ECLI:NL:TGZRSHE:2025:131 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7725
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:131 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-11-2025 |
| Datum publicatie: | 19-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7725 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster klaagt over een huisarts in opleiding die haar dochter die oorpijn en koorts had ten onrechte niet heeft verwezen naar een kinderarts en dochter uiteindelijk een hersenvliesontsteking bleek te hebben. Het tuchtcollege oordeelt dat de huisarts zorgvuldig heeft gehandeld: hij heeft het kind goed onderzocht en twee keer met een kinderarts overlegd en diens advies om antibiotica (te proberen) toe te dienen opgevolgd. Op dat moment waren er geen aanwijzingen die konden duiden op een hersenvliesontsteking. Klacht ongegrond |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 19 november 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klaagster,
gemachtigde: mr. J van Os,
tegen
[C],
huisarts, (destijds) in opleiding, (destijds) werkzaam in [B],
verweerder,
gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 De dochter van klaagster was ziek. Ze klaagde over oorpijn en hoofdpijn. Verweerder
heeft
haar op 15 februari 2022 op het spreekuur gezien. Verweerder concludeerde tot een
oorontsteking met
koorts. Op 18 februari 2022 zag verweerder haar weer op het spreekuur en na onderzoek
en overleg
met een kinderarts schreef verweerder antibiotica voor. Hij zag verder geen aanleiding
om de
dochter naar het ziekenhuis te verwijzen. Op dezelfde dag heeft verweerder klaagster
nog gebeld
waarna verweerder nogmaals heeft overlegd met de kinderarts. Ook toen zag verweerder
geen
aanleiding de dochter naar het ziekenhuis te verwijzen. Diezelfde avond is zij via
de HAP
(huisartsenpost) en opnieuw overleg door de dienstdoende huisarts met een kinderarts
alsnog naar
het ziekenhuis verwezen en bleek dat sprake was van een hersenvliesontsteking.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 15 oktober 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 16 januari 2025;
- het proces-verbaal van het op 11 april 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 24 september 2025. De partijen
zijn
verschenen. Zij werden bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden
hebben hun
standpunten mondeling toegelicht.
3. De feiten
3.1 Op zondag 6 februari 2022 werd de dochter van klaagster, toen vier jaar oud,
ziek. Ze klaagde
over oorpijn en hoofdpijn.
3.2 Op dinsdag 15 februari 2022 werd de dochter voor het eerst door verweerder gezien.
Hij
diagnosticeerde haar met oorontsteking met koorts en adviseerde haar uit te laten
zieken.
3.3 Omdat de situatie verslechterde is er op vrijdag 18 februari 2022 een nieuw
consult met
verweerder geweest. De dochter had onder meer koorts en klaagster vermoedde dat
ze een
hersenvliesontsteking had. Verweerder concludeerde na onderzoek en overleg met de
kinderarts dat
sprake was van koorts en malaise bij een oorontsteking, waarvoor hij antibiotica
voorschreef met
het advies het verloop aan te kijken gedurende tenminste 24 uur en bij verslechtering
contact op te
nemen met de huisartsenpost.
3.4 Verweerder belde later die dag met klaagster met de vraag hoe het ging. Klaagster
vertelde
toen dat het niet was gelukt antibiotica te geven. Verweerder overlegde daarna nogmaals
met een
kinderarts en adviseerde klaagster te blijven proberen antibiotica toe te dienen
met het advies de
huisartsenpost te bellen als het toch niet lukte.
3.5 Klaagster bezocht een kleine twee uur later de huisartsenpost. De dochter klaagde
nu voor het
eerst ook over nekpijn. De dienstdoende huisarts van de huisartsenpost twijfelde
en belde een
kinderarts die adviseerde naar het ziekenhuis te gaan. De dochter is met de ambulance
naar het
ziekenhuis gebracht en daar bleek uiteindelijk dat sprake was van een hersenvliesontsteking.
4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1 Klaagster verwijt verweerder dat:
a) hij onzorgvuldig heeft gehandeld door geen adequate actie te ondernemen in verband
met de
klachten van de dochter van klaagster, uiteindelijk resulterend in de diagnose meningitis
(hersenvliesontsteking);
b) de kinderarts tot twee keer toe geen groen licht heeft gegeven voor insturen,
omdat verweerder
niet met de juiste overtuiging en informatie het overleg heeft gevoerd.
4.2 Klaagster heeft desgevraagd tijdens de openbare zitting verklaard dat de klachten
zien op het
handelen van verweerder op 18 februari 2022.
4.3 Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.4 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
5.1 Het college begrijpt dat klaagster zich grote zorgen heeft gemaakt toen haar
dochter erg ziek
was en veel pijn had. Zij was bang dat haar dochter hersenvliesontsteking had en
voelde zich door
verweerder niet gehoord. Vervolgens werd de angst van klaagster ook bevestigd. Dit
alles is voor
klaagster en haar familie een moeilijke periode geweest.
De criteria voor de beoordeling
5.2 De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van een huisarts, al
dan niet in
opleiding, verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk
handelende
huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener
geldende
beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders
had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
Klachtonderdeel a) verweerder heeft geen adequate actie ondernomen voor de klachten
van de dochter
van klaagster
5.3 Klaagster voert aan dat haar dochter heel erg ziek was en veel pijn had. Zij
was ervan
overtuigd dat haar dochter hersenvliesontsteking had. Verweerder heeft volgens haar
de ernst van de
klachten van haar dochter op vrijdag 18 februari 2022 niet ingezien. Het was geen
adequaat advies,
zowel niet tijdens het consult in de ochtend als niet tijdens het telefonisch consult
in de middag,
om antibiotica te geven dan wel te blijven proberen te geven. Verweerder had de
dochter van
klaagster in plaats daarvan moeten insturen.
5.4 Verweerder voert het verweer dat hij in de ochtend van 18 februari 2022 niet
een heel ziek
kind zag. De dochter van klaagster klom zelf op de onderzoeksbank, klaagde niet
over nekpijn,
draaide haar hoofd en ook haar benen konden in rugligging zonder pijn worden opgetild.
Het
resultaat van het onderzoek door verweerder wees niet op hersenvliesontsteking.
Hij heeft met de
kinderarts gebeld omdat klaagster ernstig ongerust was, niet omdat hij zelf twijfelde.
In de middag
heeft hij met klaagster gebeld omdat zij in de ochtend zo ongerust was. Toen was
de verslechtering
van de toestand van de dochter van klaagster aanleiding om de kinderarts te bellen.
De kinderarts
was stellig in het advies om te blijven proberen antibiotica te geven. Op dat moment
was voor
verweerder niet duidelijk dat klaagster verwachtte dat het toedienen van de antibiotica
niet zou
gaan lukken.
5.5 Bij de beoordeling van de vraag of verweerder adequaat heeft gehandeld op vrijdag
18 februari
2022 stelt het college voorop dat de dochter van klaagster tijdens het consult in
de ochtend niet
een hele zieke indruk op hem maakte. Verweerder heeft hierover duidelijke aantekeningen
gemaakt in
het dossier. Hij heeft onderzoek gedaan speciaal gericht op de symptomen van hersenvliesontsteking
en kon op basis van het resultaat daarvan in redelijkheid hersenvliesontsteking
op dat moment
uitsluiten. Verweerder heeft vastgesteld dat de benen van de dochter goed opgetild
konden worden
zonder pijn en dat het hoofd naar de borst gebogen kon worden. Klaagster heeft ook
zelf opgemerkt dat haar dochter zich tijdens het consult in de ochtend (klaagster
vermoedt vanwege het nog niet gediagnosticeerde autisme) minder
ziek voordeed dan zij eigenlijk was. Het college oordeelt dat het een goede keuze
van verweerder
was om de kinderarts te bellen omdat klaagster zo ongerust was. De kinderarts kwam
op basis van de
bevindingen van verweerder tot dezelfde werkdiagnose en hetzelfde behandeladvies
als verweerder.
Van het handelen tijdens het consult in de ochtend kan verweerder dan ook geen tuchtrechtelijk
verwijt worden gemaakt.
5.6 Van het telefonisch consult met klaagster in de middag heeft verweerder geen
aantekeningen
gemaakt in het patiëntendossier. Het was voor verweerder op dat moment wel duidelijk
dat het
slechter ging met de dochter van klaagster en dat het nog niet gelukt was om haar
de antibiotica
toe te dienen. Hij heeft opnieuw de kinderarts gebeld, deze keer om de verslechtering
van het
toestandsbeeld van de dochter te bespreken en ook omdat hij twijfelde over het behandeladvies.
Het
advies van de kinderarts was heel duidelijk dat nog steeds geprobeerd moest worden
om de
antibiotica toe te dienen. Verweerder heeft aan klaagster als vangnet meegedeeld
dat zij bij
verdere verslechtering naar de HAP kon bellen.
5.7 Het college is van oordeel dat verweerder gelet op zijn bevindingen tijdens
het onderzoek van
die ochtend en het advies van de kinderarts geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden
gemaakt dat hij
in de middag heeft vastgehouden aan zijn werkdiagnose koorts en malaise bij een
oorontsteking en
het advies om nog te blijven proberen antibiotica toe te dienen en contact op te
nemen met de HAP
als dit toch niet zou lukken. Dat nadien van hersenvliesontsteking is gebleken,
maakt dit niet
anders.
5.8 Uit het voorgaande volgt dat klachtonderdeel a) ongegrond is.
Klachtonderdeel b) de kinderarts heeft tot twee keer toe geen groen licht gegeven
voor insturen,
omdat verweerder niet met de juiste overtuiging en informatie met de kinderarts
heeft overlegd.
5.9 Klaagster stelt dat verweerder tijdens beide consulten op vrijdag 18 februari
2022 ten
onrechte heeft besloten haar dochter niet in te sturen. Zij is van mening dat de
kinderarts anders
zou hebben geadviseerd als verweerder wel de juiste informatie met meer overtuiging
aan de
kinderarts zou hebben overgebracht.
5.10 Het college kan op basis van hetgeen klaagster heeft aangevoerd niet vaststellen
dat
verweerder de kinderarts onjuist heeft geïnformeerd of onvoldoende heeft proberen
te overtuigen van
de ernst van de klachten van de dochter. Het enkele feit dat de kinderarts tot tweemaal
toe niet
adviseerde om de dochter in te sturen is daarvoor onvoldoende. Het is wel duidelijk
dat klaagster
teleurgesteld was over dat advies van de kinderarts. Het college heeft echter wat
betreft
klachtonderdeel a) hiervoor overwogen dat verweerder op basis van zijn bevindingen
tijdens het
consult in de ochtend hersenvliesontsteking op dat moment kon uitsluiten en in de
middag mocht
vasthouden aan zijn werkdiagnose koorts en malaise bij een oorontsteking. Bij die
(werk)diagnose
bestond geen aanleiding om de dochter in te sturen. Dit betekent dat verweerder
ook geen
tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt dat hij de kinderarts onjuist heeft geïnformeerd
of onvoldoende heeft proberen te overtuigen. Dit klachtonderdeel is ook ongegrond.
Slotsom
5.11 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle klachtonderdelen ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door T.N.E. Meyboom, voorzitter, T. Dohmen, lid-jurist,
N.B. van der Maas, E. Jansen en E.I. Hofstra, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
T.G. Nijenkamp, secretaris en in het openbaar uitgesproken door de vaste voorzitter
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 19 november 2025.