Ik vraag 
haar wat haar vraag aan mij is. Zij geeft aan een behandeling voor lipoedeem te hebben ondergaan en 
hierbij heel veel klachten heeft gehad. Ze blijft boos en aanvallend van toon, zij wil dat ik 
contact opneem met de behandelaar om te vragen wat haar klachten kunnen betekenen.

Ze vraagt nog een keer wat haar klachten kunnen betekenen, wijst me naar een middel wat ze mogelijk 
bij de behandeling hebben gebruikt wat ze ook op het blaadje heeft geschreven. Ik geef aan dat dit 
van alles kan zijn maar ik me niet goed kan richten op haar vraag omdat ik met heel erg aangevallen 
voel en niet op mijn gemak. Ik heb aangegeven dat ik op deze manier geen goed gesprek me haar kan 
voeren, mij helemaal niet prettig voel bij haar aanvallende toon. Pte overschrijdt duidelijk mijn 
grenzen. Haar aangeboden dat zij op een andere dag terug mag komen met een andere toon van aard of 
naar collega huisarts kan gaan, loopt voor ik iets kan zeggen nog boos weg met een middelvinger 
opstekend “kut [C]” roepend naar de wachtkamer.

3.3  Klaagster heeft een nieuwe afspraak gemaakt met een collega van verweerster. Verweerster heeft 
deze collega, voorafgaand aan diens gesprek met klaagster, over haar geïnformeerd.

4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1  Klaagster verwijt verweerster dat:
a. zij met een collega-huisarts heeft gepraat over het gedrag en de medische informatie van 
  
klaagster, zonder dat zij daarvoor expliciete toestemming heeft gegeven;
b. de medische hulpvraag van klaagster onbeantwoord is gebleven.

4.2  Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.


4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.


5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2  Het college zal om proceseconomische redenen eerst klachtonderdeel b) beoordelen en daarna 
klachtonderdeel a).

Klachtonderdeel b) de medische hulpvraag van klaagster is onbeantwoord gebleven.
5.3   Klaagster stelt dat zij met een medische hulpvraag bij verweerster kwam maar dat verweerster 
niet de moeite nam om te begrijpen waarover het ging en haar afkapte met “ik was er niet bij, dus 
ik weet het niet” en haar aanraadde een andere huisarts te consulteren. Verweerster verwijst voor 
haar standpunt naar hetgeen zij in het dossier heeft vermeld (zie hierboven onder 3.2).

5.4   Het college overweegt als volgt. Klaagster heeft gesteld dat het verslag van verweerster niet 
klopt, onder meer omdat er nooit sprake is geweest van boosheid of gewelddadig gedrag. Uitgangspunt 
is echter dat wat in het medisch dossier staat een correcte weergave is van wat is genoteerd en 
besproken, tenzij er aanwijzingen zijn voor het tegendeel. Klaagster heeft onvoldoende aannemelijk 
gemaakt dat wat in het patiëntdossier staat vermeld een onjuiste weergave is van het consult. Het 
college gaat dan ook uit van de juistheid daarvan.
Uit deze rapportage blijkt dat verweerster aan de (beantwoording van de) hulpvraag niet is 
toegekomen. Naar het oordeel van het college valt dat haar, gelet op de houding van klaagster zoals 
die uit deze rapportage blijkt, niet te verwijten. Daarbij komt dat verweerster voor opvolging 
heeft gezorgd door klaagster aan te bieden een nieuwe afspraak met haar of met een collega-huisarts 
te maken. Zij heeft zich dus voldoende ingespannen om de continuïteit van de zorg aan klaagster te waarborgen. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel a) verweerster heeft met een collega-huisarts gepraat over het gedrag en de 
medische informatie van klaagster, zonder dat klaagster daarvoor expliciete toestemming heeft 
gegeven
5.5   Het college acht het niet verwijtbaar dat verweerster informatie over klaagster heeft gedeeld 
met haar collega-huisarts met wie klaagster een vervolgconsult zou hebben.
De KNMG-richtlijn “Omgaan met medische gegevens” bepaalt dat de zwijgplicht niet geldt tussen 
hulpverleners die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van een behandelovereenkomst en ook 
niet tegenover een vervanger van de behandelend arts.
De collega-arts was bij de behandeling betrokken en verweerster had dus geen toestemming van 
klaagster nodig om informatie over klaagster met hem te delen. Een nadere mondelinge toelichting 
van verweerster over hoe het consult is verlopen en hoe klaagster zich heeft gedragen is daarom ook 
toegestaan. Haar collega had als behandelaar bovendien zelf toegang tot het medisch dossier van 
klaagster en kon daarin zelf het verslag van het consult lezen. Een toelichting/overdrachtsgesprek 
acht het college (ook) in het belang van klaagster omdat de collega-arts daardoor beter voorbereid 
was op zijn consult met haar en beter in staat was haar goede zorg te bieden. Verweerster treft ter 
zake geen verwijt en dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Slotsom
5.6  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de twee klachtonderdelen kennelijk ongegrond zijn.

6.  De beslissing
Het college:
-  verklaart de klacht in haar twee klachtonderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 19 november 2025 door T.N.E. Meyboom, voorzitter,
N.B. van der Maas en E. Jansen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door T.G. Nijenkamp, secretaris en 
in het openbaar uitgesproken door de vaste voorzitter K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk