ECLI:NL:TGZRSHE:2025:126 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024-7587
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRSHE:2025:126 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-11-2025 |
| Datum publicatie: | 19-11-2025 |
| Zaaknummer(s): | H2024-7587 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegronde klacht tegen psychiater. De klacht van patiënt betreft onder meer het stellen van een onjuiste diagnose en het voorschrijven van verkeerde medicatie. Geen reden om van de reeds gestelde diagnose af te wijken. Toegediende medicatie was passend bij het ziektebeeld. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE ’s-HERTOGENBOSCH
Beslissing in raadkamer van 19 november 2025 op de klacht van:
[A],
wonende in [B],
klager,
tegen: [C],
psychiater,
werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. D. Schut-Wolfs, werkzaam in Amsterdam.
1. Waar gaat de zaak over?
1.1 In de periode van 6 maart 2024 tot 29 juli 2024 was klager opgenomen bij een
instelling voor
geestelijke gezondheidszorg (hierna: de instelling). In deze periode werd hij door
meerdere
zorgverleners behandeld. Klager verwijt de psychiater onder meer het stellen van
een onjuiste
diagnose, het voorschrijven van verkeerde medicatie, onprofessioneel leiderschap
en geestelijke en
lichamelijke mishandeling.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat klager in enkele klachtonderdelen kennelijk
niet-
ontvankelijk is en dat de overige klachtonderdelen kennelijk ongegrond zijn. ‘Kennelijk’
betekent
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze
beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 De procedure blijkt uit:
- het klaagschrift, ontvangen op 31 augustusu 2024;
- een aanvulling op het klaagschrift, ontvangen op 27 september 2024;
- de brief van 14 november 2024 van de secretaris aan klager;
- de e-mail van klager, ontvangen op 12 december 2024;
- het overzicht lopende klachten, ontvangen van klager op 30 december 2024;
- het verweerschrift, ontvangen op 5 maart 2025.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het
college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen gebruik
gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 Klager heeft een langdurig verleden met psychische problematiek. Met een crisismaatregel
(CM)
als juridisch kader werd klager op 6 maart 2024 gedwongen opgenomen op de High Intensive
Care (HIC)
afdeling van de instelling waar verweerder als psychiater werkzaam is. Hij was niet
de
regiebehandelaar van klager. Klager werd opgenomen met de reeds bestaande diagnoses
van een
psychotische stoornis en ernstig middelenmisbruik.
3.2 Op 8 maart 2024 verleende de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de
crisismaatregel. Aansluitend daarop verleende de rechtbank op 15 april 2024 een
zorgmachtiging tot
het verlenen van verplichte zorg voor de duur van zes maanden.
3.3 In de periode van 10 maart tot 20 maart 2024 klaagde klager over pijn, waarvoor
hij
regelmatig paracetamol kreeg aangeboden. Op 15 maart 2024 noteerde verweerder in
het dossier (alle
citaten voor zover van belang en ongecorrigeerd weergegeven): “Veel pijn aan rug,
ribben. Door
stoel gezakt thuis en met scooter gegleden en hardhandig aangepakt door vpk alhier.”
Diezelfde dag
noteerde een zorgmedewerker in het dossier: “Secretariaat huisartsen belde dat dhr
vaak gebeld had
om te vragen naar zijn pijnstilling op een dwingende manier. Huisarts had toen al
naproxen voorgeschreven.”
3.4 Op 12 april 2024 schreef de psychiater lorazepam 2,5 mg voor aan klager. Op
2 mei 2024
schreef hij klager als noodmedicatie haloperidol 5mg en promethazine 50mg (beide
i.m.) voor.
3.5 Op 6, 7 en 26 maart, 15 en 17 april en 15 mei 2024 is dwangmedicatie voorgeschreven.
3.6 Op 24 mei 2024 werd klager van de HIC overgeplaatst naar de Forensische High
Intensive Care
(FHIC). Vanaf dat moment was verweerder niet meer bij de zorgverlening aan klager
betrokken.
3.7 Op 29 mei 2024 vond een incident op de FHIC plaats, waarover klager een klacht
tegen het
FHIC-team indiende.
3.8 De opname van klager bij de instelling eindigde op 29 juli 2024.
4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Klager verwijt de psychiater:
a) onjuiste diagnose;
b) het voorschrijven van verkeerde medicatie;
c) onprofessioneel leiderschap;
d) geestelijke en lichamelijke mishandeling;
e) onjuiste procedure en regels, slecht onderhoud van gebouwen en beveiligingsinstallatie,
het niet
reageren op dringende hulpvragen en een slecht rapportagesysteem.
4.2 De psychiater heeft het college verzocht de klager niet-ontvankelijk te verklaren
en de
klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht
wel inhoudelijk
gaat beoordelen, heeft de psychiater het college verzocht de klacht ongegrond te
verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 De psychiater heeft naar voren gebracht dat klager niet-ontvankelijk is in
de klacht omdat
niet geheel duidelijk is op welke specifieke datum de klacht ziet. Daarnaast zijn
de
klachtonderdelen volgens de psychiater te algemeen geformuleerd en is het niet aan
hem om te gokken
op welke situaties klager doelt. De psychiater is ook niet altijd bij de behandeling
van klager
betrokken geweest. Daarnaast ziet het tuchtrecht niet op de problemen waar klager
over klaagt.
5.2 Het college komt tot het oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk is in
de
klachtonderdelen c), d) en e). Het college komt tot dit oordeel op grond van het
navolgende.
Uitleg
5.3 Klager heeft deze klachtonderdelen op geen enkele wijze gespecificeerd noch
toegelicht, ook
niet nadat de secretaris hem bij brief van 14 november 2024 om uitleg had gevraagd.
Hierdoor is nog
steeds niet duidelijk wat klager verweerder precies verwijt. Vooralsnog lijkt klager
te klagen over
onderwerpen waarvoor verweerder niet verantwoordelijk is, noch een persoonlijk verwijt
te maken
valt. Daarom is het college van oordeel dat klager kennelijk niet-ontvankelijk in
deze
klachtonderdelen is. Dat betekent dat deze klachtonderdelen niet inhoudelijk kunnen
worden
beoordeeld.
De criteria voor de inhoudelijke beoordeling
5.4 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling
wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele
standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk
zijn voor hun eigen handelen.
5.5 Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdeel a) onjuiste diagnose
5.6 Klager verwijt de psychiater dat een onjuiste diagnose is gesteld.
5.7 De psychiater voert aan dat klager niet specifiek heeft aangegeven op welke
diagnose de
klacht ziet noch op welke datum deze onjuiste diagnose zou zijn gesteld. Daarbij
komt dat de
psychiater geen diagnose heeft gesteld. Toen klager op de HIC werd opgenomen, was
sprake van een
reeds gestelde diagnose. De psychiater heeft deze diagnose onderkend en gedurende
de behandeling
geen aanleiding gezien om een aangepaste diagnose te stellen.
5.8 Ten tijde van de opname van klager op de HIC was de psychiater bij de behandeling
van klager
betrokken. Voor het college staat vast dat er voorafgaand aan de gedwongen opname
van 6 maart 2024
al diagnoses gesteld waren en dat de psychiater gedurende de behandeling geen diagnose
heeft
gesteld. Dat betekent dat de psychiater reeds daarom niet kan worden verweten dat
hij een onjuiste
diagnose zou hebben gesteld. Voor zover klager bedoelt te klagen dat de diagnose
gedurende de
behandeling had moeten worden aangepast, overweegt het college als volgt. Uitgangspunt
is dat een
zorgverlener mag afgaan op hetgeen een collega in een eerder stadium als diagnose
heeft gesteld,
tenzij er aanwijzingen zijn, dan wel in de loop van de behandeling aanwijzingen
ontstaan, waardoor
de reeds gestelde diagnose in heroverweging moet worden genomen. Gelet op het beeld
van klager
zoals dat uit de stukken naar voren komt, is het college van oordeel dat er gedurende
de
behandeling op de HIC voor de psychiater geen reden was om de reeds gestelde diagnose(s)
aan te
passen, bij te stellen of te verwerpen. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) verkeerde medicatie
5.9 Klager stelt dat de psychiater verkeerde medicatie heeft voorgeschreven. Ook
geeft klager aan
dat hij pijn heeft gehad maar geen pijnstillende medicatie kreeg.
5.10 De psychiater voert aan dat hij op 12 april 2024 lorazepam en op 2 mei 2024
haloperidol en
promethazine aan klager heeft voorgeschreven. Deze medicatie was volgens hem passend
bij het
ziektebeeld en bij de situatie van dat moment. De toegediende dwangmedicatie is
niet uit het niets
voorgeschreven. Klager heeft de psychiater niet om pijnstilling gevraagd. Klager
heeft wel op 15
maart 2024 aan de psychiater verteld dat hij pijn had aan zijn rug/ribben, waarvoor
klager naar de
huisarts is verwezen.
5.11 Uit de stukken komt naar voren dat in april/mei 2024 sprake was van een psychotische
episode
van klager. Naar het oordeel van het college was de door verweerder voorgeschreven
medicatie
passend bij deze psychotische episode en de daarmee gepaard gaande agitatie, zoals
in het dossier
goed gedocumenteerd is. De medicatie was, evenals de dwangmedicatie, conform de
richtlijnen
voorgeschreven. Wat de pijnstillende medicatie betreft, oordeelt het college dat
de psychiater naar
aanleiding van de pijnklachten van klager op 15 maart 2024 een adequate anamnese
heeft afgenomen.
Dat de psychiater klager vervolgens naar de huisarts verwees voor verdere behandeling,
is een
gebruikelijke en in dit geval ook navolgbare werkwijze. De psychiater hoefde op
dat moment zelf
geen pijnstillende medicatie voor te schrijven.
5.12 Voor zover door klager over de wijze van toediening van de dwangmedicatie wordt
geklaagd,
oordeelt het college als volgt. Hoewel vaststaat dat klager bij de toediening van
de medicatie werd
gefixeerd, kan het college uit de stukken niet opmaken dat de psychiater hierbij
betrokken was,
zodat hem daarvan geen persoonlijke verwijt te maken valt.
5.13 Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.14 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klager kennelijk niet-ontvankelijk
is in de
klachtonderdelen c), d) en e) en dat de overige klachtonderdelen kennelijk ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart klager kennelijk niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen c), d) en
e);
- verklaart de overige klachtonderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 19 november 2025 door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-
van Meerwijk,
voorzitter, L.A.J. Stouthamer-Verschuren en R.J.M. Lardinois, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door C.W.M. Hillenaar, secretaris.