ECLI:NL:TGZRSHE:2025:127 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7320
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:127 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-11-2025 |
| Datum publicatie: | 19-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024/7320 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klager verwijt de huisarts van zijn overleden moeder dat zij een blaasontsteking niet heeft herkend en behandeld, onterecht zware medicatie heeft voorgeschreven en haar niet heeft bezocht in het weekend voor haar overlijden. Het tuchtcollege oordeelt dat de huisarts zorgvuldig heeft gehandeld. Zij volgde de geldende richtlijnen bij het urineonderzoek; er was geen blaasontsteking. De medicatie paste bij de palliatieve fase waarin de moeder verkeerde. De huisarts hoefde in het weekend niet bereikbaar te zijn, maar had wel 24-uurszorg geregeld. Klacht ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’S-HERTOGENBOSCH
Beslissing van 19 november 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B], klager,
tegen
[C],
arts,
(destijds) werkzaam in [B],
verweerster, hierna ook: de arts,
gemachtigde: mr. A.F. Maatje, werkzaam in Utrecht.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 De moeder van klager was ongeneeslijk ziek. Volgens klager heeft verweerster
een
blaasontsteking van zijn moeder niet herkend en niet behandeld waardoor zij sepsis
heeft gekregen.
Voor klager is ook onduidelijk waarom verweerster bepaalde medicatie heeft voorgeschreven.
Tot slot
verwijt klager verweerster dat zij moeder niet heeft bezocht in het weekend voor
het overlijden van
moeder.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft
gehandeld. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 19 juni 2024;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 10 oktober 2024;
- de e-mails van 25 oktober 2024 en 1 november 2024 ontvangen van klager, door
het college
aangemerkt als repliek;
- de dupliek, ontvangen op 22 november 2024;
- de schriftelijke vragen van het college aan verweerster van 17 september 2025;
- de reactie op de vragen, ontvangen op 19 september 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek).
Daarvan hebben zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 24 september 2025. Klager was
afwezig met
bericht van verhindering. Verweerster is verschenen. Zij werd bijgestaan door haar
gemachtigde.
Verweerster en haar gemachtigde hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
3. De feiten
3.1 De moeder van klager was ongeneeslijk ziek.
3.2 Verweerster was vanaf februari 2023 de waarnemend huisarts van de moeder van klager.
3.3 Op 3 juli 2023 heeft klager urine van zijn moeder naar de dokterspraktijk gebracht
omdat
moeder verward was. De urine is onderzocht en er bleek niet van een blaasontsteking.
Er werd ook
een dipslide ingezet die ook negatief was.
3.4 Op 5 juli 2023 deed verweerster een visite bij moeder. Er waren geen bijzonderheden.
Moeder
had geen pijn bij het plassen, was niet misselijk en dronk goed.
3.5 Op 17 juli 2023 is moeder gevallen en deed een arts van de huisartsenpost een
visite bij
moeder en constateerde een gekneusde/gebroken duim en een aantal grote schaafwonden.
Hij onderzocht
ook haar urine vanwege pijn bij het plassen. Daarbij was de leukocytenconcentratie
verhoogd. Hij
adviseerde een urinekweek te doen en schreef uit voorzorg antibiotica voor totdat
de uitslag van de
urinekweek bekend zou zijn. Verweerster heeft de antibiotica gehandhaafd tot die
tijd.
3.6 Op 18 juli 2023 is het resultaat van de urinekweek bekend geworden. Daaruit
bleek een
kiemgetal tussen 10.000 en 100.000 (kolonievormende) micro-organismen per ml (aangeduid
als
‘kve/ml’).
3.7 Op 19 juli 2023 bezocht verweerster moeder. Moeder had minder pijn bij het plassen,
maar nog
wel een branderig gevoel.
3.8 Op 20 juli 2023 is de ambulance bij moeder geweest nadat klager 112 had gebeld.
Hij had
gebeld omdat moeder last had van trekkingen. Na het bezoek door de ambulance, heeft
verweerster
klager gebeld.
3.9 In de avond van 20 juli 2023 is een huisarts van de huisartsenpost bij moeder
op visite
geweest. Deze arts dacht aan een delier en heeft een klysma voorgeschreven.
3.10 In de nacht van 20 op 21 juli 2023 zijn de ambulance en de huisarts van de huisartsenpost
(nog een tweede keer) bij moeder geweest. De arts van de huisartsenpost heeft haldol
voorgeschreven en toegediend. De arts heeft ook genoteerd dat moeder niet naar het
ziekenhuis wil.
3.11 Op 21 juli 2023 bezocht verweerster moeder overdag. Daarbij was moeder niet
aanspreekbaar en
zij reageerde niet op een pijnprikkel. Zij had last van trekkingen en zij kreunde.
Verweerster
heeft midazolam en morfine voorgeschreven en toegediend. Zij heeft ook 24-uurszorg
aangevraagd.
3.12 Verweerster heeft moeder diezelfde dag (21 juli 2023) nog twee keer bezocht
en daarbij een
blaaskatheter geplaatst en het haldol voorschrift gehandhaafd.
3.13 In het weekend van 22 en 23 juli 2023 is geen beroep meer gedaan op de huisartsenpost.
3.14 Op 24 juli 2023 is moeder overleden.
4. De klacht en de reactie van verweerster
4.1 Klager verwijt verweerster dat zij:
a. de diagnose blaasontsteking bij de moeder van klager niet heeft herkend en niet
heeft behandeld,
waardoor de moeder van klager een sepsis heeft gekregen. De huisarts had de moeder
van klager een
infuus moeten geven;
b. zonder duidelijke reden morfine, haldol en midazolam heeft voorgeschreven aan
de moeder van
klager;
c. op 22 en 23 juli 2023 geen contact heeft opgenomen met de moeder van klager en
klager.
4.2 Verweerster heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of verweerster de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling
wordt rekening
gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden.
Klachtonderdeel a) verweerster heeft de diagnose blaasontsteking bij de moeder van
klager niet
herkend en niet behandeld
5.2 Volgens klager heeft verweerster op twee momenten (3 en 17 juli 2023) urine
van moeder
onderzocht en daarbij niet de juiste conclusies getrokken.
5.3 Uit het overgelegde medisch dossier blijkt dat verweerster op 3 juli 2023 de
urine van moeder
met een urinestick heeft onderzocht. Verweerster heeft ook aanvullend onderzoek
verricht met een
dipslide. Beide uitkomsten waren negatief. De conclusie van verweerster was daarom
dat geen sprake
was van een urineweginfectie. Dit onderzoek en de conclusie van verweerster zijn
in lijn met de
geldende NHG-Standaard Urineweginfecties.
5.4 Op 17 juli 2023 heeft een arts van de huisartsenpost moeder bezocht en haar
urine onderzocht.
De uitslag van dat onderzoek was negatief. Omdat de leukocytenconcentratie verhoogd
was, heeft de
huisarts van de huisartsenpost geadviseerd een urinekweek te doen en uit voorzorg
antibiotica voor
te schrijven totdat de uitslag van de kweek bekend was. Verweerster heeft dit advies
direct
opgevolgd. De uitslag van de urinekweek liet zien dat geen sprake was van een urineweginfectie.
Volgens de NHG-Standaard Urineweginfecties, is pas sprake van een blaasontsteking
als de uitslag
hoger is dan 100.000 kve/ml. In dit geval was de uitslag van de kweek lager. Ook
op (en na) 17 juli
2023 waren het handelen en de conclusie van verweerster dus in lijn met de geldende
richtlijn.
5.5 Omdat niet is gebleken dat sprake was van een blaasontsteking, was er ook geen
aanleiding om
een infuus te plaatsen of om moeder in te sturen naar het ziekenhuis voor het plaatsen
van een
infuus. Bovendien is het plaatsen van een infuus geen gebruikelijke handeling binnen
de
huisartsenzorg.
5.6 Het college is van oordeel dat verweerster niet nalatig heeft gehandeld, op
basis van de
geldende NHG-standaard heeft gehandeld en de aangewezen actie heeft ondernomen.
Niet kan worden
gesteld dat zij daarbij onzorgvuldig is geweest. Klachtonderdeel a) is dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel b) verweerster heeft zonder duidelijke reden morfine, haldol en midazolam
voorgeschreven aan de moeder van klager
5.7 Verweerster heeft tijdens de openbare zitting toegelicht dat de medisch specialist
de
diagnose niercelcarcinoom met metastasen (uitzaaiingen) heeft gesteld, omdat daarvoor
sterke
aanwijzingen aanwezig waren na onder andere beeldvorming. Moeder werd daarom palliatief
behandeld.
De behandeling zag dus niet op het beter worden van moeder, maar op het zo comfortabel
mogelijk
maken van moeder in haar laatste levensfase.
5.8 Verweerster had de indruk dat klager de diagnose niet wilde accepteren, ondanks
dat zij heeft
geprobeerd duidelijk uit te leggen wat er aan de hand was. Verweerster heeft stukken
van de medisch
specialist overgelegd waaruit die diagnose blijkt (bijlage 2 bij het verweerschrift).
Daaruit
blijkt ook het advies van de medisch specialist om moeder palliatief te behandelen
omdat er geen
behandelopties meer waren om moeder te kunnen genezen. Het college heeft daarom
geen reden om te
twijfelen aan de diagnose niercelcarcinoom met metastasen.
5.9 Verweerster heeft verder toegelicht dat moeder op 20 juli 2023 kenmerken van
een delier
vertoonde. In de nacht van 20 op 21 juli 2023 is de ambulance gebeld en is de huisarts
van de
huisartsenpost bij moeder op visite geweest. De huisarts van de huisartsenpost heeft
toen haldol
toegediend aan moeder. Op 21 juli 2023 heeft verweerster moeder bezocht en de vastgesteld
dat
moeder in de terminale fase verkeerde. Omdat moeder op dat moment niet aanspreekbaar
was, maar wel
trekkingen en onrust vertoonde, heeft verweerster midazolam voorgeschreven. Tijdens
de visite
kreunde moeder ook, waardoor verweerster veronderstelde dat moeder pijn had en benauwd
was.
Daarvoor heeft verweerster morfine voorgeschreven. Deze gang van zaken wordt bevestigd
door de
aantekeningen in het medisch dossier.
5.10 Desgevraagd heeft verweerster verklaard dat zij bij de visite ook aan klager
heeft uitgelegd
waarom zij de medicatie voorschreef.
5.11 De door verweerster voorgeschreven medicatie past bij een palliatief beleid
en bij de
symptomen die moeder vertoonde. De voorgeschreven medicatie was gericht op het kalmeren
van moeder
en op het verzachten van haar pijn en benauwdheid. Verweerster heeft dan ook gehandeld
zoals van
een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts mag worden verwacht.
5.12 Gelet op het voorgaande is ook klachtonderdeel b) ongegrond.
klachtonderdeel c) verweerster heeft op 22 en 23 juli 2023 geen contact opgenomen
met de moeder van
klager en klager.
5.13 22 en 23 juli 2023 waren een zaterdag en een zondag. Verweerster heeft toegelicht
dat zij in
het weekend vrij was. Zij heeft moeder wel meermaals bezocht op 21 juli 2023. Om
de continuïteit
van zorg te waarborgen, heeft zij 24-uurszorg geregeld. Verder heeft zij klager
het advies gegeven
om de huisartsenpost te bellen als de toestand van moeder zou verslechteren. Tot
slot heeft
verweerster ervoor gezorgd dat de huisartsenpost inzage had in de noodzakelijke
delen van het
medisch dossier van moeder.
5.14 Verweerster heeft naar het oordeel van het college geen verwachtingen gewekt
bij klager dat
zij in het weekend van 22 en 23 juli 2023 bereikbaar zou zijn of dat zij moeder
dan zou bezoeken.
Klager heeft ook niet aangevoerd dat dit wel is afgesproken. Van een huisarts kan
niet worden
verwacht dat hij/zij 24 uur per dag en ook in het weekend beschikbaar is. Wel mag
worden verwacht
dat de continuïteit van zorg wordt gewaarborgd. Dat heeft verweerster ook gedaan
door 24-uurszorg
te regelen voor moeder en door het advies te geven de huisartsenpost te bellen als
de toestand zou
verslechteren. Meer mocht klager in de gegeven omstandigheden niet van verweerster
verwachten.
5.15 Ook ten aanzien van klachtonderdeel c) geldt dat verweerster geen tuchtrechtelijk
verwijt kan
worden gemaakt. Dit klachtonderdeel wordt daarom ook ongegrond verklaard.
Slotsom
5.16 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart alle klachtonderdelen ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door T.N.E. Meyboom, voorzitter, T. Dohmen, lid-jurist,
N.B. van der Maas, E. Jansen en E.I. Hofstra, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
T.G. Nijenkamp, secretaris en in het openbaar uitgesproken door de vaste voorzitter
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 19 november 2025.